Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5452

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201001393/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2008, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nijmegen bij besluit van 23 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Stadsbrug en Energieweg tussen Neerbosscheweg en Industrieplein".

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:5
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 5.12
Wet milieubeheer 5.14
Wet milieubeheer 5.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/88
JBO 2011/21 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2011/255
OGR-Updates.nl 2011-02-24
BR 2011/57 met annotatie van M.Y.C.L. de Wit
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3778
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3785
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001393/1/R1.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Beheersvereniging De Koopvaart, gevestigd te Nijmegen,

2. [appellanten sub 2], beide gevestigd te Nijmegen,

3. de vereniging Vereniging Stedelijk Leefmilieu Groen- en Milieubeheer, gevestigd te Nijmegen, en anderen,

4. [appellant sub 5] en anderen, allen wonend te Nijmegen,

5. [appellant sub 5], wonend te Nijmegen,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2008, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nijmegen bij besluit van 23 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Stadsbrug en Energieweg tussen Neerbosscheweg en Industrieplein".

Bij uitspraak van 14 oktober 2009 in zaak no. 200809112/3/R1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, het besluit van 14 november 2008 vernietigd.

Bij besluit van 23 december 2009 heeft het college opnieuw besloten over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit hebben De Koopvaart bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2010, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 februari 2010, de vereniging en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2010, [appellant sub 5] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2010, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2010, beroep ingesteld.

De vereniging en anderen en [appellant sub 5] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting omtrent de beroepen ingediend. Op verzoek van de Afdeling heeft de raad voorts de planexploitatie en een geactualiseerde exploitatieopzet overgelegd. Voor deze stukken heeft de raad verzocht om geheimhouding, als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij beslissing van 2 november 2010 heeft een andere kamer van de Afdeling het verzoek om geheimhouding ingewilligd. Desgevraagd heeft De Koopvaart toestemming verleend om mede op grondslag van de geheim te houden informatie uitspraak te doen.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft in bovengenoemde zaak no. 200809112/3/R1 een deskundigenbericht uitgebracht. Dit deskundigenbericht en de daarop ingekomen zienswijzen van [appellanten sub 2], de vereniging en anderen en [appellant sub 5] en anderen maken onderdeel uit van de op de onderhavige zaak betrekking hebbende stukken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2010, waar [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, de vereniging en anderen, vertegenwoordigd door haar [voorzitter], en M. van Schaik, [appellant sub 5] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 5], [appellant sub 5] en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. L.C.G. Hoenselaar, drs. A.J.M. Duifhuizen en drs. H.T.A. Nijhuis, allen werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. M.R.J. Baneke, advocaat te Nijmegen, en ir. N. Jeurink, werkzaam bij Tauw bv.

2. Overwegingen

Intrekking

2.1. Ter zitting hebben de vereniging en anderen de beroepsgrond inhoudende dat de op grond van artikel 7:39 van de Wet milieubeheer verplicht op te stellen evaluatie van de milieueffecten van het plan ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen, ingetrokken.

Toetsingskader

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.3. Het plan voorziet in een tweede stadsbrug over de Waal met aansluitende infrastructuur in Nijmegen. De stadsbrug verbindt het te ontwikkelen woongebied 'de Waalsprong' ten noorden van de Waal met de stad Nijmegen ten zuiden van de Waal. Het tracé van de brug zal aansluiten op de Energieweg. Vanaf het Industrieplein zal de Energieweg in noordelijke richting worden verlengd. Het plan voorziet tevens in een (herstructurering van een) bedrijventerrein, grenzend aan de nieuwe infrastructuur.

Formele bezwaren

2.4. De vereniging en anderen betogen dat de terinzagelegging van de stukken gebrekkig is verlopen nu twee verschillende lijsten in omloop zijn gebracht waarop de stukken zijn vermeld die bij het ontwerpbestemmingsplan horen. De inhoud van die lijsten wijkt bovendien af van inhoud van de Cd-rom die de gemeente heeft gezonden aan diegenen die om informatie omtrent de stukken hebben gevraagd. Bovendien bevat de Cd-rom die ten tijde van de tweede terinzagelegging van het ontwerpplan in omloop is gebracht minder stukken dan de Cd-rom die ten tijde van de eerste terinzagelegging van het ontwerpplan in omloop is gebracht. Verder stellen de vereniging en anderen dat de startnotitie ten behoeve van het milieueffectrapport "Stadsbrug 2004", het richtlijnenadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie m.e.r.), de Studie Rivierovergangen 2002 (hierna: de Studie Rivierovergangen), de Koepelnotitie Waaloverschrijdende projecten (hierna: de Koepelnotitie), de Trajectnota/MER A50 Ewijk-Grijsoord en de Trajectnota/MER doortrekking A73 ten onrechte niet ter inzage zijn gelegd met het ontwerpplan.

