Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5459

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201006257/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woonhuis op het perceel [locatie] te Broekhuizervorst (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/662
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006257/1/H1.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Broekhuizenvorst, gemeente Horst aan de Maas

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) van 20 mei 2010 in zaak nr. 09/1893 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woonhuis op het perceel [locatie] te Broekhuizervorst (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 november 2009 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.C.J. Apeldoorn, advocaat te Venlo, en het college, vertegenwoordigd door K.M. van Rijsewijk-Steeghs, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een woning op het perceel. Het is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Omgeving de Spekt 86" (hierna: het bestemmingsplan). Het college heeft hiervan krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend om realisering ervan toch mogelijk te maken. Niet in geschil is dat het bestemmingsplan het oprichten van een woning op het perceel toelaat.

2.2. Ingevolge voormelde bepaling kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen, onder welke omstandigheden vooraf een verklaring dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel gemotiveerd, waarom het te realiseren project binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied past, aldus die bepaling.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte met toepassing van de verleende vrijstelling bouwvergunning heeft verleend, omdat de aanvraag om verlening van bouwvergunning na 1 juli 2008 is ingediend. Weliswaar is de oorspronkelijke aanvraag op 1 februari 2008 ingediend, maar het bouwplan is nadien gewijzigd en op 20 mei 2009 is daarvoor een nieuwe aanvraag ingediend, aldus [appellant].

2.3.1. Dit betoog faalt. [vergunninghouder] heeft op 1 februari 2008 een aanvraag om verlening van bouwvergunning ingediend voor het oprichten van een woning. Op 10 maart 2008 heeft het college tot medewerking aan het bouwplan besloten door daarvoor vrijstelling te verlenen. Het ontwerpbesluit, de aanvraag en de daarbij behorende stukken hebben vervolgens van 17 maart tot en met 27 april 2008 ter inzage gelegen. Naar aanleiding van de door [appellant] ingediende zienswijze heeft het college een extern stedenbouwkundige om nader advies gevraagd en is het bouwplan aangepast. De wijzigingen betreffen het verlagen van het tussenlid en het hoofd- en bijgebouw. Omdat de bouwtekening is gewijzigd, is er, naar het college onweersproken heeft toegelicht, voor gekozen deze opnieuw ter inzage te leggen, tezamen met de gecorrigeerde aanvraag. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de wijzigingen van het bouwplan van ondergeschikte aard zijn, omdat de uiterlijke verschijningsvorm van de te realiseren woning nagenoeg ongewijzigd is, afgezien van een duidelijker onderscheid tussen hoofd- en bijgebouw, en voorts de bouwmassa is verminderd ten opzichte van de aanvraag van 1 februari 2008, waarmee tegemoet is gekomen aan de zienswijze van [appellant].

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende heeft onderzocht, in hoeverre het bouwplan van het bestemmingsplan afwijkt.

2.4.1. Ook dat betoog faalt. Uit het besluit van 11 november 2009 blijkt dat de verleende vrijstelling en bouwvergunning zien op het bouwplan, zoals dat op de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen is weergegeven. Aldus is voldoende duidelijk, waarop de verleende vrijstelling en bouwvergunning betrekking hebben.

2.5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, omdat geen rekening is gehouden met het gevoerde beleid, zoals dat is gepubliceerd in de beleidsnotitie "Woningbouw op particuliere grond", slaagt evenmin. De aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door het rapport van advies- en ontwerpbureau BRO van 18 mei 2009 en de daarop door het college aangebrachte aanvulling. In die aanvulling is in het bijzonder aandacht besteed aan de stedenbouwkundige uitgangspunten en de ruimtelijke effecten in relatie tot de voornoemde notitie. Niet is bestreden dat het bouwplan voldoet aan de in die notitie opgenomen vereisten. Het betoog dat die notitie niet ter inzage heeft gelegen en het besluit van 11 november 2009 daarom dient te worden vernietigd, leidt niet tot het ermee beoogde resultaat, reeds omdat [appellant] nadien van de inhoud ervan kennis heeft genomen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het college geen aanvulling op een door een extern bureau opgestelde ruimtelijke onderbouwing mag maken.

