Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5458

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201005489/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het realiseren van een insteekhaven op het perceel [locatie] te Vinkeveen (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005489/1/H1.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Wasserij De Plassen B.V. en andere, alle gevestigd te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen, (hierna: Wasserij De Plassen en andere)

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) van 23 april 2010 in de zaken nrs. 10/961 en 10/962 in het geding tussen:

Wasserij De Plassen en andere

en

het college van burgemeester en wethouders van de Ronde Venen (hierna: het college).

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het realiseren van een insteekhaven op het perceel [locatie] te Vinkeveen (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het het door Wasserij De Plassen en andere daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door Wasserij De Plassen en andere daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Wasserij De Plassen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2011, waar Wasserij De Plassen, vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. A.J. de Boode, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. W.J. Vonk en N.J.M. Röling, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door mr. R.V.H. Jonker, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het aanbrengen van drie damwanden ten behoeve van het realiseren van een insteekhaven van 6,50 bij 3,30 meter.

2.2. Het hoger beroep is uitsluitend door Wasserij De Plassen ingesteld. De brief van 8 juli 2010 is ook namens Hato Beheer B.V. en Ulap Beheer B.V. ingediend. Nu de brief van 3 juni 2010 niet mede namens hen is ingediend en zich geen feiten en omstandigheden voordoen, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim zijn geweest, is het hoger beroep, voor zover door hen daarbij ingesteld, niet-ontvankelijk.

2.3. Wasserij De Plassen betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat [vergunninghouder] geen belang had bij de verlening van bouwvergunning, nu hij het bouwplan wegens gebrek aan privaatrechtelijke toestemming niet zal kunnen realiseren.

2.3.1. De voorzieningenrechter heeft [vergunninghouder] niet ten onrechte als belanghebbende aangemerkt. Daargelaten of [vergunninghouder] ten tijde van de aanvraag eigenaar was van de gronden waarop de insteekhaven is voorzien, zoals de voorzieningenrechter heeft aangenomen, is het niet op voorhand uitgesloten dat deze van de bouwvergunning gebruik zal kunnen maken. De verwijzing door Wasserij De Plassen naar onderscheiden bepalingen in Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek leidt niet tot een ander oordeel, nu daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat [vergunninghouder] het bouwplan nimmer zal kunnen realiseren.

Het betoog faalt.

2.4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "1e herziening Lintbebouwing Vinkeveen 2003" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Landhuizen".

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als zodanig bestemde gronden bestemd voor landhuizen en zijn ten behoeve van en in verband met deze bestemming toegelaten:

a. woningen;

b. tuinen en erven;

c. bijgebouwen;

d. botenhuizen;

e. parkeerplaatsen;

f. ontsluitingsverhardingen;

g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder g en h, is bij elke woning maximaal 1 botenhuis toegestaan met een oppervlakte van ten hoogste 60 m².

Ingevolge die aanhef en onder k, mogen voor het overige uitsluitend niet-overdekte bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat:

1. op het voorerf tot 1 meter achter de voorgevelrooilijn slechts erf- of perceelsafscheidingen zijn toegestaan, met een maximale hoogte van 1 meter;

2. de bouwhoogte van overige erf- of perceelsafscheidingen niet meer bedragen dan 2 meter;

3. de bouwhoogte van palen en masten niet meer bedragen dan 6 meter;

4. de bouwhoogte van overige niet-overdekte bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 3 meter.

Ingevolge artikel 1, onder 18, wordt onder bouwwerk verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.5. Wasserij De Plassen betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan is. Hiertoe voert zij aan dat de op het perceel rustende bestemming "Landhuizen" de aanleg van een insteekhaven niet toelaat, omdat artikel 19 van de planvoorschriften de nadere aanduiding "water", "ligplaats", "steiger", "afmeervoorziening", "waterrecreatie" of "verkeer te water" niet kent. Voorts betoogt zij dat het deel van het perceel dat afgegraven wordt ten behoeve van het realiseren van de insteekhaven daarna onderdeel vormt van de achterliggende waterplas en aldus de bestemming "Water" krijgt.

2.5.1. Ook dit betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat de te realiseren haven aangemerkt als een bouwwerk, geen gebouw zijnde, als bedoeld in artikel 1, onder 18, van de planvoorschriften en overwogen dat dit bouwwerk ingevolge artikel 19, eerste lid, op het perceel is toegelaten en aan de in artikel 19, tweede lid, aanhef en onder k, gestelde eisen voor niet overdekte bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voldoet. Dat artikel 19 de nadere aanduiding "water", "ligplaats", "steiger", "afmeervoorziening", "waterrecreatie" of "verkeer te water" niet kent, doet hier niet aan af. De voorzieningenrechter heeft bij zijn oordeel terecht mede betrokken dat ingevolge de planvoorschriften op het perceel ook een botenhuis is toegestaan bedoeld om een overdekte ligplaats te bieden aan boten of vaartuigen en het bouwplan in het realiseren van een niet-overdekte ligplaats voorziet voor een boot of vaartuig. In dit verband niet van belang dat, naar Wasserij De Plassen stelt, ter plaatse geen botenhuis meer kan worden gerealiseerd. Dat het bestemmingsplan ter plaatse wel een botenhuis toestaat, is een omstandigheid die van betekenis is voor de aan artikel 19, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften toe te kennen betekenis inzake de op de percelen met de bestemming "Landhuizen" in overeenstemming te achten andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

De voorzieningenrechter is Wasserij De Plassen voorts terecht evenmin gevolgd in het betoog dat het bouwplan niet aan de in artikel 29 van de planvoorschriften gestelde eisen voldoet. Die bepaling ziet op de bestemming "Water", terwijl het bouwplan is voorzien op gronden met de bestemming "Landhuizen". Het bouwplan heeft het college terecht uitsluitend getoetst aan de voorschriften die betrekking hebben op het perceel waarop het bouwwerk volgens de aanvraag wordt gerealiseerd. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat ook na de voor realisering van de insteekhaven noodzakelijke afgraving van grond op het desbetreffende perceelsgedeelte nog steeds de bestemming "Landhuizen" rust. Het in artikel 33 van de planvoorschriften opgenomen gebruiksverbod kan, anders dan Wasserij De Plassen betoogt, evenmin tot de conclusie leiden dat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan is, reeds omdat de op het perceel rustende bestemming aanleg van een insteekhaven toelaat.

2.6. Wasserij De Plassen betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan niet aan redelijke eisen van welstand voldoet. Hiertoe voert zij aan dat het welstandsadvies bestaat uit een zogenoemd stempeladvies en het college dit, gelet op haar bezwaren tegen het bouwplan ten aanzien van redelijke eisen van welstand, niet aan het besluit van 2 maart 2010 ten grondslag heeft mogen leggen. Voorts is de advisering ten onrechte overgelaten aan een lid van de welstandscommissie, aldus Wasserij De Plassen.

2.6.1. Aan het besluit van 2 maart 2010 heeft het college het positieve stempeladvies van een lid van de Adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit van 20 augustus 2009 ten grondslag gelegd. Het heeft tegenover de voorzieningenrechter toegelicht dat het bouwplan is getoetst aan de welstandsnota "Welstand De Ronde Venen" van 24 april 2006, deze nota welstandscriteria bevat voor kleine plannen en dat, indien aan de desbetreffende criteria wordt voldaan, een bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand.

De voorzieningenrechter heeft het realiseren van de insteekhaven terecht als een klein plan in evenbedoelde zin aangemerkt. Hoewel aan de walkanten van de insteekhaven voorziene damwanden op het eerste gezicht als beschoeiing ogen, heeft de voorzieningenrechter deze terecht als afmeersteiger aangemerkt. Daartoe is van belang de damwanden mede een voorziening vormen voor het afmeren van vaartuigen. Aan de bovenzijde ervan bevindt zich een smalle plank die ertoe dient om het afgemeerde vaartuig te kunnen betreden of te verlaten. In het nader advies van de welstandscommissie van 9 april 2010, waarin het stempeladvies nader is toegelicht, is de bouw weliswaar als een beschoeiing aangeduid, maar de welstandstoets is verricht aan de voor afmeersteigers geldende zogenoemde loketcriteria. Zo is vermeld dat het bouwplan niet boven het bestaande maaiveld uitkomt. Dit is een criterium voor afmeersteigers. Gelet op de zogenoemde loketcriteria voor afmeersteigers en de omstandigheid dat, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft aangenomen, voor het bouwplan geen andere welstandscriteria van toepassing zijn, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet.

De door Wasserij De Plassen overgelegde brief van architectenbureau Wil Hartsink van 3 januari 2010, waarin is uiteengezet dat het bouwplan niet voldoet aan de algemene welstandcriteria voor het gebied waarin het bouwplan is voorzien, biedt geen grond voor een ander oordeel. Voor het bouwplan gelden uitsluitend de van toepassing zijnde zogenoemde loketcriteria. Ten aanzien van die criteria is in de brief volstaan met de stelling dat daar niet aan wordt voldaan.

Het betoog van Wasserij De Plassen dat de welstandsadvisering van 20 augustus 2009 ten onrechte door een lid van de welstandscommissie is verricht, heeft de voorzieningenrechter terecht evenmin tot het oordeel geleid dat het college zich er niet op heeft mogen baseren. In de zogenoemde loketcriteria voor afmeersteigers is vermeld dat in het geval het bouwplan aan deze criteria voldoet, een gemandateerde ambtenaar het positieve welstandsoordeel kan geven.

Het betoog faalt.

2.7. Wasserij De Plassen betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college het besluit op de aanvraag ten onrechte niet heeft aangehouden. Het college was er ten tijde ervan van op de hoogte dat de bodem ernstig verontreinigd is. Voorts was de melding die [vergunninghouder] heeft gedaan in het kader van de Ontgrondingenwet onvoldoende om de verplichting tot aanhouding te doorbreken, aldus Wasserij De Plassen.

2.7.1. Ingevolge artikel 52a, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, houden burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en uit het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, blijkt dat de grond ter plaatse van het te bouwen bouwwerk in zodanige mate is verontreinigd, dan wel bij hen uit andere hoofde een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het besluit tot aanhouding van de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning wordt genomen binnen twee weken na ontvangst van die aanvraag; indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en de beslissing niet binnen deze termijn is genomen en uit het onderzoeksrapport blijkt dat de bodem ernstig is verontreinigd, is die beslissing van rechtswege genomen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, duurt de aanhouding, totdat het krachtens de Wet bodembescherming bevoegd gezag met het saneringsplan, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet, overeenkomstig het tweede lid van dat artikel, heeft ingestemd, dan wel overeenkomstig artikel 29, eerste lid, juncto 37, eerste lid, van die wet heeft vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is.

2.7.2. Ook dit betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat ten tijde van het besluit van op 19 oktober 2009 geen aanhoudingsplicht bestond, omdat het door [vergunninghouder] opgestelde saneringsplan op 9 oktober 2009 door het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: gedeputeerde staten), in dit geval het in artikel 52a, tweede lid, van de Woningwet bedoeld bevoegd gezag, is goedgekeurd. Na die goedkeuring had het college op de aanvraag te beslissen. De door [vergunninghouder] in het kader van de Ontgrondingenwet gedane melding leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze los staat van de instemming van gedeputeerde staten met het saneringsplan. De stelling dat de voorzieningenrechter niet over de brief van 9 oktober 2009 beschikte is onjuist, nu die brief deel uitmaakt van de aan de rechtbank overgelegde stukken.

2.8. Wasserij De Plassen betoogt ook dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat bij de aanvraag ingevolge het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: Biab) vereiste gegevens ontbraken die van belang waren voor de beoordeling van het bouwplan aan de bepalingen van het Bouwbesluit 2003 en het college zonder deze gegevens niet op de aanvraag mocht besluiten. Volgens haar voldoet het bouwplan niet aan het de eisen die Bouwbesluit 2003 stelt en moet voor onder meer verzakking van de bodem en overstroming van water, waardoor schade kan ontstaan aan de gronden en bebouwing die in haar eigendom zijn, worden gevreesd. Verder betoogt zij dat het aan de bouwvergunning verbonden voorschrift dat het bouwen op een veilige manier moet geschieden te vrijblijvend is om de gestelde strijd met het Bouwbesluit 2003 te voorkomen.

2.8.1. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat uit het enkele gestelde feit dat niet aan de in de bijlage bij het Biab gestelde vereisten is voldaan, niet volgt dat de bouwvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Het was aan het college om te beoordelen of het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. De voorzieningenrechter heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt mocht stellen dat dat het geval was.

Voorts heeft de voorzieningenrechter Wasserij De Plassen terecht evenmin gevolgd in het betoog dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan aan de in het Bouwbesluit 2003 gestelde eisen voldoet. Hiertoe wordt overwogen dat, anders dan Wasserij De Plassen stelt, bij de aanvraag een constructietekening is overgelegd. Voorts heeft het college aan de bouwvergunning ter zake dienende voorschriften verbonden. Het voorschrift dat het bouwen op een veilige wijze dient te geschieden heeft uitsluitend betrekking op de veiligheid tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden en ziet niet op de veiligheid van de constructie van het bouwwerk zelf. Wasserij De Plassen heeft niet gesteld, aan welke in het Bouwbesluit 2003 gestelde eisen niet is voldaan.

Voor zover zij heeft beoogd te betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat niet aan de aan de bouwvergunning verbonden voorschriften wordt voldaan, wordt overwogen dat deze voorschriften betrekking hebben op de uitvoering van de bouwwerkzaamheden en voor de vergunbaarheid van het bouwplan niet van belang zijn.

Het betoog faalt.

2.9. Het betoog van Wasserij De Plassen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat er privaatrechtelijke belemmeringen zijn die aan het verlenen van vrijstelling in de weg stonden, leidt ten slotte, nu er geen weigeringsgronden, als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet, zijn en het college derhalve gehouden was bouwvergunning te verlenen, evenmin tot het ermee beoogde doel.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door Hato Beheer B.V. en Ulap Beheer B.V, niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

17-552.