Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5486

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201001505/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 december 2009 heeft het college aan [maatschap] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een agrarisch bedrijf aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 14 januari 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001505/1/M2.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[maatschap], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Ommen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2009 heeft het college aan [maatschap] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een agrarisch bedrijf aan [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 14 januari 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [maatschap] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 februari 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2010, waar [maatschap], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. W. Steevensz en W. Schutmaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Intrekking beroepsgronden

2.2. Bij brief van 24 november 2010 heeft [maatschap] haar beroep ingetrokken voor zover het de voorschriften 1.1, 3.7, 3.11, 7.13 en 10.1 tot en met 10.7 betreft.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.3. [maatschap] stelt dat het college haar op haar verzoek ten onrechte geen concept van het besluit heeft gezonden alvorens over te gaan tot het nemen van het bestreden besluit.

Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van deze procedure is een ontwerpbesluit opgesteld en ter inzage gelegd naar aanleiding waarvan [maatschap] zienswijzen heeft ingediend. Het college heeft hierop in het bestreden besluit zijn reactie gegeven. Er bestaat geen wettelijke plicht op grond waarvan het college naast het volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure een concept van het besluit aan [maatschap] had moeten zenden.

De beroepsgrond faalt.

Geurhinder

2.4. [maatschap] voert aan dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende berekeningen van de geurbelasting vanwege de inrichting in de toekomst niet mogen worden gebruikt voor de vaststelling van rechten.

Deze grond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, nu toekomstige besluiten in deze procedure niet ter beoordeling staan.

De beroepsgrond faalt.

Energieverbruik

2.5. [maatschap] stelt dat het college in een reactie op de zienswijze over het energieverbruik van de inrichting op onjuiste wijze heeft verwezen naar de voorschriften.

Het beroep is in zoverre gericht tegen de in het bestreden besluit opgenomen overwegingen. De overwegingen dienen ter motivering van het besluit, maar roepen op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven. Deze overwegingen zijn als zodanig niet voor beroep vatbaar.

De beroepsgrond faalt.

Veiligheid

2.6. Met de stelling dat de in het kader van de veiligheid genoemde zaken al geregeld worden in het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken en dus niet hoeven worden opgenomen in de vergunning, beperkt [maatschap] zich tot het herhalen van de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijze. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [maatschap] heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden.

De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

2.7. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Voorschriften - algemeen

2.8. [maatschap] stelt dat het college ten onrechte niet is ingegaan op haar zienswijzen over de voorschriften 1.3 en 1.4. Verder is volgens haar niet duidelijk wat onder "schoon en ordelijk" moet worden verstaan, zodat voorschrift 1.3 niet handhaafbaar is. Voorschrift 1.4 heeft volgens [maatschap] tot gevolg dat geen dieren mogen worden gehouden, nu het aantrekken van ongedierte onmogelijk kan worden voorkomen.

2.8.1. Ingevolge voorschrift 1.3 moet de gehele inrichting, inclusief het buitenterrein, schoon en ordelijk worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

Ingevolge voorschrift 1.4 moet het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden.

2.8.2. In een reactie op de zienswijzen heeft het college de voorschriften 1.3 en 1.4 behandeld, zodat dit onderdeel van de grond reeds daarom faalt. De voorschriften 1.3 en 1.4 zijn gebruikelijke voorschriften. Niet valt in te zien waarom voorschrift 1.3 niet handhaafbaar zou zijn. Evenmin valt in te zien dat de consequentie van voorschrift 1.4 is dat binnen de inrichting geen dieren mogen worden gehouden.

De beroepsgrond faalt.

2.9. [maatschap] stelt dat zij niet aan voorschrift 1.6 kan voldoen, omdat de dieselolieopslag in een open kapschuur staat.

