Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP6307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
201002180/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2010, no. PZH-2010-151066098A, heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maassluis bij besluit van 19 mei 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Aalkeetpolder".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4799
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002180/1/R1.

Datum uitspraak: 2 maart 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Maassluis,

2. [appellant sub 2], wonend te Maassluis,

3. [appellant sub 3], wonend te Maassluis,

4. de vereniging Vereniging van Huiseigenaren Woonpark Boonervliet, gevestigd te Maassluis,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2010, no. PZH-2010-151066098A, heeft het college van gedeputeerde staten besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Maassluis bij besluit van 19 mei 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Aalkeetpolder".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2010, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2010, en de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 maart 2010, beroep ingesteld.

[appellant sub 2] en de vereniging hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. C. Greven, advocaat te Rotterdam, [appellant sub 2] en de vereniging, vertegenwoordigd door ing. T.J. van der Sar, zijn verschenen. De raad, vertegenwoordigd door mr. M.A. Klaver en mr. L.C.J. Dekkers, beiden werkzaam bij de gemeente, is voorts als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het beroep van [appellant sub 1], behoudens voor zover gericht tegen de goedkeuring van artikel 14, eerste lid, onder k, van de planvoorschriften, voor zover dit voorschrift ziet op het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de aanduiding "horeca (ha)", steunt niet op bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenkingen.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college van gedeputeerde staten voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het vastgestelde plan bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen bedenkingen heeft ingebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 1] is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.2. Het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Water (WA)" voor de oostelijke watergang, steunt niet op bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenkingen.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college van gedeputeerde staten voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het vastgestelde plan bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen bedenkingen heeft ingebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 2] is dan ook in zoverre niet-ontvankelijk.

2.3. De raad heeft eerst ter zitting betoogd dat het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de aanduiding "horeca (ha)" voor de gronden gelegen ten westen van de recreatieplas, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat [appellant sub 2] geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. In dit verband heeft de raad erop gewezen dat [appellant sub 2] geen zicht heeft op het voornoemde plandeel en de door [appellant sub 2] verwachte parkeerdruk wordt opgevangen op het parkeerterrein van het Sportpark Sportlaan.

2.3.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de WRO, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.3.2. [appellant sub 2] woont op ongeveer 250 meter afstand van het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de aanduiding "horeca (ha)" voor de gronden gelegen ten westen van de recreatieplas. Daargelaten of hij zicht heeft op het betreffende plandeel, is de ruimtelijke uitstraling van het ter plaatse voorziene recreatiegebied, gelet op de mogelijke parkeerdruk in de omgeving van de woning van [appellant sub 2], zodanig dat de Afdeling van oordeel is dat het belang van [appellant sub 2] rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken. Gelet hierop kan hij als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt.

2.4. Voor zover de raad eerst ter zitting heeft betoogd dat het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk is, voor zover gericht tegen het niet gewijzigd vastgestelde gedeelte van het plan, overweegt de Afdeling dat het beroep van [appellant sub 3] zich slechts richt tegen het plan voor zover gewijzigd vastgesteld.

Toetsingskader

2.5. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college van gedeputeerde staten de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college van gedeputeerde staten erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Inhoudelijke aspecten

2.6. Het plangebied omvat het buitengebied van de gemeente Maassluis met daarin het bebouwingslint Zuidbuurt/Kortebuurt. Het plan is gericht op het vastleggen van de bestaande ruimtelijke situatie. Daarnaast worden ten oosten van de Boonervliet nabij de recreatieplas een horecagelegenheid, een speeltuin, een botenloods en een kinderboerderij mogelijk gemaakt. In het kader van de provinciale ruimte-voor-ruimte regeling worden in het plan na de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing met een wijzigingsbevoegdheid drie woningen mogelijk gemaakt.

2.7. Het beroep van [appellant sub 1] voor het overige is gericht tegen de goedkeuring van artikel 14, eerste lid, onder k, van de planvoorschriften, voor zover daarin de aanleg van parkeerplaatsen ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de aanduiding "horeca (ha)" voor de gronden gelegen ten westen van de recreatieplas niet meer wordt mogelijk gemaakt.

Het beroep van [appellant sub 2] voor het overige en de beroepen van [appellant sub 3] en de vereniging zijn gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de aanduiding "horeca (ha)" voor voornoemde gronden.

Het beroep van de vereniging is tevens gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" voor de gronden gelegen ten westen van de recreatieplas, voor zover aan deze gronden de aanduiding "gebied met wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 WRO I" is toegekend.

2.7.1. Aan een deel van de gronden tussen de Boonervliet en de recreatieplas is de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de aanduiding "horeca (ha)" toegekend en aan een ander deel van de gronden tussen de Boonervliet en de recreatieplas is de bestemming "Woondoeleinden (W)", de aanduiding "maximaal aantal woningen 1" en de aanduiding "gebied met wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 WRO I" toegekend.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften zijn gronden met de bestemming "Woondoeleinden (W)" bestemd voor het wonen met bijbehorende tuinen en erven en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huisgebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming van de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "gebied met wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 WRO I" te wijzigen, met inachtneming van de volgende bepalingen:

a. op de aaneengesloten gronden waarop de wijzigingsbevoegdheid is neergelegd mogen ten hoogste drie woningen worden gebouwd;

(..)

k. er mag uitsluitend van deze wijzigingsbevoegdheid gebruik worden gemaakt wanneer:

- alle aanwezige agrarische bedrijfsbebouwing is gesaneerd;

(..).

Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder a, c en f, zijn gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" onder meer bestemd voor dagrecreatieve voorzieningen, speel-, lig- en dierenweiden, ter plaatse van de aanduiding "horeca (ha)" tevens ten hoogste één horecabedrijf uit de categorie 1a en 1b van de Staat van Horeca-activiteiten, een kinderboerderij, een speeltuin en een bijbehorende opslag voor (water)recreatie.

Ingevolge het eerste lid, onder j, zijn gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" voorts bestemd voor onder meer wegen en parkeervoorzieningen.

Ingevolge het eerste lid, onder k, zijn in afwijking van het bepaalde onder j ter plaatse van de aanduiding "horeca (ha)" geen doorgaande wegen en uitsluitend parkeervoorzieningen ten behoeve van gehandicapten mogelijk.

Strijd met gemeentelijk beleid

2.8. De vereniging en [appellant sub 2] betogen dat het plan, wat betreft het recreatiegebied nabij de recreatieplas en de drie voorziene woningen die met wijzigingsbevoegdheid I mogelijk worden gemaakt, in strijd is met het door de raad op 15 december 2009 vastgestelde Landschapontwikkelingsperspectief Midden Delfland 2025 (hierna: LOP). Voorts betoogt de vereniging dat het plan tevens in strijd is met het door de Reconstructiecommissie Midden-Delfland opgestelde inrichtingsplan uit 1998 (hierna: het inrichtingsplan) en de feitelijke inrichting van het gebied dat gericht is op extensieve recreatie.

2.8.1. In het LOP worden door verschillende gemeenten in het Midden-Delflandgebied de huidige kwaliteiten van het landschap in kaart gebracht en wordt aangegeven waar deze in stand moeten worden gehouden en verrijkt en versterkt moeten worden. Daarnaast wordt met het LOP aangegeven waar economische, ruimtelijke, recreatieve en ecologische ontwikkelingen in het Midden-Delflandgebied wenselijk en mogelijk zijn.

Per polder zijn in het LOP een kwaliteitskaart en een ontwikkelingskaart uitgewerkt. Op de ontwikkelingskaarten zijn per polder ontwikkelingsrichtingen aangegeven. De geschetste maatregelen zijn niet limitatief, maar geven een indicatie van wat mogelijk en wenselijk is in de desbetreffende polder. De ontwikkelingsrichtingen zijn een mix van reeds geplande maatregelen en nieuwe opgaven, aldus het LOP.

