Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5475

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201004217/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2008 heeft de staatssecretaris geweigerd aan [appellant] een vergunning te verlenen voor het plaatsen van visfuiken in het Kanaal van Gent naar Terneuzen (hierna: het kanaal).

Wetsverwijzingen
Wet beheer rijkswaterstaatswerken
Wet beheer rijkswaterstaatswerken 2
Wet beheer rijkswaterstaatswerken 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3780
M en R 2011/144 met annotatie van Groothuijse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004217/1/H2.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 18 maart 2010 in zaak nr. 09/308 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (thans: de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu).

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2008 heeft de staatssecretaris geweigerd aan [appellant] een vergunning te verlenen voor het plaatsen van visfuiken in het Kanaal van Gent naar Terneuzen (hierna: het kanaal).

Bij besluit van 13 maart 2009 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 maart 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 mei 2010.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door ing. N.C. van Doorn, werkzaam bij de Combinatie van Beroepsvissers, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M. de Bruijne, dr. J.W.P. Prins en P. Scherpenisse, werkzaam bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna: de Wbr), zoals deze gold ten tijde hier van belang, is het verboden zonder vergunning van de minister van Verkeer en Waterstaat gebruik te maken van een waterstaatswerk door anders dan waartoe het is bestemd:

a. daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden;

b. daarin, daaronder of daarop vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.

Ingevolge het tweede lid kan een vergunning onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan weigering, wijziging of intrekking van een vergunning, alsmede toepassing van de artikelen 2, tweede lid, en 6 slechts geschieden ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken.

Ingevolge het tweede lid kunnen de in het eerste lid bedoelde besluiten mede strekken ter bescherming van aan de waterstaatswerken verbonden belangen van andere dan waterstaatkundige aard, doch enkel voor zover daarin niet is voorzien door bij of krachtens een andere wet gestelde bepalingen.

2.2. [appellant] heeft in 2007 een overeenkomst gesloten met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; hierna: de minister) over de huur van het aalvisrecht in het kanaal vanaf Terneuzen tot aan de Nederlands-Belgische grens en voor zover eigendom van de Staat. Deze overeenkomst is aangegaan vanaf 1 juni 2007 tot en met 31 mei 2008. De overeenkomst is in het jaar 2008 verlengd tot 31 mei 2010. Vervolgens is deze overeenkomst wederom verlengd tot 31 december 2015.

Bij besluit van 17 januari 2008 heeft de staatssecretaris aan [appellant] een vergunning verleend voor het plaatsen van visfuiken in het kanaal voor de periode van één jaar eindigend op 31 mei 2008. In verband met de verlenging van de overeenkomst met de minister over de huur van het aalvisrecht heeft [appellant] de staatssecretaris verzocht om verlenging van zijn vergunning voor het plaatsen van visfuiken. Bij besluit van 13 november 2008 heeft de staatssecretaris de aanvraag om verlenging van de vergunning afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2009 heeft de staatssecretaris de bezwaren van [appellant] voor zover gericht tegen de motivering van het besluit van 13 november 2008 gegrond verklaard. Verder heeft de staatssecretaris het besluit van 13 november 2008 gehandhaafd.

2.3. [appellant] betoogt dat ingevolge het Waterbesluit geen vergunning is vereist voor het plaatsen van visfuiken.

2.3.1. De Waterwet en het Waterbesluit zijn in werking getreden met ingang van 22 december 2009, dat wil zeggen nadat het besluit op bezwaar van 13 maart 2009 was genomen. Gelet hierop en nu overgangsrecht dat ziet op deze situatie ontbreekt, is hier de Wbr van toepassing zodat het ingevolge artikel 2, eerste lid, is verboden zonder vergunning visfuiken in het kanaal te plaatsen. Dit betoog faalt.

2.4. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat hij het doelmatig en veilig gebruik van het kanaal niet in gevaar brengt en dat de staatssecretaris zijn belangen onvoldoende heeft meegenomen. Hij voert daartoe aan dat hij door de weigering van de staatssecretaris de gevraagde vergunning te verlenen, niet aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomst met de minister kan voldoen.

2.4.1. Allereerst wordt overwogen dat voor de beoordeling van een aanvraag om vergunning op grond van de Wbr aan de op grond van deze wet te behartigen waterstaatkundige belangen wordt getoetst. Dat [appellant] een overeenkomst met de minister heeft gesloten, levert, gelet op dit toetsingskader, geen grond op voor vergunningverlening op grond van de Wbr. Dit betoog faalt.

2.4.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 13 maart 2009 op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergunning voor het plaatsen van visfuiken in het kanaal dient te worden geweigerd ter verzekering van het veilig en doelmatig gebruik van het kanaal. Volgens de minister is de situatie bij de Westsluis in Terneuzen dermate risicovol door het intensieve scheepvaartverkeer, de zuigende werking van zeeschepen en de spuifunctie van het kanaal, dat het risico dat de visfuiken met zich brengen te groot is. Als de visfuiken of delen daarvan losraken, kunnen deze in de schroef van schepen terechtkomen, met mogelijk zeer ernstige gevolgen. Een veilige alternatieve locatie op het kanaal voor het plaatsen van visfuiken is niet aanwezig, aldus de staatssecretaris.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris op goede gronden de vergunning heeft geweigerd.

2.4.3. De staatssecretaris heeft terecht het veilig en doelmatig gebruik van het kanaal voorop gesteld. Hierbij is echter onvoldoende onderkend dat [appellant] maatregelen heeft getroffen om te voorkomen dat de visfuiken losraken. Zo worden de visfuiken ter plaatse afgeschermd door remmingswerken. Daarnaast zijn de visfuiken zwaar verankerd. Ter zitting is verder gebleken dat de wijze waarop de visfuiken zijn geplaatst geen afbreuk doet aan de ruimte voor de scheepvaart in het kanaal. Vast is komen te staan dat door de werkwijze van [appellant] geen ongeval heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de staatssecretaris onvoldoende onderkend dat ingevolge het tweede lid van artikel 2 van de Wbr een vergunning onder beperkingen kan worden verleend en dat aan een vergunning voorschriften kunnen worden verbonden. Op deze wijze kan het veilig en doelmatig gebruik van het kanaal nader worden verzekerd.

De staatssecretaris heeft in zijn besluit van 13 maart 2009 dan ook onvoldoende onderbouwd waarom in dit geval de werkwijze van [appellant] en de door hem getroffen maatregelen indien nodig, door de vergunning te verlenen onder beperkingen en met daaraan verbonden voorschriften, niet met zich brengen dat aan het uitgangspunt van een veilig en doelmatig gebruik van het kanaal is voldaan. Het besluit mist derhalve een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 maart 2009 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.6. Uit artikel 8:75 van de Awb in samenhang met artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vloeit voort dat, voor zover hier van belang, uitsluitend een veroordeling in de proceskosten kan plaatsvinden indien het kosten betreft die betrekking hebben op de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De gemachtigde van [appellant] kan niet worden aangemerkt als beroepsmatig rechtsbijstandsverlener. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat het verlenen van rechtsbijstand een vast en bestendig onderdeel uitmaakt van de werkzaamheden van de gemachtigde. Voor een veroordeling van de staatssecretaris in de gemaakte proceskosten bestaat dan ook geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 18 maart 2010 in zaak nr. 09/308;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellant] gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 13 maart 2009, kenmerk 716;

V. gelast dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

85-630.