2.9.1. Ingevolge voorschrift 1.6 moeten de gebouwen van de inrichting en opslagvoorzieningen buiten werktijd deugdelijk zijn (af)gesloten. Dit voorschrift brengt slechts met zich dat de dieselolieopslag deugdelijk moet zijn afgesloten. De opslag hoeft volgens het voorschrift - anders dan [maatschap] veronderstelt - niet in een afgesloten gebouw te staan.

De beroepsgrond faalt.

Voorschriften - geluid

2.10. [maatschap] stelt dat voorschrift 2.1 rechtsonzekerheid meebrengt, omdat het college in de vergunning geen definitie van het in dat voorschrift genoemde begrip "andere geluidgevoelige bestemmingen" heeft opgenomen.

2.10.1. Ingevolge voorschrift 2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen, niet meer bedragen dan:

- 45 dB(A) tussen 06.00 en 19.00 uur (dagperiode);

- 40 dB(A) tussen 19.00 en 22.00 uur (avondperiode);

- 35 dB(A) tussen 22.00 en 06.00 uur (nachtperiode).

2.10.2. In de bij de vergunningvoorschriften behorende begrippenlijst wordt het begrip "andere geluidgevoelige bestemmingen" niet gedefinieerd. Anders dan het college veronderstelt, wordt het begrip "geluidgevoelig" evenmin in artikel 1 van de Wet geluidhinder gedefinieerd. Dientengevolge staat niet vast wat met voormeld begrip wordt bedoeld. Het voorschrift is in zoverre onduidelijk.

De beroepsgrond slaagt.

2.11. [maatschap] voert aan dat het onnodig bezwarend is de voorschriften 2.4 tot en met 2.7 aan de vergunning te verbinden, omdat dit middelvoorschriften zijn. Volgens haar zijn de in de voorschriften 2.1 en 2.2 gestelde geluidgrenswaarden reeds afdoende om geluidoverlast te voorkomen dan wel voldoende te beperken.

2.11.1. Ingevolge voorschrift 2.4 mogen radio's en andere geluids- of omroepinstallaties, inclusief die van auto's van bezoekers of bevoorradingsauto's, onverminderd het gestelde in de voorschriften 2.1 en 2.2, buiten de inrichting niet hoorbaar zijn.

Ingevolge voorschrift 2.5 mogen de motoren van voertuigen waarin wordt geladen of waaruit wordt gelost, gedurende het laden en lossen niet in werking zijn, tenzij dit noodzakelijk is ten behoeve van de laad- en losapparatuur.

Ingevolge voorschrift 2.6 mag het warmdraaien van motoren op het terrein van de inrichting uitsluitend het leveren van remlucht tot doel hebben en mag niet eerder beginnen dan 5 minuten voor vertrek van het motorvoertuig.

Ingevolge voorschrift 2.7 mogen in de inrichting slechts motorvoertuigen en andere apparaten, machines of installaties met een (verbrandings)motor in werking zijn, die zijn voorzien van een doelmatige en in goede staat verkerende geluiddemper en uitlaatsysteem.

2.11.2. Op grond van artikel 8.12a van de Wet milieubeheer kunnen, voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, middelvoorschriften aan de vergunning worden verbonden. Het college acht de voorschriften 2.4 tot en met 2.7 noodzakelijk om geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting ter plaatse van woningen van derden te voorkomen. De voorschriften zijn dan ook gesteld ter bescherming van omwonenden. [maatschap] heeft niet gemotiveerd waarom de voorschriften onnodig bezwarend zijn. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze voorschriften niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

De beroepsgrond faalt.

Voorschriften - afvalstoffen en afvalwater

2.12. [maatschap] stelt dat voorschrift 3.1 onvoldoende duidelijk is en moet worden verwijderd, omdat zij geen afvalstoffen heeft die geur emitteren. Het college heeft volgens haar bovendien niet aangetoond dat niet aan de geurnorm kan worden voldaan indien de afvalstoffen wel geur zouden afscheiden.

2.12.1. Ingevolge voorschrift 3.1 moet het bewaren en afvoeren van afvalstoffen op ordelijke en nette wijze geschieden. Van afvalstoffen afkomstige geur mag zich niet buiten de inrichting kunnen verspreiden.