Volgens de ontwikkelingskaart van de Aalkeetbinnenpolder, binnen welke polder het plangebied valt, wordt het wenselijk geacht de recreatieplas tot intensief recreatiegebied te ontwikkelen. Verder wordt het wenselijk geacht de bestaande glasopstanden aan de recreatieplas te verwijderen. De vrijkomende grond biedt mogelijkheden voor kleinschalige recreatieve ontwikkelingen mits zichtrelaties tussen stad en land in acht worden genomen, aldus het LOP.

2.8.2. De Afdeling is van oordeel dat [appellant sub 2] en de vereniging niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan, wat betreft het recreatiegebied nabij de recreatieplas en de drie voorziene woningen die met wijzigingsbevoegdheid I worden mogelijk gemaakt, in strijd is met het LOP. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in het LOP zelf staat dat de hierin geschetste maatregelen slechts een indicatie geven van onder meer ontwikkelingen die mogelijk en wenselijk zijn voor het plangebied en het LOP het voor de recreatieplas juist wenselijk acht om ter plaatse intensieve recreatie te ontwikkelen.

Voor zover de vereniging wijst op het inrichtingsplan uit 1998, is de Afdeling van oordeel dat hieraan geen overwegende betekenis toekomt. Daarbij wordt van belang geacht dat voornoemd plan slechts een indicatie geeft van de destijds voorziene inrichting van het gebied en geen beleidskaders bevat. Ter zitting is door de raad te kennen gegeven dat het recreatiegebied in zijn geheel een extensief karakter behoudt en dat slechts de gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de aanduiding "horeca (ha)" zullen worden gebruikt voor intensieve recreatie. In hetgeen de vereniging heeft aangevoerd, wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel.

De betogen van [appellant sub 2] en de vereniging falen.

Behoefte

2.9. [appellant sub 3] en de vereniging voeren verder aan dat de behoefte aan het recreatiegebied nabij de recreatieplas ontbreekt. [appellant sub 3] betoogt dat in de omgeving voldoende mogelijkheden voor intensieve recreatie zijn en een ruim aanbod aan horeca aanwezig is.

2.9.1. In de door de raad op 8 april 2008 vastgestelde nota Recreatie Maassluis (hierna: de recreatienota) staat dat binnen de gemeentegrenzen nauwelijks ruimte was en is voor royaal opgezette parken en dat men voor recreatiebeoefening naar de randen van de stad en daarbuiten wordt verwezen. Als gevolg van de bevolkingstoename, de diverse samenstelling van de bevolking en de algemene wens voor een verscheidenheid aan recreatiemogelijkheden, neemt de behoefte aan recreatievoorzieningen in Maassluis en in de directe omgeving van de stad volgens de recreatienota toe. Uit de recreatienota volgt verder dat het recreatiegebied Boonerlucht de potentie heeft om door te groeien naar een actief recreatiegebied, omdat er nog volop ruimte is voor andere recreatiemogelijkheden. Een Boonerlucht met meer voorzieningen zoals een horecagelegenheid en kanoverhuur zal bezoekers aan het gebied direct uitnodigen tot meer actieve recreatie.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 3] en de vereniging niet aannemelijk hebben gemaakt dat geen behoefte bestaat aan de ontwikkelingen die in het plan worden mogelijk gemaakt. In het door de vereniging genoemde onderzoek "Recreantenonderzoek Recreatieschap Midden-Delfland 2025" van 21 juni 2006 wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel, nu dit onderzoek niet ziet op het plangebied. In het enkele feit dat in de omgeving van het plangebied al recreatieve voorzieningen aanwezig zijn of worden ontwikkeld, ziet de Afdeling evenmin aanleiding om op dit punt tot een ander oordeel te komen.

De betogen van [appellant sub 3] en de vereniging falen.

Parkeer- en verkeerssituatie

2.10. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het realiseren van het recreatiegebied nabij de recreatieplas zal leiden tot parkeeroverlast voor omwonenden en verkeersonveilige situaties op onder meer de Zuidbuurt. Zij voeren daarbij aan dat er te weinig parkeergelegenheid aanwezig is, omdat de in het plan aangewezen parkeervoorzieningen op de Sportlaan al bijna volledig zijn bezet. [appellant sub 2] voert verder aan dat de aanwezige infrastructuur ontoereikend is, zodat het recreatiegebied niet bereikbaar zal zijn voor busverkeer, en dat de aanwezige infrastructuur niet berekend is op de toename van autoverkeer.

