Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5477

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201005968/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2007 heeft het college Camping De Heidepol BV (hierna: De Heidepol) op straffe van bestuursdwang gelast het gebruik van het perceel Zoomvlietweg 24A te Bergen op Zoom als kampeerterrein/camping binnen vier weken te staken en gestaakt te houden tot de voor uitoefening van het campingbedrijf vereiste exploitatievergunning krachtens de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: Wor) is verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005968/1/H1.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], allen wonend te [woonplaats] (hierna: [appellant] en anderen),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) van 3 mei 2010 in de zaken nrs. 09/4226, 09/4225 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2007 heeft het college Camping De Heidepol BV (hierna: De Heidepol) op straffe van bestuursdwang gelast het gebruik van het perceel Zoomvlietweg 24A te Bergen op Zoom als kampeerterrein/camping binnen vier weken te staken en gestaakt te houden tot de voor uitoefening van het campingbedrijf vereiste exploitatievergunning krachtens de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: Wor) is verkregen.

Bij besluit van 18 december 2007 heeft het De Heidepol op straffe van bestuursdwang gelast het gebruik van het perceel als camping/kampeerterrein gestaakt te houden, totdat wordt voldaan aan de voorschriften van de Bouwverordening van de gemeente (hierna: de Bouwverordening).

Bij besluit van 6 augustus 2009 (besluit op bezwaar 1) heeft het het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 19 oktober 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Voorts heeft het bij besluit van dezelfde dag (besluit op bezwaar 2) het door hen tegen het besluit van 18 december 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 mei 2010, verzonden op 10 mei 2010, heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit op bezwaar 1 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 19 oktober 2007 herroepen vanaf 1 januari 2008. Bij die uitspraak heeft zij voorts het door hen en [appellant C] tegen het besluit op bezwaar 2 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2011, waar [appellant A], [appellant B] en [appellant C], bijgestaan door mr. B. Vermeirssen, advocaat te Goes, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg en P.I. Izeboud, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft de camping op 14 december 2007 gesloten. Tot dat moment waren [appellant] en anderen permanente bewoners van recreatieverblijven daar.

2.2. Ter zitting hebben [appellant] en anderen verklaard dat de huurovereenkomsten tussen hen en De Heidepol thans zijn opgezegd en beëindigd en zij ter afwikkeling van deze overeenkomsten een schikking met De Heidepol hebben getroffen. Onder deze omstandigheden moet geoordeeld worden dat zij in zoverre geen belang bij het door hen ingestelde hoger beroep hebben.

2.3. [appellant] en anderen hebben ten betoge dat zij daarin niettemin moeten worden ontvangen gesteld dat zij schade hebben geleden als gevolg van de sluiting van de camping.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 augustus 2010 in zaak nr. 200909861/1/H1), kan in de stelling dat schade is geleden als gevolg van bestuurlijke besluitvorming op zichzelf belang bij het ingestelde rechtsmiddel worden gevonden, indien de gestelde schade tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt.

In het hoger beroepschrift, noch ter zitting, hebben [appellant] en anderen zelfs maar een begin van onderbouwing gegeven van de door hen gestelde schade.

2.4. Onder die omstandigheden is de conclusie dat [appellant] en anderen ook overigens geen belang hebben bij het door hen ingestelde hoger beroep. Het is niet-ontvankelijk.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Driel

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

357-619.