2.12.2. Blijkens de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende overwegingen heeft het college voorschrift 3.1 in het kader van "good housekeeping" en in het belang van de bescherming van het milieu aan de vergunning verbonden. Het voorschrift strekt er in de eerste plaats toe te verzekeren dat afvalstoffen op nette wijze worden bewaard en afgevoerd. Verder wordt met het voorschrift beoogd geurhinder te voorkomen, zodat het voorschrift ter bescherming van de omwonenden aan de vergunning is verbonden. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het voorschrift onvoldoende duidelijk is.

De beroepsgrond faalt.

2.13. [maatschap] stelt dat voorschrift 3.8 ten onrechte aan de vergunning is verbonden, nu er geen milieuhygiënische reden is de hoeveelheid afvalwater te beperken.

2.13.1. Ingevolge voorschrift 3.8 moeten de stallen, voordat deze met water worden schoongespoten, eerst veegschoon worden gemaakt, zodat de hoeveelheid mest in het spoelwater wordt geminimaliseerd.

2.13.2. Blijkens het verweerschrift heeft het college voorschrift 3.8 aan de vergunning verbonden in het kader van waterbesparing en om het ontstaan van afvalwater te voorkomen. Dit is in het belang van de bescherming van het milieu. In het door [maatschap] gestelde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college voorschrift 3.8 niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

De beroepsgrond faalt.

Voorschriften - bodembescherming

2.14. [maatschap] stelt dat voorschrift 4.1 onnodig is, omdat zij het in de bodem brengen van verontreinigende vloeistoffen niet heeft aangevraagd. Bovendien is deze activiteit volgens de Maatschap reeds op grond van de Wet bodembescherming niet toegestaan.

2.14.1. Ingevolge voorschrift 4.1 is het verboden vloeistoffen in de bodem te brengen. Van dit verbod is uitgezonderd oppervlaktewater, hemelwater of drinkwater, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, waarvan de concentratie verontreinigende stoffen niet door een bewerking van het water is toegenomen en waaraan geen warmte is toegevoegd.

2.14.2. De door [maatschap] aangevraagde activiteiten, waaronder het opslaan van mest en handelingen als het pompen van mest, kunnen bodemverontreiniging tot gevolg hebben. Ter voorkoming daarvan heeft het college het voorschrift in aanvulling op de algemene zorgplichtbepaling uit de Wet bodembescherming aan de vergunning verbonden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college het voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning kon verbinden.

De beroepsgrond faalt.

2.15. [maatschap] stelt dat voorschrift 4.2 ten onrechte aan de vergunning is verbonden, omdat zij niet over een bedrijfsriolering beschikt. Zij voert in dat kader aan dat de activiteiten met water boven de mestkelder plaatsvinden. Daarnaast is op basis van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (hierna: de NRB) voor regenwater geen vloeistofdichte riolering vereist, aldus [maatschap].

2.15.1. Ingevolge voorschrift 4.2 moet een riolering voor de afvoer van afvalwater en/of regenwater, met inbegrip van alle daarop aangesloten afvoerroosters, schrobputten en afscheiders en bijbehorende verbindingen en afsluiters, vloeistofdicht zijn uitgevoerd. Onderdelen moeten blijvend vloeistofdicht op elkaar aansluiten. De gebruikte materialen moeten bestand zijn tegen het af te voeren afvalwater.

2.15.2. Voorschrift 4.2 ziet op een riolering voor zowel afval- als regenwater, terwijl een riolering op grond van de begrippenlijst in het voorschriftenpakket behorende bij het bestreden besluit betrekking heeft op afvalwater. Het voorschrift is in zoverre innerlijk tegenstrijdig. Verder heeft [maatschap] volgens de aanvraag geen bedrijfsriolering aangevraagd, zodat het voorschrift niet nodig is om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Het voorschrift is dan ook onnodig aan de vergunning verbonden.

