Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5937

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
201008325/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het besluit van 17 mei 2010 heeft het COa op de voet van het Reglement een maatregel aan de vreemdeling opgelegd, inhoudende dat alle verstrekkingen met ingang van 22 september 2009 voor een periode van twee weken, tot 5 oktober 2009, zijn onthouden. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling in voormelde uitspraak van 20 juli 2009 heeft overwogen, vloeit uit de opgelegde maatregel de rechtsplicht voort om de opvanglocatie te verlaten en het terrein gedurende die twee weken niet te betreden.

Voorts blijkt uit een brief van 25 juni 2010 van het COa aan de rechtbank dat de vreemdeling direct volgend op de aan hem opgelegde maatregel met ingang van 6 oktober 2009 is overgeplaatst naar en verstrekkingen ontvangt in de opvanglocatie 's Gravendeel. In de toelichting bij het Reglement onder 7.3 is vermeld dat de overplaatsing naar een andere opvanglocatie kan plaatsvinden naast en los staat van de strafmaatregel die is opgelegd. Aanleiding tot overplaatsing met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 11, eerste lid, van de Rva 2005, kan er zeker zijn nadat een strafmaatregel is opgelegd en waarin dit van belang wordt geacht voor de beheersbaarheid en leefbaarheid binnen een opvanglocatie, aldus de toelichting. Nu in dit geval het besluit tot overplaatsing zijn grondslag vindt in en hetzelfde doel dient als de aan de vreemdeling opgelegde maatregel, vloeit uit het besluit tot overplaatsing evenzeer de rechtsplicht voort om het terrein van de opvanglocatie Leersum voor onbepaalde tijd niet te betreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2005 in zaak nr. 200501444/1; aangehecht ter voorlichting van partijen) kan tegen een besluit tot overplaatsing op de voet van artikel 3a, eerste lid, van de Wet COa, gelezen in samenhang met artikel 71, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, in rechte worden opgekomen, zodat de vreemdelingenrechter kan beoordelen of het verbod voor onbepaalde tijd om de opvanglocatie Leersum te betreden de door die rechter te verrichten toetsing kan doorstaan.

De rechtbank heeft onder deze omstandigheden ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat de brief van 22 september 2009 inzake het locatieverbod is aan te merken als besluit waartegen, gelet op artikel 8:1 van de Awb, rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. Voorts heeft zij ten onrechte het beroepschrift, voor zover dat is gericht tegen de brief van 22 september 2009, aan het COa doorgezonden om als bezwaarschrift te worden behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008325/1/V1.

Datum uitspraak: 18 februari 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 30 juli 2010 in zaak nr. 09/35823 in het geding tussen:

[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

het COa.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2009 heeft het COa de aan de vreemdeling op de voet van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) toegekende verstrekkingen voor een periode van twee weken onthouden.

Voorts heeft het COa de vreemdeling bij brief van dezelfde dag geïnformeerd dat hij voor onbepaalde tijd het terrein van de opvanglocatie Leersum niet mag betreden. Deze brief is aangehecht.

Bij besluit van 29 april 2010 heeft het COa het besluit van 22 september 2009 ingetrokken.

Bij besluit van 17 mei 2010 heeft het COa opnieuw de aan de vreemdeling op de voet van de Rva 2005 toegekende verstrekkingen gedurende twee weken onthouden, ingaande op 22 september 2009. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 22 september 2009 inzake het locatieverbod ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, het tegen het besluit van 17 mei 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het COa een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het COa bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa) is het COa onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge het tweede lid kan de minister van Justitie (hierna: de minister) het COa taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge artikel 12 kan de minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid.

De Rva 2005 strekt ter uitvoering van artikel 12 van de Wet COa.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rva 2005 kunnen de in artikel 9, eerste lid, bedoelde verstrekkingen geheel of gedeeltelijk aan een asielzoeker worden onthouden indien de asielzoeker het bepaalde in artikel 19 niet naleeft.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, kunnen de in artikel 9, eerste lid, bedoelde verstrekkingen geheel of gedeeltelijk aan een asielzoeker worden onthouden indien de asielzoeker overlast bezorgt aan asielzoekers die in een opvangvoorziening verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening of aan anderen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, bepaalt het COa in welke opvangvoorziening een asielzoeker wordt geplaatst en is het bevoegd een asielzoeker naar een andere voorziening over te plaatsen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, is de asielzoeker die onderdak heeft in een opvangvoorziening, behoudens de uitzondering genoemd in het tweede lid, verplicht de huisregels na te leven die zijn neergelegd in het reglement van de desbetreffende opvangvoorziening.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, is de asielzoeker die onderdak heeft in een opvangvoorziening, behoudens de uitzondering genoemd in het tweede lid, verplicht gevolg te geven aan de aanwijzingen van het personeel van de desbetreffende opvangvoorziening.

Het Reglement Onthoudingen Verstrekkingen 2005 (hierna: het Reglement) strekt ter uitvoering van artikel 10 van de Rva 2005.

Volgens maatregel 6 van het Reglement kunnen alle verstrekkingen op de voet van de Rva 2005, vanwege herhaalde overlast van minder lichte aard, voor de duur van twee weken worden onthouden.

In de toelichting op het Reglement, voor zover thans van belang, is te lezen dat een doel van een strafmaatregel is om daarmee de onrust of onvrede die door de ontoelaatbare gedraging is ontstaan bij de andere bewoners, de COa-medewerkers, de vrijwilligers of omwonenden weg te nemen of te verminderen.