2.4.1. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.4.2. De raad stelt dat bij de tweede terinzagelegging van het ontwerpplan alle op het plan betrekking hebbende stukken ter inzage zijn gelegd en wijst daarbij op de lijst "stukken behorend bij project bestemmingsplan Stadsbrug" (hierna: de lijst). Met de constatering dat er twee verschillende lijsten in omloop zijn gebracht en dat de inhoud van die lijsten afwijkt van de inhoud van de aan de vereniging en anderen toegestuurde cd-rom, is niet aannemelijk gemaakt dat de stukken die op bovengenoemde lijst staan niet daadwerkelijk ter inzage hebben gelegen gedurende de tweede termijn van de tervisielegging van het ontwerpplan. De Afdeling acht het aannemelijk dat de overige door de vereniging en anderen genoemde stukken niet met het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen, nu deze stukken niet zijn vermeld op de lijst. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat het milieueffectrapport "Stadsbrug 2004" tezamen met het milieueffectrapport "Stadsbrug 2006 Uitwerking inrichtingsaspecten" (hierna tezamen: het MER) ter inzage is gelegd en dat niet de startnotitie of de richtlijnen, maar het MER het hulpmiddel is bij de besluitvorming over het bestemmingsplan. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de startnotitie en het richtlijnenadvies van de Commissie m.e.r. niet redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerpplan, zodat die stukken niet ter inzage behoefden te worden gelegd.

De door de vereniging en anderen genoemde trajectnota's zijn niet opgesteld ten behoeve van het onderhavige plan. Gelet hierop betreffen het naar het oordeel van de Afdeling evenmin op het ontwerpplan betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 3:11 van de Awb, zodat ook deze stukken niet ter inzage hoefden te worden gelegd met het ontwerpplan.

Ten aanzien van de Studie Rivierovergangen en de Koepelnotitie overweegt de Afdeling dat, daargelaten het antwoord op de vraag of deze stukken redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerpplan, vast staat dat de vereniging en anderen beschikken over deze stukken en dat zij deze stukken bij hun zienswijze omtrent het ontwerpplan hebben betrokken. Niet aannemelijk is dat andere belanghebbenden dan de vereniging en anderen hebben afgezien van het naar voren brengen van een zienswijze omdat de stukken niet met het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen. De stukken worden immers in het MER genoemd en aangenomen mag worden dat eventuele andere belanghebbenden een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin zou zijn gewezen op het niet ter inzage liggen van de stukken, dan wel dat zij, na desgevraagd inzage gekregen te hebben in de stukken, na kennisneming daarvan een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat aannemelijk is dat de vereniging en anderen en andere belanghebbenden niet zijn benadeeld doordat de Studie Rivierovergangen en de Koepelnotitie niet met het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen.

2.5. De Koopvaart stelt dat zij ten onrechte niet persoonlijk in kennis is gesteld van de terinzagelegging van het vastgestelde plan. Zij voert hiertoe aan dat zij, hoewel het gemeentebestuur hiertoe niet verplicht is, in diverse stadia van de procedure door de raad persoonlijk in kennis is gesteld en dat zij er daarom op mocht vertrouwen dat zij ook persoonlijk in kennis zou worden gesteld van de terinzagelegging van het vastgestelde plan.

Dienaangaande overweegt de Afdeling dat is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging. In de WRO, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een vastgesteld bestemmingsplan. In het aangevoerde ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het gemeentebestuur uit het oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding had moeten zien De Koopvaart persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van het vastgestelde plan.

Luchtkwaliteit

2.6. [appellanten sub 2], de vereniging en anderen en [appellant sub 5] en anderen betogen dat het aan het plan ten grondslag gelegde luchtkwaliteitsonderzoek ondeugdelijk is omdat daarin is uitgegaan van verkeerde invoergegevens en onjuiste aannames.

2.6.1. In het kader van de vaststelling van het plan is getoetst aan het Besluit luchtkwaliteit 2005, alsmede aan de op 15 november 2007 in werking getreden Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen). In het bestreden besluit wijst het college erop dat het project 'Nijmegen Stadsbrug en Energieweg' als 'in betekenende mate' project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: het NSL) dat is vastgesteld op grond van artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer en op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Het college stelt dat daaruit volgt dat het plan gerealiseerd kan worden.

2.6.2. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden (Stb. 2007, 414). Tevens zijn op 15 november 2007 het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 in werking getreden. Bij de Wet van 11 oktober 2007 is het Besluit luchtkwaliteit 2005 ingetrokken en is titel 5.2 van de Wet milieubeheer over luchtkwaliteitseisen in werking getreden. Ingevolge het in deze wet opgenomen overgangsrecht zijn op een bestemmingsplan dat na de inwerkingtreding van deze wet is vastgesteld de bepalingen over luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer van toepassing. Dit is voor het onderhavige plan het geval, nu dat op 23 april 2008 is vastgesteld.

2.6.3. In titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn regels gesteld met betrekking tot de luchtkwaliteit.

Ingevolge artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, stelt de minister van VROM (thans: Infrastructuur en Milieu) met betrekking tot de in bijlage 2 opgenomen grenswaarde die op of na het daarbij behorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, een programma vast dat is gericht op het bereiken van die grenswaarde.