De beroepsgrond slaagt.

2.16. [maatschap] stelt dat voorschrift 4.3 in strijd met de artikelen 8.9 en 8.11 van de Wet milieubeheer aan de vergunning is verbonden. In dat kader voert zij aan dat hetgeen in het voorschrift is opgenomen, namelijk dat stoffen zodanig moeten worden bewaard en gebruikt dat geen verontreiniging van de bodem optreedt, reeds uit artikel 13 van de Wet bodembescherming volgt.

2.16.1. Ingevolge voorschrift 4.3 moeten stoffen zodanig worden bewaard en gebruikt dat geen verontreiniging van de bodem optreedt.

2.16.2. Ingevolge artikel 8.9 van de Wet milieubeheer, gelezen in samenhang met artikel 13.1, tweede lid, voor zover hier van belang, draagt het bevoegd gezag er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat er geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet dan wel bij of krachtens de Wet bodembescherming.

2.16.3. Voorschrift 4.3 is niet in strijd met artikel 13 van de Wet bodembescherming, zodat artikel 8.9 van de Wet milieubeheer er in zoverre niet aan de in de weg staat dit voorschrift aan de vergunning te verbinden. Het college acht het nodig om dit voorschrift in aanvulling op de algemene zorgplichtbepaling uit artikel 13 van de Wet bodembescherming aan de vergunning te verbinden ter voorkoming van verontreiniging van de bodem. In hetgeen [maatschap] aanvoert ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning kon verbinden.

De beroepsgrond faalt.

Voorschriften - stalling en onderhoud machines

2.17. [maatschap] voert aan dat de zinsnede "gezien de staat van onderhoud lekkage niet onwaarschijnlijk is" in voorschrift 5.1 subjectief is, hetgeen volgens haar tot rechtsonzekerheid leidt.

De Maatschap herhaalt hiermee zonder nadere motivering haar zienswijze. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [maatschap] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook de Afdeling ziet daarvoor geen grond.

De beroepsgrond faalt.

2.18. [maatschap] stelt dat voorschrift 5.2 reeds bij wet is geregeld, zodat dit voorschrift niet aan de vergunning hoefde te worden verbonden. Daarnaast kan een tractor op grond van de NRB worden gezien als een gesloten systeem, zodat een vloeistofkerende vloer volgens de Maatschap niet nodig is.

2.18.1. Ingevolge voorschrift 5.2 moet stalling van tractoren en andere landbouwmachines en werktuigen die olie of chemicaliën bevatten, plaatsvinden op een vloeistofkerende voorziening. Indien lekkage wordt geconstateerd, moeten onder het voertuig of de machine direct opvangvoorzieningen met voldoende capaciteit worden geplaatst. Van dit voorschrift mag worden afgeweken wanneer oliën, vetten en chemicaliën zorgvuldig uit de tractoren, machines of werktuigen zijn verwijderd.

2.18.2. Ingevolge artikel 5a.1, tweede lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten (hierna: de Regeling) houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening met de documenten vermeld in tabel 2 van de bij de Regeling behorende bijlage. In tabel 2 van de bijlage bij de regeling is de NRB opgenomen.

Volgens de NRB wordt onder gesloten systeemontwerp procesapparatuur verstaan die zo is ontworpen en uitgevoerd dat het onder reguliere omstandigheden volstrekt uitgesloten is dat proces- en/of hulpstoffen buiten de procesomhulling kunnen komen. Daarbij kan blijkens de NRB worden gedacht aan - dubbelwandig uitgevoerde - procesvaten zonder aftappunten, kijkglazen en dergelijke en met aangelaste leidingen. Tractoren vallen daar niet onder. In hetgeen [maatschap] stelt, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning kon verbinden.

De beroepsgrond faalt.