2.10.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat het parkeren buiten het plangebied zal plaatsvinden en daar voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn om de parkeerbehoefte ten behoeve van het recreatiegebied nabij de recreatieplas op te vangen. Verder stelt het college van gedeputeerde staten dat de verwerking van het verkeer buiten het plangebied wordt afgewenteld teneinde het extensieve karakter van het gebied zo veel mogelijk te behouden.

2.10.2. In de plantoelichting staat dat de verkeersgeneratie van de horecavestiging en de kinderboerderij maximaal 500 motorvoertuigen per etmaal zal bedragen en dit verkeer niet over de wegen binnen het plangebied afgewikkeld zal worden. Wel zal het verkeer ten behoeve van een toekomstige dienstwoning, bevoorrading en gehandicaptenvervoer over de interne ontsluitingsweg en de Zuidbuurt afgewikkeld worden, maar dit zullen volgens de plantoelichting niet meer dan 50 motorvoertuigen per etmaal zijn. De Zuidbuurt is volgens de plantoelichting een rechte maar relatief smalle weg, heeft een maximumsnelheid van 30 km/h en wordt voornamelijk gebruikt ter ontsluiting van de daar aanwezige agrarische- en burgerwoningen.

In de plantoelichting staat verder dat het parkeren van bezoekers van het recreatiegebied nabij de recreatieplas zal plaatsvinden direct buiten het plangebied op het parkeerterrein van het Sportpark Sportlaan en langs de Sportlaan zelf. De parkeercapaciteit van het parkeerterrein Sportlaan bedraagt 120 parkeerplaatsen. Uit onderzoek blijkt dat op de maatgevende zaterdag en zondagmiddag de bezettingsgraad rond de 50% ligt. Op zaterdag zijn 57 bezette parkeerplaatsen geteld en op zondag 61. Ook langs de Sportlaan zelf is sprake van een lage parkeerdruk, aldus de plantoelichting. Volgens de plantoelichting zijn bij het Sportpark voldoende parkeerplaatsen beschikbaar om de parkeerbehoefte van de ontwikkelingen in de Aalkeetpolder op te vangen.

2.10.3. Niet in geschil is dat het recreatiegebied nabij de recreatieplas leidt tot een toename van maximaal 500 motorvoertuigen per etmaal. De Afdeling stelt vast dat volgens het uitgevoerde onderzoek in de weekenden ongeveer 60 parkeerplaatsen op het parkeerterrein van het Sportpark Sportlaan en enige parkeerplaatsen langs de Sportlaan beschikbaar zijn. Gelet op de verkeerstoename van 500 motorvoertuigen per etmaal en de onduidelijkheid omtrent het totale aantal beschikbare parkeerplaatsen, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat ten behoeve van het recreatiegebied nabij de recreatieplas voldoende parkeervoorzieningen beschikbaar zullen zijn. Voorts heeft de raad hierbij ten onrechte niet de gestelde parkeerdruk betrokken. Ter zitting is onweersproken gesteld dat thans in de omgeving van het plangebied vanwege de daar reeds aanwezige parkeerdruk door bewoners op het trottoir geparkeerd mag worden. Gelet hierop en gelet op de afstand van ongeveer 600 meter tussen de door de raad aangewezen parkeervoorzieningen en het recreatiegebied nabij de recreatieplas, heeft de raad zich voorts zonder nadere onderbouwing niet op het standpunt kunnen stellen dat de voornoemde verkeerstoename niet zal leiden tot een verkeersonveilige situatie en tot parkeeroverlast in de omgeving van het plangebied.

Gelet op het voorgaande is het plan op dit punt vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het college van gedeputeerde staten heeft dit niet onderkend.

Gelet op het bovenstaande behoeft het betoog van Hussalage, voor wat betreft de infrastructuur, geen bespreking meer.