Ingevolge artikel 5.12, tiende lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, kan de minister het programma wijzigen indien naar zijn oordeel uit de rapportages, bedoeld in artikel 5.14, naar voren komt dat de effecten op de luchtkwaliteit van in het programma genoemde of beschreven ontwikkelingen, voorgenomen besluiten of maatregelen, niet of niet langer in redelijkheid kunnen worden gehanteerd bij de uitoefening van de in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d bedoelde bevoegdheden.

Ingevolge artikel 5.14 rapporteren de daartoe in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, of 5.13, eerste lid, aangewezen bestuursorganen jaarlijks voor 1 juli aan de minister van VROM (thans: Infrastructuur en Milieu) over de voortgang en uitvoering van een programma en de daarin opgenomen maatregelen, ontwikkelingen en besluiten, alsmede over de effecten daarvan op de luchtkwaliteit.

Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, samen met het tweede lid, onder c, - voor zover thans van belang - kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden vastgesteld indien dit besluit is genoemd in een op grond van artikel 5.12, eerste lid, vastgesteld programma.

2.6.4. Ingevolge artikel 5.16, derde lid van de Wet milieubeheer, is voor besluiten welke zijn opgenomen in het NSL geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit meer nodig. Gelet daarop kan de omstandigheid dat de realisering van het project gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gelet op het bepaalde in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, gelezen in samenhang met het tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer, niet aan vaststelling van het plan in de weg staan. Hoewel het NSL nog niet in werking was ten tijde van de vaststelling van het plan, dienen besluiten omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan te worden genomen met inachtneming van het recht zoals dat geldt ten tijde van het nemen van dat besluit. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit niet behoefde te worden getoetst aan de normen voor luchtkwaliteit en kan hetgeen [appellanten sub 2], de vereniging en anderen en [appellant sub 5] en anderen in dit verband hebben aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

De vereniging en anderen hebben in een nader stuk en ter zitting betoogd dat de uitgangspunten die bij het opstellen van het NSL zijn gebruikt inmiddels achterhaald zijn. Hiertoe wordt aangevoerd dat inmiddels is gebleken dat de emissie van stikstofdioxide (NO2) vanwege wegverkeer naar boven dient te worden bijgesteld, dat het aandeel zeezout in zwevende deeltjes (PM10) te hoog is ingeschat en dat ten onrechte is uitgegaan van de invoering van kilometerbeprijzing nu dit waarschijnlijk geen doorgang zal vinden. Voorts wordt betoogd dat de zogenoemde monitoringstool, die wordt gebruikt om te beoordelen of de doelstellingen van het NSL worden gehaald, volgens een rapport van het RIVM op dit moment onzekere uitkomsten geeft.

De Afdeling stelt voorop dat niet het besluit tot vaststelling van het NSL ter beoordeling voorligt. Tegen dat besluit kan ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met onderdeel C, onder 3, van de bijlage bij die wet geen beroep worden ingesteld. Artikel 8:5, eerste lid, van de Awb staat evenwel niet in de weg aan de mogelijkheid van een zogeheten exceptieve toetsing van het NSL-besluit aan artikel 5.12 van de Wet milieubeheer en de bij die wet behorende bijlage 2. In dit verband overweegt de Afdeling dat het NSL ingevolge artikel 5.12 van de Wet milieubeheer gericht moet zijn op het bereiken van de in bijlage 2 van die wet opgenomen grenswaarden. De Wet milieubeheer voorziet via de in artikel 5.14 geregelde jaarlijkse rapportages over de voortgang en uitvoering van het programma, en de in artikel 5.12, tiende lid, opgenomen bevoegdheid om het programma aan te passen indien deze rapportages daartoe aanleiding geven, in een systeem waarbij het programma gericht blijft op het bereiken van de grenswaarden. Uit deze systematiek volgt naar het oordeel van de Afdeling dat het enkele feit dat de uitgangspunten die bij het opstellen van het programma zijn gebruikt gedurende de looptijd van het programma mogelijkerwijs bijstelling behoeven, niet meebrengt dat het programma in strijd is met artikel 5.12 van de Wet milieubeheer. Wanneer geen adequate uitvoering wordt gegeven aan de in artikel 5.14 bedoelde jaarlijkse rapportages en de mogelijkheid om het programma naar aanleiding van die rapportages aan te passen, kan dit mogelijk meebrengen dat het programma niet langer kan worden geacht te zijn gericht op het bereiken van de grenswaarden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat deze situatie zich op dit moment voordoet. Het feit dat het RIVM meent dat de monitoringstool op dit moment tot onzekere uitkomsten leidt, geeft onvoldoende aanleiding voor die conclusie. Gelet hierop faalt het betoog van de vereniging en anderen.