2.19. [maatschap] voert aan dat het college in voorschrift 5.3 ten onrechte een vloeistofdichte vloer voorschrijft, nu volgens de NRB kan worden volstaan met een vloeistofkerende vloer. Bovendien is volgens [maatschap] een overkapte werkruimte met een vloeistofkerende vloer samen met organisatorische maatregelen aangevraagd, hetgeen op grond van de NRB eveneens is toegestaan.

2.19.1. Ingevolge voorschrift 5.3 dient de ruimte waar het landbouwmaterieel wordt onderhouden, te zijn voorzien van een vloeistofdichte vloer of voorziening. De vloer mag niet afwaterend naar de uitgang zijn gelegd en doorvoeringen van kabels en leidingen moeten vloeistofdicht zijn afgewerkt.

Onder vloeistofdichte vloer wordt volgens de begrippenlijst behorende bij het voorschriftenpakket verstaan een fysieke voorziening in of direct op de bodem, niet zijnde een vloer, die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die voorziening kan komen.

2.19.2. Ter zitting heeft het college erkend dat een vloeistofkerende voorziening in de zin van de NRB voldoende is, hetgeen hij heeft beoogd met het voorschrift voor te schrijven. Dit volgt uit voorschrift 5.3, noch uit de omschrijving van een vloeistofdichte vloer in de begrippenlijst. Het bestreden besluit is daarom in zoverre in strijd met het algemeen beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

De beroepsgrond slaagt.

2.20. [maatschap] stelt dat voorschrift 5.6 onnodig is, nu binnen de inrichting slechts een kleine werkplaats aanwezig is waarin klein onderhoud wordt verricht.

In het verweerschrift heeft het college erkend dat voorschrift 5.6 overbodig is. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

De beroepsgrond slaagt.

Voorschriften - accu's

2.21. [maatschap] voert aan dat in voorschrift 6.1 ten onrechte is bepaald dat de vloeistofkerende vloer waarop of vloeistofdichte lekbak waarin accu's worden opgeslagen permanent tegen inregenen beschermd moet zijn. Volgens haar is het voorschrift in afwijking van zowel de aanvraag als de NRB gesteld.

2.21.1. Ingevolge voorschrift 6.1 vindt de opslag van accu's plaats boven een ten minste vloeistofkerende vloer of vloeistofdichte lekbak, die bestand is tegen het aanwezige elektrolyt. Accu's worden rechtop opgeslagen. De vloeistofkerende vloer of de vloeistofdichte lekbak is permanent tegen inregenen beschermd.

2.21.2. Het college acht het voorschrift nodig om vermenging van regenwater met elektrolyt en daarmee bodem- en grondwaterverontreiniging te voorkomen. In hetgeen [maatschap] stelt ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college het voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

De beroepsgrond faalt.

Voorschriften - opslag van voer

2.22. [maatschap] stelt dat voorschrift 7.1 niet naleefbaar is, omdat een hooi- en stro-opslag niet muis- en ratwerend kan worden ingericht. Daarnaast is het voorschrift, gelet op voorschrift 1.4 op grond waarvan het aantrekken van knaagdieren en ongedierte moet worden voorkomen, overbodig, aldus [maatschap].

2.22.1. Ingevolge voorschrift 7.1 moet het voer, met uitzondering van kuilvoer, worden bewaard in uitsluitend voor dit doel gebruikte bewaarplaatsen, die rat- en muiswerend zijn ingericht.

2.22.2. Het college acht het nodig het voorschrift, naast het algemene voorschrift 1.4, aan de vergunning te verbinden, omdat voer in het bijzonder muizen en ratten aantrekt. [maatschap] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bewaarplaatsen voor voer niet rat- en muiswerend kunnen worden ingericht, waardoor naleving van het voorschrift onmogelijk zou zijn. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college het voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning kon verbinden.

De beroepsgrond faalt.

2.23. [maatschap] stelt dat voorschrift 7.2, waarin staat vermeld dat kuilvoer dat tijdens het transport van de opslag naar de stal is gemorst onmiddellijk moet worden opgeruimd, onduidelijk is, omdat het begrip "onmiddellijk" niet wordt gedefinieerd. Voorts is het voorschrift volgens haar overbodig, nu reeds elders voorschriften over het schoon en ordelijk houden van de inrichting zijn gesteld.