Flora en fauna

2.11. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de vereniging betogen dat het realiseren van het recreatiegebied nabij de recreatieplas in strijd is met de Flora- en faunawet (hierna: Ffw), nu de intensivering van de recreatiedruk de aanwezige flora en fauna zal verstoren en beschadigen. Daarbij voeren zij aan dat uit het door de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV) - afdeling Waterweg-Noord opgestelde rapport "Vogels in het recreatiegebied Maassluis-Oost" van april 2003 (hierna: het rapport KNNV) volgt dat het plangebied vele vogelsoorten herbergt, waaronder beschermde en bedreigde soorten. Voorts betoogt de vereniging dat het realiseren van de drie woningen op de gronden met de aanduiding "gebied met wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 WRO I" tevens in strijd is met de Ffw, nu ook deze ontwikkeling de aanwezige flora en fauna zal verstoren en beschadigen.

2.11.1. Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 11 is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van onder meer de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.

Ingevolge het derde lid kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie) (..) ontheffing verlenen van onder meer het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a.

Ingevolge het vijfde lid worden vrijstellingen en ontheffingen (..) slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

2.11.2. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college van gedeputeerde staten geen goedkeuring aan het plan kan verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.11.3. In bijlage 9 van de plantoelichting is de ecologische toets opgenomen. In deze toets staat, onder verwijzing naar het rapport KNNV, dat het plangebied vanwege de gevarieerde inrichting met water, moeras, ruigte, grasland en bos rijk is aan vogelsoorten waaronder verschillende landelijk bedreigde soorten van de Rode Lijst. De recreatieplas nabij het recreatiegebied vormde in 2002 het broedgebied voor onder meer krakeend, tafeleend, kluut, tureluur, dodaars en rietzanger, maar genoemde soorten zullen volgens de ecologische toets gezien het intensieve beheer geen gebruik maken van het recreatiegebied. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen te laten starten, worden aantasting en verstoring van vogels volgens de ecologische toets voorkomen en staat de Ffw de uitvoering van het plan niet in de weg.

2.11.4. Nu het rapport KNNV een uitgebreid veldonderzoek betreft naar de in het plangebied aanwezige vogelsoorten en de raad ter zitting niet heeft kunnen aangeven waarop de stelling in de ecologische toets is gebaseerd dat de in 2002 waargenomen vogelsoorten thans geen gebruik maken van het plangebied, staat het naar het oordeel van de Afdeling niet vast dat de ecologische toets op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In de ecologische toets zijn verder alleen de gevolgen voor de werkzaamheden meegenomen en niet de gevolgen van de intensivering van de recreatiedruk na realisering van het plan op de aanwezige flora en fauna. Nu hiernaar geen aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden, heeft de raad zich er onvoldoende van vergewist of het gebruik van het recreatiegebied en de recreatieplas door recreanten op een zodanige manier kan plaatsvinden dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Gelet op het voorgaande is het plan op dit punt eveneens vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het college van gedeputeerde staten heeft dit niet onderkend.

2.12. Voorts voeren [appellant sub 2] en [appellant sub 3] aan dat realisering van het recreatiegebied de aanwezige natuurwaarden en de ecologische hoofdstructuur aantast.

2.12.1. Volgens de plankaart behorende bij het op 12 oktober 2005 door de provinciale staten van de provincie Zuid-Holland vastgestelde Ruimtelijk Plan Regio Rotterdam 2020 (hierna: het RR2020) zijn het recreatiegebied nabij de recreatieplas en de recreatieplas aangeduid als "Openlucht recreatiegebied of stedelijk groen". Met de aanduiding "Openlucht recreatiegebied of stedelijk groen" wordt binnen- of buitenstedelijk gelegen gebied bedoeld dat als hoofdfunctie openluchtrecreatie heeft. Daarbinnen kunnen (verspreid) natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden voorkomen die beschermd dienen te worden. De Boonervliet is aangeduid als "Groene verbinding", welke een belangrijke ecologische verbinding inhoudt met waar mogelijk recreatief medegebruik, en maakt deel uit van het groenblauwe raamwerk (het stelsel van gebieden en verbindingen met in hoofdzaak de volgende functies: natuur, water, openluchtrecreatie, cultuurhistorie en landbouw (met uitzondering van glastuinbouwgebieden)).