Gelet op het vorenstaande behoeft hetgeen de vereniging en anderen en [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd omtrent de aan het plan ten grondslag liggende verkeersonderzoeken geen bespreking meer, nu met die beroepsgronden is beoogd te betogen dat aan de hand van die verkeersonderzoeken de effecten van het plan op de luchtkwaliteit onjuist zijn beoordeeld. Gelet hierop behoeft hun betoog dat het plan leidt tot een verslechtering van de milieukwaliteitmaat, alsmede het betoog van de vereniging en anderen dat niet op alle bedenkingen inzake luchtkwaliteit afzonderlijk is ingegaan evenmin bespreking meer. Dit geldt evenzeer voor het betoog van [appellant sub 5] dat de effecten van de rechtsafaansluiting niet volledig zijn meegenomen in de verkeersonderzoeken.

Het beroep van De Koopvaart voor het overige

2.7. De Koopvaart stelt dat zij onevenredig in haar belangen wordt geschaad doordat haar bedrijfspand aan de Koopvaardijweg 3 gedeeltelijk is wegbestemd ten gunste van de verkeersbestemming. Zij voert hiertoe aan dat niet is gegarandeerd dat de gemeente binnen de planperiode tot aankoop van de voor realisering van de verkeersbestemming benodigde gronden zal overgaan. Indien de gemeente niet zal overgaan tot verwerving van het gehele bedrijfspand zullen bovendien zeer grote investeringen nodig zijn om het pand aan te passen aan de nieuwe situatie. Dat De Koopvaart schadeloos zal worden gesteld, heeft gevolgen voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan. In dit verband vreest De Koopvaart voorts dat alleen de verkeersbestemming zal worden gerealiseerd en dat het bedrijventerrein niet zal worden geherstructureerd. Dat in artikel 4.3. van de planvoorschriften is voorzien in de bevoegdheid de bestemming "Verkeer (V)" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf (B)" geeft aan dat ook de raad twijfelt aan de uitvoerbaarheid van het plan, aldus De Koopvaart.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden waarop het pand van De Koopvaart is gesitueerd vooralsnog niet worden betrokken bij de herstructurering van het bedrijventerrein. Slechts een deel van het perceel met opstal moet wijken voor de aanleg van de nieuwe infrastructuur. Met betrekking tot de kosten die zijn gemoeid met de aanpassing van het perceel en het bedrijfspand aan de nieuwe situatie stelt de raad dat De Koopvaart volledig schadeloos zal worden gesteld. Vanwege de gevolgen van een gedeeltelijke onteigening heeft de gemeente evenwel aangeboden het gehele perceel met opstal aan te kopen. Partijen zijn het in minnelijk overleg echter niet eens geworden, waardoor is overgegaan tot onteigening van de voor realisering van het plan benodigde gronden. In dat kader kan De Koopvaart op basis van artikel 38 van de onteigeningswet alsnog vorderen dat het gehele perceel met opstal wordt aangekocht. De raad stelt voorts dat voor realisering van het plan een sluitende exploitatie is vastgesteld die elk half jaar wordt geactualiseerd en waarbij rekening is gehouden met zowel gedeeltelijke als gehele verwerving van het perceel van De Koopvaart, zodat beide varianten financieel uitvoerbaar zijn. Ook anderszins twijfelt de raad niet aan de uitvoerbaarheid van het plan. In dit verband wordt toegelicht dat aan de gronden die nodig zijn voor realisering van de brug en de aansluitende infrastructuur de bestemming "Verkeer (V)" is toegekend zonder dat is voorzien in de bevoegdheid de bestemming "Verkeer (V)" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf (B)".

2.7.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat De Koopvaart onevenredig in haar belangen wordt geschaad als gevolg van het plan. In dat verband acht zij van belang dat De Koopvaart zich niet in het algemeen verzet tegen de nieuwe ontwikkeling. Hierbij neemt de Afdeling verder in aanmerking dat zij schadeloos zal worden gesteld en dat artikel 38 van de onteigeningswet onder voorwaarden de mogelijkheid biedt in het kader van een onteigeningsprocedure te vorderen dat het gehele bedrijfspand dan wel het gehele perceel zal worden overgenomen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is verzekerd. De Afdeling ziet evenmin anderszins aanleiding voor twijfel aan de uitvoerbaarheid van het plan. Hiertoe stelt de Afdeling vast dat artikel 4.3. van de planvoorschriften slechts ten aanzien van een zeer beperkt deel van de verkeersbestemming voorziet in de mogelijkheid deze te wijzigen in de bestemming "Bedrijf categorie 2 (B2)" en alleen voor zover de bereikbaarheid van de Kanaalstraat, Mercuriusstraat en de Weurtseweg voor gemotoriseerd verkeer voldoende is gewaarborgd. Niet is aannemelijk gemaakt dat de herstructurering van het bedrijventerrein niet binnen de planperiode zal kunnen worden gerealiseerd.

2.7.3. De conclusie is dat hetgeen De Koopvaart heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige

2.8. [appellanten sub 2 A] is eigenaar van het pand aan de [locatie 1] te Nijmegen, dat sinds 20 jaar in gebruik is bij [appellanten sub 2 B] Zij kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover dat geen reële uitbreidingsmogelijkheden biedt. Dat het plan de mogelijkheid biedt hoger te bouwen dan het vorige plan betreft geen reële uitbreidingsmogelijkheid, [appellanten sub 2 B] heeft vanwege de aard van haar bedrijfsactiviteiten behoefte aan uitbreidingsruimte op maaiveldniveau.