De rechtbank is [appellant] terecht evenmin gevolgd in het betoog dat de vrijstelling een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert, omdat het college ongemotiveerd voorbij is gegaan aan de effecten van het bouwplan op het uitzicht op het buitengebied en de effecten op de monumenten in de omgeving, waaronder de door hem bewoonde woning. In de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat door de bouw van de woning het huidige gat in de bebouwing aan de Broekstraat wordt gedicht. Verder is vermeld dat de woning, net als de overige aan de Broekstraat gelegen woningen, vanaf de weg is gekeerd, deze, aansluitend op die woningen, bestaat uit meerdere bouwlagen met een kap en aldus ruimtelijk en stedenbouwkundig gezien binnen dit deel van het dorp past. De rechtbank heeft terecht niet aannemelijk gemaakt geacht dat dit onjuist is. Voorts wordt in aanmerking genomen dat het bestemmingsplan het realiseren van een woning op het perceel toelaat, zodat reeds rekening is gehouden met de inpasbaarheid van een woning op het perceel.

2.6. Ten slotte betoogt [appellant] dat de rechtbank, door hem niet te volgen in zijn betoog dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot vrijstelling heeft kunnen besluiten, heeft miskend dat onvoldoende rekening is gehouden met de effecten van het bouwplan op de door hem bewoonde woning.

2.6.1. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college gesteld dat het bouwplan aan de ingevolge artikel 2.01, derde lid, onder A en 5, van de planvoorschriften voor woningen van 1000 m³ gestelde eisen voor maximale maten voldoet, omdat het noordelijk deel van het bouwplan als een bijgebouw is aan te merken en aldus niet bij de berekening van de inhoud van de woning behoort te worden betrokken. Niet in geschil is dat niet aan de maximum toegelaten inhoud voor woningen wordt voldaan, indien dat deel van het bouwplan wel bij de berekening van de inhoud dient te worden betrokken.

2.6.2. Ingevolge artikel 1.01, aanhef en onder 14, van de planvoorschriften wordt onder bijgebouw verstaan een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen woning.

Ingevolge die aanhef en onder 15, is een woning een gebouw of een gedeelte daarvan dat voor de huisvesting van een huishouden dient.

2.6.3. Het noordelijk deel van het bouwplan, ongeacht dat dit in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het zuidelijke deel, dient voor de huisvesting van een huishouden en vormt aldus een onderdeel van de te realiseren woning, als bedoeld in artikel 1.01, aanhef en onder 15, van de planvoorschriften. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat daarin volgens de bouwtekening een tuinkamer is voorzien die, mede gelet op de voorziene gashaard en cai-aansluiting, geschikt is om als woonkamer te worden gebruikt. Voorts is in het zuidelijk deel van het bouwplan geen woonkamer voorzien. Het college heeft bij het verlenen van de vrijstelling en de daarbij te maken afweging van de betrokken belangen derhalve ten onrechte niet in aanmerking genomen dat de inhoud van de woning de toegestane 1000 m³ overschrijdt. Het heeft onvoldoende gemotiveerd, dat en waarom het bouwplan, ondanks de overschrijding van de maximaal toegestane inhoud, ter plaatse aanvaardbaar is.

Het betoog slaagt.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en het besluit van 11 november 2009 wegens ontoereikende motivering vernietigen. Het college dient een nieuw besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 mei 2010 in zaak nr. 09/1893;

III. verklaart het bij de rechtbank door [appellant] in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas van 11 november 2009;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 935,76 (zegge: negenhonderdvijfendertig euro en zesenzeventig centen);

VI. gelast dat de gemeente Horst aan de Maas aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Driel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

414-552.