Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5460

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201006490/1/H3 en 201006721/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 mei 2010 is [appellant] gelast de woning aan de [locatie 1] te Hoensbroek onmiddellijk te verlaten en deze woning vanaf 20 mei 2010, 17:00 uur, voor een periode van tien dagen, tot 30 mei 2010, 17:00 uur, niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden en is hem verboden gedurende deze periode contact op te nemen met de in het besluit genoemde personen die met hem in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven. Bij besluit van 27 mei 2010 (hierna: het verlengingsbesluit) heeft de burgemeester dit huisverbod verlengd met achttien dagen, ingaande op 30 mei 2010, 17:00 uur, en eindigende op 17 juni 2010, 17:00 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006490/1/H3 en 201006721/1.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant], wonend te Hoensbroek, gemeente Heerlen,

tegen de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 15 juni 2010 en 21 juni 2010 in de zaken nrs. 151646 en 151643 in de gedingen tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Heerlen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2010 is [appellant] gelast de woning aan de [locatie 1] te Hoensbroek onmiddellijk te verlaten en deze woning vanaf 20 mei 2010, 17:00 uur, voor een periode van tien dagen, tot 30 mei 2010, 17:00 uur, niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden en is hem verboden gedurende deze periode contact op te nemen met de in het besluit genoemde personen die met hem in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven. Bij besluit van 27 mei 2010 (hierna: het verlengingsbesluit) heeft de burgemeester dit huisverbod verlengd met achttien dagen, ingaande op 30 mei 2010, 17:00 uur, en eindigende op 17 juni 2010, 17:00 uur.

Bij uitspraak van 21 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] tegen het besluit van 20 mei 2010 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] tegen het verlengingsbesluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft [appellant] bij onderscheiden brieven, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2010 en 13 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 19 januari 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, werkzaam bij advocatenkantoor Helgers te Maastricht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.A.L. Devoi, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

Ingevolge het zesde lid geeft de uithuisgeplaatste aan waar of op welke wijze hij bereikbaar is. Indien de uithuisgeplaatste dit niet terstond kan doorgeven, geeft hij dit binnen 24 uur nadat het huisverbod is opgelegd door aan de burgemeester.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover thans van belang, kan de burgemeester van de bevoegdheden en taken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, mandaat verlenen aan de hulpofficier van justitie.

Ingevolge artikel 6, derde lid, betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, voor zover thans van belang, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

2.2. De burgemeester heeft aan het besluit van 20 mei 2010 ten grondslag gelegd dat [appellant] zijn partner herhaaldelijk met gebalde vuist in de buikstreek heeft geslagen en heeft bedreigd.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat genoegzaam is gebleken dat de burgemeester aan de hulpofficier van justitie toestemming heeft gegeven in zijn naam het huisverbod op te leggen. Hij voert aan dat de burgemeester de bevoegdheid tot het opleggen van het huisverbod heeft gemandateerd aan de hulpofficier van justitie, zodat een besluit van de burgemeester aan afdoening door de hulpofficier van justitie ten grondslag dient te liggen. Dat, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen, overleg heeft plaatsgevonden tussen de burgemeester en de hulpofficier van justitie, maakt volgens [appellant] niet dat de burgemeester toestemming heeft verleend voor het opleggen van het huisverbod. Deze toestemming blijkt volgens [appellant] niet uit het proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie, dat is opgesteld voorafgaand aan het besluit tot het opleggen van het huisverbod.

2.3.1. Het betoog faalt. Uit het namens de burgemeester door de hulpofficier van justitie ondertekende besluit van 20 mei 2010 blijkt dat het besluit door de burgemeester is genomen. Dit wordt bevestigd door de vermelding in het proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie van 20 mei 2010, dat na overleg met de burgemeester het huisverbod aan [appellant] is opgelegd en door de vermelding in het door de burgemeester overgelegde aanvullend proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van 20 juli 2010, dat de burgemeester toestemming voor tijdelijke uithuisplaatsing heeft gegeven. Ook uit het door de burgemeester overgelegde draaiboek implementatie Wet tijdelijk huisverbod blijkt dat volgens vaste werkwijze voorafgaand aan het opleggen van een huisverbod overleg tussen de burgemeester en de hulpofficier van justitie plaatsvindt. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de vermelding in het besluit dat de burgemeester het besluit tot het opleggen van het huisverbod heeft genomen.

2.4. De burgemeester heeft aan het verlengingsbesluit ten grondslag gelegd dat nog geen veranderingen waren opgetreden in de situatie waarin het huisverbod op 20 mei 2010 was opgelegd. Gelet op het feit dat de hulpverlening niet op gang was gekomen, wegens het niet kunnen bereiken van [appellant] of zijn partner, was de kans op herhaling van het huiselijk geweld nog steeds aanwezig en bleef het gevaar voor zijn partner bestaan, aldus de burgemeester.