Het bieden van een uitbreidingsmogelijkheid van 10% is volgens hen gebruikelijk in het kader van de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Hoewel [appellanten sub 2 B] geen concrete uitbreidingsplannen heeft, voorziet zij dat binnen afzienbare tijd schaalvergroting nodig zal zijn. De op het perceel van toepassing zijnde wijzigingsbevoegdheid, op grond waarvan de bestemming "Bedrijf categorie 2 (B2)" kan worden gewijzigd in de bestemming "Gemengd categorie 2 (GD2)", achten [appellanten sub 2] voorts in strijd met de rechtszekerheid, nu daardoor onduidelijk is welke planologische regeling de raad beoogt voor het perceel. Zij stellen verder dat geen ruimtelijk belang is gediend met de wijzigingsbevoegdheid, nu uit de planvoorschriften volgt dat de bedrijfsactiviteiten van [appellanten sub 2 B] kunnen worden voortgezet onder de bestemming "Gemengd categorie 2 (GD2)"

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het voorliggende plan, in tegenstelling tot het vorige plan, uitbreiding mogelijk maakt nu het bebouwingspercentage is verhoogd van 75% naar 80% en de maximale bouwhoogte is verhoogd. Verder is het met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk op het perceel twee vrijstaande gebouwen te realiseren. Indien het bedrijf ervoor kiest haar activiteiten op de huidige locatie voort te zetten, is dit op grond van het plan toegestaan. Mocht [appellanten sub 2 B] in de toekomst er echter voor kiezen haar activiteiten elders voort te zetten, dan voorziet de wijzigingsbevoegdheid, naast het huidige gebruik voor bedrijven in categorie 1 tot en met 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, tevens in een aantal andere functies zoals bijvoorbeeld bijbehorende kantoren en dienstverlenende bedrijven, zodat een geschikt bedrijf voor deze locatie kan worden gevonden.

2.8.2. In het deskundigenbericht staat dat het maximale bebouwingspercentage in de vorige planregeling was beperkt tot 75% van het bouwperceel en in het voorliggende plan is beperkt tot 80% van het bouwperceel. Dit biedt in beginsel 5% extra mogelijkheid tot bebouwing. Hiervoor is enigszins ruimte beschikbaar op de aan de zuid- en noordzijde gelegen stroken; thans is ongeveer 60% van het perceel bebouwd. [appellanten sub 2] hebben niet kunnen aangeven welke soort uitbreiding zij voorstaan en hoeveel extra bebouwing daarmee gemoeid is. De opsteller van het deskundigenbericht acht het denkbaar dat de geboden 5% uitbreidingsruimte daarvoor te weinig is. Anderzijds is het perceel al dermate dicht bebouwd dat een significante schaalvergroting al gauw op fysieke beperkingen zal stuiten, aldus het deskundigenbericht.

2.8.3. De Afdeling stelt vast dat [appellanten sub 2 B] haar bestaande activiteiten ter plaatse kan voortzetten en dat het plan een uitbreidingsruimte biedt van 5% ten opzichte van het vorige plan. In de omstandigheid dat niet tegemoet is gekomen aan de uitbreidingswens van 10% van [appellanten sub 2], ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat zij onevenredig in hun belangen worden geschaad door het plan in zoverre. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet in geschil is dat bij het gemeentebestuur geen concrete uitbreidingsplannen zijn ingediend waar de raad bij de vaststelling van het plan rekening mee diende te houden.

In het aangevoerde ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de aan het perceel toegekende wijzigingsbevoegdheid in strijd is met de rechtszekerheid. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bestaande bedrijfsactiviteiten kunnen worden voortgezet onder de bestemming "Gemengd categorie 2 (GD2)". Eerst ter zitting is namens [appellanten sub 2] betoogd dat de wijzigingsbepaling niet door voldoende objectieve normen wordt begrensd. Dit is in dit stadium van de procedure, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze grond daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

2.9. [appellanten sub 2] betogen verder dat in strijd met artikel 38a van de Monumentenwet 1988 onvoldoende onderzoek is gedaan naar de in het plangebied aanwezige archeologische waarden. Zij voeren hiertoe aan dat in de plantoelichting staat dat niet het gehele plangebied is onderzocht en dat de gehanteerde onderzoeksmethode niet geschikt is om graven op te sporen die in het gebied worden verwacht. Bovendien staat in de plantoelichting dat met name op de pijlerlocaties nader onderzoek zal moeten worden verricht door de aanleg van enkele proefsleuven.

Een dergelijk nader onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden en met de stelling van het college dat langs privaatrechtelijke weg zal worden vastgelegd dat het benodigde vervolgonderzoek zal worden uitgevoerd, is volgens [appellanten sub 2] niet voldaan aan het bepaalde in artikel 38a van de Monumentenwet 1988.

2.9.1. In artikel 38a van de Monumentenwet 1988, zoals dat luidde ten tijde van de vaststelling van het plan, is bepaald dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

In het kader van het plan heeft RAAP Archeologisch adviesbureau een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, bestaande uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen tot maximaal 1,8 meter onder het maaiveld. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de RAAP-notitie 1005, Plangebied Stadsbrug-Westtangent, van februari 2005 (hierna: de notitie). Voor het gebied geldt een middelmatige tot hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen, aldus de notitie. De gehanteerde methode wordt geschikt geacht voor het opsporen van de meeste in dit gebied te verwachten sporen van bewoning uit de periode Bronstijd tot en met Late Middeleeuwen. De methode is niet geschikt om graven, verkavelinsgpatronen en andere zeer lokale archeologische resten in kaart te brengen. Aan de hand van het bureauonderzoek wordt in de notitie geconcludeerd dat er opvallend weinig vondstmeldingen bekend zijn, ondanks het feit dat de Romeinse stad Ulpia Noviomagus in de nabijheid van het plangebied lag. Aan de hand van het veldonderzoek wordt in de notitie geconcludeerd dat in het gehele plangebied intensieve bodemverstoringen hebben plaatsgevonden. Het oorspronkelijke bodemprofiel is verdwenen. Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen, metaal, bot, verbrande leem en fosfaatvlekken aangetroffen. Naar verwachting zal er als gevolg van de geplande werkzaamheden geen verstoring van archeologische waarden optreden. RAAP doet dan ook geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek.

De gronden van het plangebied die niet zijn onderzocht door RAAP betreffen volgens het deskundigenbericht gronden waarop bestemmingen rusten die niet tot verstoring van het bodemarchief leiden of gronden die reeds zijn bebouwd. In het deskundigenbericht wordt de conclusie van RAAP, dat geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek worden gedaan, niet onderschreven voor zover betrekking hebbende op de gronden met de bestemming "Verkeer-brug (BR)" waar onder meer de pijlers van de brug zijn voorzien. De fundering van deze pijlers zal dieper in de grond worden aangebracht dan 1,8 meter. Het feit dat er in de lagen tot 1,8 meter diepte geen archeologische relicten zijn gevonden, sluit niet uit dat dergelijke relicten op grotere diepte wel kunnen worden aangetroffen, aldus het deskundigenbericht.

2.9.2. Ter zitting is van de zijde van de raad toegelicht dat de exacte locaties van de pijlers van de brug nog niet bekend waren op het moment waarop het archeologisch vooronderzoek werd uitgevoerd. De raad stelt dat nader archeologisch onderzoek eerst plaatsvindt bij de uitvoering van de werkzaamheden, op basis van een door bureau Archeologie en Monumenten op te stellen Programma van Eisen waarin beschreven wordt hoe werkzaamheden worden begeleid en hoe met eventueel aan te treffen archeologische waarden moet worden omgegaan. Deze procesafspraken zijn vastgelegd in de aanbestedingsovereenkomst met bouwcombinatie BAM/Max Bogl. Verder is inmiddels een parapluplan "Archeologie Nijmegen" in voorbereiding waarin de archeologische waarden door middel van een dubbelbestemming, met aanlegvergunning, worden beschermd. Na inwerkingtreding van dat plan geldt voor het grondgebied in Nijmegen, waarvoor nog geen beschermend regime in een bestemmingsplan is opgenomen ten behoeve van archeologische waarden, het regime van het parapluplan. Naar verwachting wordt het parapluplan begin 2011 vastgesteld, aldus de raad.

Gelet op de conclusie in de RAAP-notitie dat in het gehele plangebied intensieve bodemverstoringen hebben plaatsgevonden en dat er naar verwachting als gevolg van de geplande werkzaamheden geen verstoring van archeologische waarden zal optreden, acht het college het opnemen van een aanlegvergunningstelsel in de planvoorschriften niet nodig. Eventuele archeologische waarden in het plangebied worden volgens het college voldoende beschermd doordat langs privaatrechtelijke weg is vastgelegd dat het benodigde vooronderzoek zal worden uitgevoerd.

2.9.3. De Afdeling is van oordeel dat met het archeologisch vooronderzoek is voldaan aan artikel 38a van de Monumentenwet 1988. Dat niet het gehele plangebied is onderzocht, leidt niet tot een ander oordeel, gelet op hetgeen daaromtrent is gesteld in het deskundigenbericht. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat niet de juiste onderzoeksmethode is gebruikt. In de RAAP-notitie staat immers dat voor het plangebied een middelmatige tot hoge archeologische verwachting geldt voor vindplaatsen uit de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen en dat de gehanteerde methode geschikt wordt geacht voor het opsporen van de meeste in dit gebied te verwachten sporen van bewoning uit die periode. De stelling in de plantoelichting dat in het gebied graven worden verwacht gelet op de ligging van de Romeinse stad Ulpia Noviomagus in de nabijheid van het plangebied, wordt weersproken door de RAAP-notitie waarin staat dat het gebied met de hoge dichtheid aan archeologische vindplaatsen gerelateerd aan de Romeinse stad Ulpia Noviomagus zich buiten het plangebied bevindt. Dat het nader archeologisch onderzoek op de locaties van de pijlers van de brug nog moet worden verricht, brengt voorts niet met zich dat in dit geval met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten geen rekening is gehouden bij de vaststelling van het plan, mede ook in het licht van genoemd Programma van Eisen en de ter zake met genoemde bouwcombinatie gemaakte afspraken. Onder deze omstandigheden heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de mogelijke archeologische waarden voldoende rekening zal worden gehouden.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