2.2. In de tweede grief klaagt het COa dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief van 22 september 2009 inzake het locatieverbod is gericht op rechtsgevolg en derhalve is aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, en ten onrechte heeft overwogen dat het beroepschrift, voor zover dat tegen die brief is gericht, aan het COa wordt doorgezonden om als bezwaarschrift te worden behandeld. Daartoe voert het COa, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2009 in zaak nr. 200809411/1/V1 (www.raadvanstate.nl), aan dat de rechtsgevolgen voortvloeien uit het besluit van 17 mei 2010 waarbij de verstrekkingen zijn onthouden en de vreemdeling op een nieuwe opvanglocatie opvang is geboden.

2.3. Bij het besluit van 17 mei 2010 heeft het COa op de voet van het Reglement een maatregel aan de vreemdeling opgelegd, inhoudende dat alle verstrekkingen met ingang van 22 september 2009 voor een periode van twee weken, tot 5 oktober 2009, zijn onthouden. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling in voormelde uitspraak van 20 juli 2009 heeft overwogen, vloeit uit de opgelegde maatregel de rechtsplicht voort om de opvanglocatie te verlaten en het terrein gedurende die twee weken niet te betreden.

Voorts blijkt uit een brief van 25 juni 2010 van het COa aan de rechtbank dat de vreemdeling direct volgend op de aan hem opgelegde maatregel met ingang van 6 oktober 2009 is overgeplaatst naar en verstrekkingen ontvangt in de opvanglocatie 's Gravendeel. In de toelichting bij het Reglement onder 7.3 is vermeld dat de overplaatsing naar een andere opvanglocatie kan plaatsvinden naast en los staat van de strafmaatregel die is opgelegd. Aanleiding tot overplaatsing met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 11, eerste lid, van de Rva 2005, kan er zeker zijn nadat een strafmaatregel is opgelegd en waarin dit van belang wordt geacht voor de beheersbaarheid en leefbaarheid binnen een opvanglocatie, aldus de toelichting. Nu in dit geval het besluit tot overplaatsing zijn grondslag vindt in en hetzelfde doel dient als de aan de vreemdeling opgelegde maatregel, vloeit uit het besluit tot overplaatsing evenzeer de rechtsplicht voort om het terrein van de opvanglocatie Leersum voor onbepaalde tijd niet te betreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2005 in zaak nr. 200501444/1; aangehecht ter voorlichting van partijen) kan tegen een besluit tot overplaatsing op de voet van artikel 3a, eerste lid, van de Wet COa, gelezen in samenhang met artikel 71, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, in rechte worden opgekomen, zodat de vreemdelingenrechter kan beoordelen of het verbod voor onbepaalde tijd om de opvanglocatie Leersum te betreden de door die rechter te verrichten toetsing kan doorstaan.

De rechtbank heeft onder deze omstandigheden ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat de brief van 22 september 2009 inzake het locatieverbod is aan te merken als besluit waartegen, gelet op artikel 8:1 van de Awb, rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. Voorts heeft zij ten onrechte het beroepschrift, voor zover dat is gericht tegen de brief van 22 september 2009, aan het COa doorgezonden om als bezwaarschrift te worden behandeld.

De grief slaagt.

2.4. In de eerste grief klaagt het COa dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, het besluit van 17 mei 2010 berust op een onjuiste feitelijke grondslag en in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, omdat uit de gegevens kan worden afgeleid dat de vreemdeling zich in elk geval ruim voor sluitingstijd bij de informatiebalie heeft gemeld en hij daar ten onrechte de aanwijzing heeft gekregen om de ruimte te verlaten.

Daartoe voert het COa aan dat, samengevat weergegeven, de door de rechtbank geconstateerde discrepantie met betrekking tot het tijdstip waarop de vreemdeling zich bij de informatiebalie heeft gemeld, de ernst van het incident onverlet laat en uit het besluit van 17 mei 2010 blijkt dat het COa bekend is met eerdere incidenten waarbij de vreemdeling betrokken is geweest en waarvoor een maatregel aan hem is opgelegd. Voorts is in het verweerschrift in beroep een overzicht van incidenten met betrekking tot de vreemdeling opgenomen, aldus het COa.

2.4.1. Aan de bij besluit van 17 mei 2010 opgelegde maatregel 6 van het Reglement heeft het COa ten grondslag gelegd dat de vreemdeling, nadat hij zich op 22 september 2009 buiten de openingstijden heeft gemeld bij de informatiebalie, heeft geweigerd de ruimte te verlaten en zich daarbij verbaal en non verbaal agressief heeft gedragen tegen personen die werkzaam zijn in de voorziening. Deze gedraging heeft volgens het COa herhaalde overlast van minder lichte aard doen ontstaan.

2.4.2. Het COa betoogt terecht dat de omstandigheid dat de in de ruimte van de informatiebalie aanwezige klok mogelijk niet de juiste tijd heeft weergegeven, niet afdoet aan de omstandigheid dat de vreemdeling geen gevolg heeft gegeven aan de aanwijzingen om de ruimte te verlaten en zich agressief heeft gedragen tegenover personen die werkzaam zijn in de voorziening. Gelet op de ernst van deze gedraging, waarbij optreden van de politie nodig werd, en in aanmerking genomen dat de vreemdeling reeds eerder intimiderend en agressief gedrag heeft vertoond, waarvoor aan hem een maatregel is opgelegd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit van 17 mei 2010 in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

De grief slaagt.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren van het door de vreemdeling ingestelde beroep voor zover dat is gericht tegen de brief van 22 september 2009 kennis te nemen. Voorts zal de Afdeling, nu hetgeen door de vreemdeling in beroep is aangevoerd geen grond biedt voor een ander oordeel, het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 17 mei 2010 alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 30 juli 2010 in zaak nr. 09/35823;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd van het door de vreemdeling ingestelde beroep voor zover dat is gericht tegen de brief van 22 september 2009 kennis te nemen;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 17 mei 2010 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Beerse

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2011

382-587.

Verzonden: 18 februari 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser