Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5474

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201011744/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 16 juni 2010, in zaak nr. 200904421/1, heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het beroep van [verzoeker] tegen een besluit van het college van 15 april 2008 ongegrond verklaard. Bij dit besluit is het besluit van 9 november 2007 waarbij aan [verzoeker] een last onder dwangsom is opgelegd vanwege het overtreden van artikel 11, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2006 van de gemeente Zandvoort, gehandhaafd. De uitspraak is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/96
JOM 2011/323
AB 2011/74
BA 2011/78

Uitspraak

201011744/1/M1.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraken van de Afdeling van 16 juni 2010, in zaak nr. 200904421/1, en 1 december 2010, in zaak nr. 201007055/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 16 juni 2010, in zaak nr. 200904421/1, heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het beroep van [verzoeker] tegen een besluit van het college van 15 april 2008 ongegrond verklaard. Bij dit besluit is het besluit van 9 november 2007 waarbij aan [verzoeker] een last onder dwangsom is opgelegd vanwege het overtreden van artikel 11, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2006 van de gemeente Zandvoort, gehandhaafd. De uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 december 2010, in zaak nr. 201007055/1, heeft de Afdeling het verzoek van [verzoeker] om herziening van die uitspraak afgewezen.

Bij brief van 6 december 2010 heeft [verzoeker] de Afdeling verzocht de uitspraken van 16 juni en 1 december 2010 te herzien.

Bij brief van 15 januari 2011 heeft [verzoeker] een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2011, waar [verzoeker], bijgestaan door zijn echtgenote, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [verzoeker] heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2010, in zaak nr. 200904421/1, en tevens om herziening van de uitspraak van 1 december 2010, in zaak nr. 201007055/1. Bij deze laatste uitspraak heeft de Afdeling het verzoek van [verzoeker] om herziening van de uitspraak van 16 juni 2010 afgewezen.

2.1.1. Gelet op de omstandigheid dat op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) immer van de oorspronkelijke uitspraak herziening kan worden gevraagd, indien de in dat artikel genoemde feiten en omstandigheden zich voordoen, heeft een verzoek om herziening van een uitspraak waarbij reeds eerder met toepassing van artikel 8:88 van de Awb een verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak is afgewezen, geen zin. De Afdeling sluit hiermee in zoverre aan bij het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, AB 2010, 76, en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 oktober 2010, LJN:BO2051.

De Afdeling zal een verzoek om herziening van een uitspraak waarbij een verzoek om herziening is afgewezen, opvatten als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak. Anders ligt dit indien naar aanleiding van het eerdere verzoek om herziening de oorspronkelijke uitspraak is herzien. In dat geval heeft de uitspraak waarbij de oorspronkelijke uitspraak is herzien de oorspronkelijke uitspraak vervangen en kan slechts herziening worden gevraagd van de herzieningsuitspraak. Ook herziening van een herzieningsuitspraak is overigens slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

2.2. De Afdeling zal beoordelen of grond bestaat voor herziening van de uitspraak van 16 juni 2010.

2.3. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.4. In het verzoekschrift heeft [verzoeker] vermeld waarom volgens hem aanleiding bestaat de uitspraak te herzien. Hij wijst op geluidsopnamen van de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Zandvoort en van een telefoongesprek met een ambtenaar van de gemeente, op de omstandigheden dat het college vanaf het dwangsombesluit niet langer handhaaft wegens overtreding van de Afvalstoffenverordening en dat hij is vrijgesproken van mishandeling van een ambtenaar.

[verzoeker] betoogt dat voorts uit een gesprek met de burgemeester op 27 december 2010 is gebleken dat het handhavingsbesluit niet is genomen vanwege de overtreding van een milieuvoorschrift, maar vanwege het niet naleven van de Algemene Plaatselijke Verordening en dat de aanleiding van het besluit mede was gelegen in onenigheid tussen [verzoeker] en ambtenaren van de gemeente, zodat het handhavingsbesluit in strijd is met het verbod van détournement de pouvoir.

2.4.1. De hoorzitting is gehouden vóór de uitspraak van de Afdeling. In het verhandelde tijdens die zitting, kunnen dan ook geen feiten en omstandigheden zijn gelegen die [verzoeker] nog niet bekend waren vóór de uitspraak, waarvan herziening wordt verzocht.

2.4.2. Uit de stukken komt naar voren dat het door [verzoeker] bedoelde telefoongesprek heeft plaatsgevonden op 17 september 2010, dat wil zeggen na de uitspraak van 16 juni 2010, zodat in het verhandelde reeds daarom geen feiten of omstandigheden zijn gelegen, die kunnen leiden tot herziening van die uitspraak. Voorts heeft [verzoeker] zich in zijn eerdere verzoek om herziening van die uitspraak ook reeds op de uitlatingen van de ambtenaar in het telefoongesprek beroepen en heeft de Afdeling daarin geen aanleiding gezien zijn verzoek te honoreren. Ook in zoverre betreft het thans aangevoerde derhalve geen feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

2.4.3. Wat betreft de door [verzoeker] gestelde omstandigheid dat het college sinds het dwangsombesluit niet langer bestuursrechtelijk handhavend optreedt, wat daar overigens ook van zij, is niet aannemelijk geworden dat [verzoeker] dit niet reeds in beroep bij de Afdeling had kunnen aanvoeren.

2.4.4. Indien [verzoeker], zo hij stelt, vóór de uitspraak is vrijgesproken van mishandeling van een medewerker van de gemeente, maar hij daarvan destijds nog niet op de hoogte was dan wel kon zijn, overweegt de Afdeling dat indien de vrijspraak bij de Afdeling bekend was geweest vóór de uitspraak dit niet tot een andere uitspraak zou hebben geleid. Niet is gebleken dat de aan de gestelde vrijspraak van mishandeling ten grondslag liggende omstandigheden zijn betrokken bij de beoordeling van het beroep van [verzoeker], zodat in de onderhavige zaak aan de gestelde vrijspraak ook geen betekenis toekomt.

2.4.5. Wat betreft het betoog dat het college met het handhavingsbesluit zijn bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend, is van belang dat de feiten op grond waarvan het college het handhavingsbesluit heeft genomen, zoals de Afdeling in de uitspraak van 16 juni 2010 heeft overwogen, de overtreding van een milieuvoorschrift betreffen. Het college was bevoegd wegens overtreding van dat voorschrift te handhaven en diende, behoudens bijzondere omstandigheden, ook van die bevoegdheid gebruik te maken. Van deze bevoegdheid heeft het college in ieder geval gebruik gemaakt teneinde te voorkomen dat [verzoeker] opnieuw afvalstoffen zou inzamelen, zoals [verzoeker] ook ter zitting heeft verklaard, en daarmee opnieuw een milieuregel zou overtreden. De beweerdelijk mededelingen van de burgemeester over de aard en aanleiding van het handhavingsbesluit, wat daar ook van zij, doen daaraan niet af en betreffen om die reden geen feiten of omstandigheden die, waren zij eerder bij de Afdeling bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.5. Gelet op het vorenstaande heeft [verzoeker] geen feiten en omstandigheden aangevoerd die voldoen aan het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

2.6. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, mr. C.W. Mouton en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

163.