Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201007717/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2009 heeft het college het verzoek van Platform Berend Botje om een gebruiksverbod in te stellen voor het Westerdiepsterdallenkanaal afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007717/1/H1.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Platform Berend Botje, gevestigd te Kiel-Windeweer, gemeente Hoogezand-Sappemeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 juni 2010 in zaak nr. 09/1208 in het geding tussen:

Platform Berend Botje

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2009 heeft het college het verzoek van Platform Berend Botje om een gebruiksverbod in te stellen voor het Westerdiepsterdallenkanaal afgewezen.

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het college het door Berend Botje daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2010, verzonden op 30 juni 2010, heeft de rechtbank het door Platform Berend Botje daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Platform Berend Botje bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college van gedeputeerde staten) heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2011, waar Platform Berend Botje, vertegenwoordigd door [voorzitter], bijgestaan door mr. M.T. Hoen, advocaat te Gorredijk, en het college, vertegenwoordigd door P.A. Jungman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. P. van der Burgh en J.B. Koster, beiden werkzaam bij de provincie, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In hoger beroep is aan de orde of de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de door het college bij besluit van 13 juli 2005 aan het college van gedeputeerde staten verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het aanleggen van een vaarverbinding tussen het Kieldiep en het zeilmeer Langebosch te Veendam er tevens toe strekt het gebruik van dat kanaal als vaarwater mogelijk te maken, zodat het college niet bevoegd was tegen dat gebruik handhavend op te treden.

2.2. De rechtbank heeft voor voormeld oordeel steun gevonden in de aan de aanvraag om vrijstelling ten grondslag gelegde motivering, waaruit blijkt dat het nieuw te graven kanaal onderdeel is van het project "Van Turfvaart naar Toervaart, Vaarverbindingen Zuidlaardermeer-Oost Groningen" en dat door de aanleg van het nieuwe kanaal een directe verbinding ontstaat tussen het Zuidlaardermeer, zeilmeer Langebosch en het Oosterdiep te Veendam. Daarnaast heeft de rechtbank voor dit oordeel steun gevonden in het door het college gewaarmerkte en bij het vrijstellingsbesluit van 13 juli 2005 behorende rapport "Van Turfvaart naar Toervaart", waarin wordt gesproken over het tot stand brengen van vaarverbindingen voor de recreatievaart, in de bij dat besluit behorende tracétekeningen en in de overige aan dat besluit ten grondslag gelegde stukken. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in de op 6 juli 2005 door het college van gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bezwaar tegen het verlenen van vrijstelling, als voorgenomen activiteit is vermeld het aanleggen van een vaarverbinding/kanaal tussen Kieldiep en Langebosch.

2.3. In hetgeen Platform Berend Botje heeft aangevoerd is geen grond te vinden om het oordeel van de rechtbank onjuist te achten. Ter zitting is gebleken dat het Westerdiepsterdallenkanaal is gerealiseerd door uitdieping en beschoeiing van een deel van het Kieldiep en door uitdieping, verbreding en beschoeiing van een daarop aansluitende bestaande zogenoemde wijk. Deze wateren zijn aldus geschikt gemaakt voor gebruik als vaarverbinding tussen Kieldiep en Langebosch. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het rapport "Van Turfvaart naar Toervaart" geen betrekking heeft op deze vaarverbinding. Dat het rapport rept over een nieuw te graven kanaal maakt dit niet anders. Het uitbaggeren en geschikt maken als vaarverbinding/kanaal van bestaand water moet hieronder worden begrepen. De stelling van Platform Berend Botje dat het kanaal niet geschikt is als volwaardige vaarverbinding en voorts overbodig is, wat daarvan zij, kan niet leiden tot het oordeel dat de rechtbank het gebruik van het kanaal als vaarweg ten onrechte in de vrijstelling begrepen heeft geacht. Voorts bestaat, gelet op de aanvraag om vrijstelling en de daarbij behorende stukken, geen grond voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten de mogelijkheid heeft willen openhouden van de aanleg van een kanaal dat niet tevens een vaarverbinding is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de bij de aanvraag behorende stukken worden geacht deel uit te maken van de verklaring van geen bezwaar en daaruit blijkt dat het project de aanleg betreft van een kanaal met de functie van vaarverbinding. Dat het bestemmingsplan een afzonderlijke gebruiksbepaling bevat, doet er niet aan af dat de rechtbank, gelet op het vorenstaande terecht en op goede gronden heeft overwogen dat de vrijstelling van die gebruiksbepaling in dit geval moet worden geacht te zijn begrepen in de verleende vrijstelling voor het aanleggen.

Het betoog faalt.

2.4. Nu de rechtbank, gelet op het vorenstaande, terecht heeft geoordeeld dat geen bevoegdheid tot handhavend optreden bestond, behoeft hetgeen Platform Berend Botje overigens heeft aangevoerd met betrekking tot de gevolgen van het gebruik voor de aanwezige natuurwaarden geen bespreking.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Hanrath

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

392.