2.23.1. Het begrip "onmiddellijk" is een algemeen gangbaar en voldoende duidelijk begrip. Volgens het verweerschrift acht het college het nodig voorschrift 7.2 aan de vergunning te verbinden om percolaatvorming door vermenging van regenwater met gemorst kuilvoer te voorkomen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college het voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

De beroepsgrond faalt.

2.24. [maatschap] stelt dat de voorschriften 7.3 en 7.4 ten onrechte aan de vergunning zijn verbonden, omdat reeds voorschriften voor een nette inrichting zijn gesteld. Daarnaast is door het college ten onrechte nagelaten te onderbouwen waarom de opslag van autobanden en (afval)landbouwplastic minimaal op 3 meter afstand van de inrichtingsgrens moet plaatsvinden.

2.24.1. Ingevolge voorschrift 7.3 moeten kunststoffolie, (afval)landbouwplastic, autobanden, jerrycans en sjorbanden, welke niet direct worden gebruikt voor de aanwezige kuilvoeropslag, in de bedrijfsgebouwen worden opgeslagen.

Ingevolge voorschrift 7.4 mogen autobanden en (afval)landbouwplastic in afwijking van het vorige voorschrift buiten de bedrijfsgebouwen zijn opgeslagen. De opslag moet dan plaatsvinden op een afstand van minimaal 3 meter vanaf de erfgrens, en moet zodanig zijn vastgezet dat het opgeslagen materiaal niet buiten de inrichting kan geraken.

2.24.2. Het college acht de voorschriften nodig om verspreiding van en verontreiniging door de genoemde materialen te voorkomen. De afstandseis van 3 meter acht het college nodig om verspreiding van en verontreiniging door de materialen buiten de inrichting te voorkomen. De Afdeling overweegt dat het verbinden van dergelijke voorschriften aan de vergunning niet ongebruikelijk is. In hetgeen [maatschap] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze voorschriften niet in redelijkheid aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

De beroepsgrond faalt.

Voorschriften - stankhinder en de opslag van mest

2.25. [maatschap] stelt dat de voorschriften 7.8 en 7.11 onnodig zijn, omdat zij het drogen van mest niet heeft aangevraagd en uit de aanvraag volgt dat de mest in een mestdichte opslagruimte wordt opgeslagen.

2.25.1. Voorschrift 7.8 bepaalt dat op het terrein van de inrichting geen mest mag worden gedroogd of verbrand. Uit voorschrift 7.11 volgt dat gier en mest moeten worden afgevoerd naar een mestdichte opslagruimte. Het college heeft ter zitting erkend dat hetgeen in de voorschriften 7.8 en 7.11 is opgenomen reeds uit de aanvraag blijkt. De aanvraag maakt blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uit van de vergunning, zodat de voorschriften onnodig zijn. Daarom komt het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 8.11 van de Wet Milieubeheer voor vernietiging in aanmerking.

De beroepsgrond slaagt.

2.26. [maatschap] stelt dat voorschrift 7.14 ten onrechte aan de vergunning is verbonden. Volgens haar valt niet in te zien waarom in de mestkelder een marge van 10 centimeter moet worden aangehouden.

2.26.1. Ingevolge voorschrift 7.14 mag ten gevolge van het vullen of ledigen van een kelder of anderszins geen verontreiniging van de bodem plaatsvinden. De bewaring van dunne mest in een kelder moet geschieden op tenminste 10 centimeter onder de rand van de kelder.

2.26.2. Het college stelt in het verweerschrift dat schuim op drijfmest een algemeen bekend verschijnsel is. Dit schuim ontstaat volgens het college door de gisting van mest. Het college heeft het voorschrift aan de vergunning verbonden om te voorkomen dat de mest aldus over de rand van de kelder stroomt en bodemverontreiniging veroorzaakt. In hetgeen [maatschap] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college het voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning kon verbinden.