2.5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat, nu het besluit van 20 mei 2010 onbevoegd door de burgemeester was genomen, het verlengingsbesluit ook behoort te worden vernietigd. Het verlengingsbesluit is op een onrechtmatig genomen besluit gebaseerd en ontbeert daarom een geldige rechtsgrondslag, aldus [appellant].

2.5.1. Het betoog faalt. Nu is vastgesteld dat het huisverbod is opgelegd bij besluit van de burgemeester van 20 mei 2010, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de burgemeester in dit geval ook bevoegd was tot het nemen van het verlengingsbesluit.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen, dat het niet aan de burgemeester zou zijn te wijten dat de hulpverlening ten tijde van de verlenging van het huisverbod nog niet op gang was gekomen. Volgens [appellant] was hij vindbaar en bereikbaar. Uit het door hem overgelegde mutatierapport van de politie blijkt dat de politie hem heeft kunnen traceren. De politie heeft voorafgaande aan het verlengingsbesluit meermaals telefonisch contact met hem gehad en hij heeft toen anderhalve dag op het politiebureau verbleven. [appellant] stelt dat de burgemeester geen contact met hem heeft trachten op te nemen of enige inspanning heeft geleverd om hem te traceren. Derhalve is het verlengingsbesluit onzorgvuldig tot stand gekomen, althans onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellant].

2.6.1. Het betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat [appellant], anders dan van hem ingevolge artikel 2, zesde lid, van de Wth werd gevergd, de burgemeester binnen 24 uur na oplegging van het huisverbod op de hoogte heeft gesteld van zijn verblijfplaats. Daarnaast volgt uit het verlengingsbesluit dat door de hulpverlening verscheidene pogingen zijn ondernomen om contact te krijgen met zowel [appellant] als zijn partner. Dat de politie telefonisch contact heeft gehad met [appellant] maakt niet dat de burgemeester in de periode voorafgaande aan het verlengingsbesluit op de hoogte was van zijn verblijfplaats dan wel dat deze [appellant] kon bereiken. Het mutatierapport waarnaar [appellant] heeft verwezen is pas op 31 mei 2010 opgemaakt naar aanleiding van een op 26 mei 2010 om 21:12 uur gedane aangifte tegen hem van onder meer bedreiging, terwijl het verlengingsbesluit van 27 mei 2010 dateert. Voorts is de datum waarop de politie telefonisch contact heeft gehad met [appellant] onbekend. Met de voorzieningenrechter ziet de Afdeling niet in dat het verlengingsbesluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen, dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

2.7. [appellant] betoogt tenslotte dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat zijn partner ten tijde van het verlengingsbesluit niet meer in de woning verbleef, zodat reeds hierom geen sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van iemand die met hem in dezelfde woning woonde. Reeds ten tijde van het op 20 mei 2010 opgelegde huisverbod verbleef zijn partner bij haar vriend in diens woning aan de [locatie 2] te Hoensbroek, aldus [appellant]. Dit volgt volgens hem uit het mutatierapport. In dit verband wijst [appellant] op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2009 (LJN: BJ5327) waarbij is geoordeeld dat vertrek naar het buitenland voor een vakantie met zich brengt dat geen sprake meer is van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de personen die met de uithuisgeplaatste samenwonen. De voorzieningenrechter heeft voorts ten onrechte overwogen dat de burgemeester het huisverbod in redelijkheid heeft kunnen verlengen, omdat [appellant] en zijn partner ten tijde van de zitting van de voorzieningenrechter weer samen in de woning zouden verblijven. Dit feit had zich volgens [appellant] nog niet voorgedaan op de datum dat het verlengingsbesluit werd genomen.

2.7.1. Dit betoog faalt eveneens. Niet is gebleken dat de partner van [appellant] nagenoeg de gehele periode van het huisverbod niet in de woning aan de [locatie 1] heeft verbleven. Reeds daarom kan het beroep van [appellant] op de door hem aangehaalde uitspraak niet slagen. Dat de partner van [appellant] slechts tijdelijk zou verblijven aan de [locatie 2] blijkt voorts uit het feit dat zij op 15 juni 2010, derhalve tijdens de looptijd van het verlengde huisverbod, weer in de woning aan de [locatie 1] verbleef.

Voorts heeft de voorzieningenrechter, gelet op artikel 6, derde lid, van de Wth, het feit dat [appellant] en zijn partner na het nemen van het verlengingsbesluit - in strijd met het huis- en contactverbod - weer samen in de woning zouden verblijven, terecht bij de toetsing van dit besluit betrokken.

2.8. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

97-637.