Nu het recreatiegebied nabij de recreatieplas als hoofdfunctie openluchtrecreatie heeft, heeft het college van gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt gesteld dat realisering van het recreatiegebied niet in strijd is met het RR2020. Gelet op de afstand van ongeveer 105 meter tussen het recreatiegebied en de Boonervliet en het gebruik van deze tussenliggende gronden als open grasland, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd voorts geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ontwikkelen van het recreatiegebied nabij de recreatieplas geen belemmering vormt voor voormelde ecologische verbinding. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ten slotte niet aannemelijk gemaakt dat de in het plangebied aanwezige natuurwaarden onevenredig zullen worden aangetast ten gevolge van de realisering van het recreatiegebied.

De betogen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] falen in zoverre.

Overige beroepsgronden

2.13. Ten slotte betoogt [appellant sub 2] dat het goedkeuringsbesluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Er bestaat, anders dan het college van gedeputeerde staten stelt, nog steeds onduidelijkheid over welke weg als interne ontsluitingsweg zal worden gebruikt. Tijdens de hoorzitting is hier geen duidelijkheid over gegeven van de zijde van het gemeentebestuur, aldus [appellant sub 2].

2.13.1. Daargelaten of tijdens de hoorzitting deze duidelijkheid is gegeven, is de Afdeling van oordeel dat voldoende verzekerd is dat het recreatiegebied nabij de recreatieplas kan worden ontsloten, nu ingevolge artikel 14, eerste lid, onder j, van de planvoorschriften op gronden met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" wegen zijn toegestaan. Op welke manier deze ontsluiting zal plaatsvinden is een aspect dat de uitvoering betreft en kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen.

Conclusie

2.14. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de vereniging hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de aanduiding "horeca (ha)" voor de gronden gelegen ten westen van de recreatieplas en de aanduiding "gebied met wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 WRO I" bij het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" voor de gronden gelegen ten westen van de recreatieplas zijn vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Door deze planonderdelen niettemin goed te keuren heeft het college van gedeputeerde staten gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 10:27 van deze wet. De beroepen van [appellant sub 3] en de vereniging zijn geheel gegrond en de beroepen [appellant sub 1] en [appellant sub 2], voor zover ontvankelijk, zijn eveneens gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring te onthouden aan voornoemde planonderdelen.

2.15. Gelet op het voorgaande, behoeft het betoog van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dat er een alternatieve locatie ten zuiden van de spoorlijn aanwezig is om een speeltuin met kinderboerderij te realiseren, geen bespreking meer.

Proceskosten

2.16. Het college van gedeputeerde staten dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het verzoek van [appellant sub 1] het college van gedeputeerde staten te veroordelen in de kosten van het meebrengen van een getuige ter zitting, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken van het meebrengen van een getuige overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Awb, zodat het verzoek om een proceskostenveroordeling om die reden in zoverre wordt afgewezen.

Ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de vereniging is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1], behoudens voor zover gericht tegen de goedkeuring van artikel 14, eerste lid, onder k, van de planvoorschriften, voor zover dit voorschrift ziet op het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de aanduiding "horeca (ha)", en het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Water (WA)" voor de oostelijke watergang, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en de vereniging Vereniging van Huiseigenaren Woonpark Boonervliet geheel, en de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voor het overige, gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 19 januari 2010, no. PZH-2010-151066098A, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

- het plandeel met de bestemming "Recreatieve doeleinden (R)" en de aanduiding "horeca (ha)" voor de gronden gelegen ten westen van de recreatieplas;

- de aanduiding "gebied met wijzigingsbevoegdheid ex artikel 11 WRO I" bij het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden (W)" voor de gronden gelegen ten westen van de recreatieplas;

IV. onthoudt goedkeuring aan de onder III. genoemde planonderdelen;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 452,31 (zegge: vierhonderdtweeënvijftig euro en eenendertig cent), waarvan € 437,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 1], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 3] en € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de vereniging Vereniging van Huiseigenaren Woonpark Boonervliet vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011

270-634.