De beroepsgrond faalt.

Voorschriften - milieuzorg

2.27. [maatschap] stelt dat voorschrift 12.2 niet handhaafbaar is, omdat niet duidelijk is wie bepaalt of een stof binnen de inrichting nog kan worden gebruikt. Verder hanteert het college volgens haar een onjuiste definitie van het begrip afvalstof.

2.27.1. Ingevolge voorschrift 12.2 moeten grond- en hulpstoffen die, om welke reden dan ook, niet meer in de inrichting worden toegepast zo spoedig mogelijk uit de inrichting worden verwijderd. Voor verwijdering van deze stoffen moet worden onderzocht of nuttige toepassing van deze stoffen elders nog mogelijk is.

2.27.2. Voor zover het gaat om de definitie van afvalstoffen, richt de beroepsgrond zich tegen de in het bestreden besluit opgenomen overwegingen. De overwegingen dienen ter motivering van het besluit, maar roepen op zichzelf geen rechtsgevolgen in het leven. Deze overwegingen zijn als zodanig niet voor beroep vatbaar.

Het college heeft het voorschrift aan de vergunning verbonden, enkel met het oog op een doelmatig gebruik van grond- en hulpstoffen in het bedrijfsproces van de inrichting. Niet valt in te zien waarom het voorschrift niet handhaafbaar is. Het college heeft het voorschrift in redelijkheid aan de vergunning kunnen verbinden.

De beroepsgrond faalt.

2.28. [maatschap] stelt dat voorschrift 12.3, waarin regels met betrekking tot waterbesparing zijn opgenomen onnodig is, omdat het waterverbruik van de inrichting reeds in de aanvraag staat vermeld.

2.28.1. Het college stelt in het verweerschrift dat het voorschrift waterbesparing tot doel heeft. In de aanvraag wordt een geschat waterverbruik vermeld, zodat het college het nodig acht het voorschrift aan de vergunning te verbinden. In hetgeen [maatschap] aanvoert, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het voorschrift niet in redelijkheid aan de vergunning mocht verbinden.

De beroepsgrond faalt.

2.29. [maatschap] voert aan dat voorschrift 12.7 onnodig bezwarend is, omdat bij het stellen van het voorschrift geen rekening is gehouden met de vervangingswaarde van oude installaties.

2.29.1. Ingevolge voorschrift 12.7 worden binnen de inrichting ten minste die energiebesparingsmaatregelen of energiebesparingsvoorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

2.29.2. Met het aan de vergunning verbinden van dit voorschrift heeft het college aansluiting gezocht bij het Besluit landbouw milieubeheer dat een identiek voorschrift kent. Volgens het college heeft [maatschap] - zoals in de toelichting bij voorschrift 1.2.2 van het Besluit landbouw milieubeheer is vermeld - binnen termen van redelijkheid ruimte om bij de besluitvorming over de energievoorzieningen aansluiting te zoeken bij andere investeringsbeslissingen of -ritmen van het bedrijf. Voor de door [maatschap] uitgesproken vrees bestaat geen grond.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

2.30. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 24 december 2009 dient te worden vernietigd, voor zover het de voorschriften 4.2, 5.3, 5.6, 7.8 en 7.11, alsmede de zinsnede "en andere geluidgevoelige bestemmingen" uit voorschrift 2.1 betreft. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.31. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ommen van 24 december 2009, kenmerk MBZ-WM09W006, voor zover het de voorschriften 4.2, 5.3, 5.6, 7.8 en 7.11 en de zinsnede "en andere geluidgevoelige bestemmingen" uit voorschrift 2.1 betreft;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ommen tot vergoeding van bij de [maatschap] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 236,36 (zegge: tweehonderdzesendertig euro en zesendertig cent;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Ommen aan de [maatschap] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter,

en drs. H. Borstlap en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden,

in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

431-628.