2.11. [appellant sub 5] stelt dat de Wolfkuilseweg en de wijk Hees minder goed bereikbaar worden door de voorziene aansluiting van de Wolfkuilseweg en de Ambachtsweg op de Energieweg door middel van onderscheidenlijk een rechtsafaansluiting en een minirotonde. Dat voor een rechtsafaansluiting is gekozen om sluipverkeer vanuit het centrum richting de A73 via de Wolfkuilseweg tegen te gaan, acht [appellant sub 5] een onvoldoende draagkrachtige motivering. Volgens hem bestaan er alternatieve maatregelen om sluipverkeer tegen te gaan. Deze zijn onvoldoende onderzocht. Bovendien biedt de rechtsafaansluiting geen oplossing voor sluipverkeer vanaf de A73 richting het centrum en werkt het belemmerend voor bestemmingsverkeer. Dat vanwege ruimtegebrek ter plaatse geen minirotonde kan worden gerealiseerd is voorts onjuist nu de stamlijn niet meer wordt gebruikt. De stelling van de raad dat de rechtsafaansluiting dient ter bevordering van de doorstroming van het verkeer op de Energieweg strookt voorts niet met het voornemen om op het tracé van de Energieweg vier oversteekplaatsen voor fietsers en voetgangers te realiseren, aangezien dit een negatief effect op de doorstroming van het verkeer zal hebben. Deze oversteekplaatsen zullen bovendien verkeersonveilig zijn nu zij niet zullen worden voorzien van verkeersregelinstallaties. Als gevolg van het plan in zoverre zal het verkeer in Hees toenemen, omdat het lokale verkeer via andere routes door Hees naar de A73 zal moeten rijden. Uit het MER blijkt bijvoorbeeld dat de Kerkstraat 46% meer verkeer krijgt te verwerken. [appellant sub 5] acht verder onvoldoende gemotiveerd dat de Wolfkuilseweg meer beperkingen in de aansluiting op de Energieweg krijgt dan de minder drukke Ambachtsweg en acht het tegenstrijdig dat de raad stelt dat prioriteit wordt gegeven aan lokaal verkeer terwijl de wijk Hees niet de meest optimale aansluiting krijgt ten gunste van de doorstroming van bovenlokaal verkeer. [appellant sub 5] betoogt ten slotte dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd nu het college niet is ingegaan op al zijn bedenkingen.

2.11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de bereikbaarheid van Hees niet verslechtert als gevolg van het plan in zoverre; in de huidige situatie is Hees bereikbaar voor verkeer op de Energieweg zowel vanuit de Neerbosscheweg als het Industrieplein en blijft dat ook in de toekomstige situatie, alleen moet het verkeer vanuit het Industrieplein doorrijden tot de rotonde met de Ambachtsweg om de afslag bij de Wolfkuilseweg te kunnen nemen. Het college heeft voorts ingestemd met het standpunt van de raad dat het dichtmaken van de middenberm van de Energieweg in de eerste plaats dient om de verkeersveiligheid te garanderen. Met de verwachte verkeersintensiteiten en de gewenste doorstroming is het niet duurzaam veilig om linksaf in- en uitvoegend verkeer toe te staan. Het tegengaan van sluipverkeer is een bijkomend positief effect dat opweegt tegen het nadeel dat een deel van het bestemmingsverkeer naar Hees een mogelijke omrijroute moet nemen. In dit verband is het belang van de bewoners van Hees om gebruik te kunnen maken van een linksafaansluiting op de Energieweg afgezet tegen het belang van doorstroming, verkeersveiligheid en het weren van wijkvreemd verkeer uit andere delen van Nijmegen door sluipverkeer via de Wolfkuilseweg richting de A73 te ontmoedigen. Het college heeft ingestemd met de keuze van de raad laatstgenoemde belangen zwaarder te laten wegen. Sluipverkeer vanuit de A73 via de Wolfkuilseweg naar het centrum acht het college niet voor de hand liggen. Uit de verkeersonderzoeken blijkt voorts dat het verkeer in Hees weliswaar zal toenemen als gevolg van het plan in zoverre, maar dat de norm voor erftoegangswegen van maximaal 5000 mvt/etmaal niet zal worden overschreden. Bovendien zal het deel van het verkeer dat kiest voor een langere route door Hees kleiner zijn dan de afname van de verkeersintensiteit op de Wolfkuilseweg. Het college wijst er voorts op dat in het MER staat dat het daarin genoemde percentage van 46% dient te worden gerelativeerd; vanwege de lage verkeersintensiteit in de uitgangspositie is de onnauwkeurigheid van het model groter dan bij wegen met een hogere verkeersintensiteit. Deze onnauwkeurigheid kan oplopen tot 20%, terwijl dat in andere gevallen rond 10% ligt. Het college stelt voorts dat het verschil in aansluiting van onderscheidenlijk de Wolfkuilseweg en de Ambachtsweg op de Energieweg erin is gelegen dat een volledige aansluiting van de Wolfkuilseweg op de Energieweg sluipverkeer mogelijk maakt vanuit het centrum, terwijl een volledige aansluiting van de Ambachtsweg op de Energieweg dat effect niet heeft. Het college stelt verder dat de oversteekplaatsen voor fietsers en voetgangers zo zullen worden uitgevoerd dat de doorstroming van het verkeer op de Energieweg zo min mogelijk wordt beperkt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat twee oversteekplaatsen zullen worden gerealiseerd die vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid worden voorzien van verkeersregelinstallaties die zodanig zullen worden afgesteld dat de doorstroming van het verkeer op de Energieweg zo min mogelijk wordt beperkt. Nu uit de verkeersonderzoeken is gebleken dat de rechtsafaansluiting een positief effect heeft op de omvang van het wijkvreemd verkeer op de Wolfkuilseweg, heeft de raad naar het oordeel van het college voorts geen aanleiding hoeven zien de effecten van alternatieve maatregelen te onderzoeken. Het betoog van [appellant sub 5] dat het tegenstrijdig is dat de raad stelt dat prioriteit wordt gegeven aan lokaal verkeer terwijl de wijk Hees niet de meest optimale aansluiting krijgt ten gunste van de doorstroming van bovenlokaal verkeer, berust volgens het college op een onjuiste lezing van het standpunt van de raad door [appellant sub 5], nu de raad juist heeft gesteld dat bovenlokale belangen in dit geval zwaarder wegen dan lokale belangen.

2.11.2. Aan de hand van het vorenstaande stelt de Afdeling vast dat het college niet is ingegaan op het betoog van [appellant sub 5] dat het standpunt dat de Wolfkuilseweg niet door middel van een minirotonde op de Energieweg kan worden aangesloten als gevolg van ruimtegebrek vanwege de ter plaatse gelegen goederenspoorlijn onjuist is nu deze niet meer wordt gebruikt.

Dit betreft naar het oordeel van de Afdeling geen afzonderlijke bedenking maar een van de argumenten voor de bedenking dat de keuze voor een rechtsafaansluiting van de Wolfkuilseweg op de Energieweg onvoldoende is gemotiveerd. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een bedenking is ingegaan, is echter op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Gelet op hetgeen onder 2.11.1. is vermeld, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de keuze voor de rechtsafaansluiting onvoldoende is gemotiveerd. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad de belangen die zijn gemoeid met doorstroming, verkeersveiligheid en het weren van wijkvreemd verkeer uit andere delen van Nijmegen door sluipverkeer via de Wolfkuilseweg richting de A73 te ontmoedigen in dit geval zwaarder te laten wegen dan het belang van de bewoners van Hees om gebruik te kunnen maken van een linksafaansluiting op de Energieweg. Het college heeft in dit verband kunnen concluderen dat het betoog van [appellant sub 5], dat de raad stelt prioriteit te geven aan lokaal verkeer boven bovenlokaal verkeer maar dat het plan niet zodanig is ingericht, berust op een onjuiste lezing van dat standpunt van de raad door [appellant sub 5]. Er bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het realiseren van oversteekplaatsen op het tracé van de Energieweg in strijd is met de gewenste doorstroming op die weg, dan wel zal leiden tot verkeersonveilige situaties, gelet op hetgeen de raad daaromtrent ter zitting heeft toegelicht en dat is vermeld onder 2.11.1. De toename van verkeer in Hees als gevolg van het plan in zoverre heeft het college voorts niet onaanvaardbaar hoeven achten, nu de norm voor erftoegangswegen niet zal worden overschreden en de verkeersintensiteiten op de Wolfkuilseweg bovendien zullen afnemen. Het verschil in aansluiting van onderscheidenlijk de Wolfkuilseweg en de Ambachtsweg op de Energieweg is in het bestreden besluit voorts afdoende toegelicht. De Afdeling overweegt verder dat [appellant sub 5] het standpunt van het college, dat niet voor de hand ligt dat sluipverkeer vanuit de A73 via de Wolfkuilseweg naar het centrum zal ontstaan, niet heeft bestreden en dat [appellant sub 5] in zijn beroepschrift, bedenkingen dan wel zienswijze geen alternatieve maatregelen heeft genoemd die volgens hem geschikt zouden zijn ter voorkoming van sluipverkeer in omgekeerde richting. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf bovendien geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 5] en anderen voor het overige en van de vereniging en anderen voor het overige.

2.13. [appellant sub 5] en anderen en de vereniging en anderen kunnen zich niet verenigen met de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Gemengd categorie 5 (GD5)", voor zover toegekend aan de strook grond gelegen langs de oostzijde van de Energieweg ter hoogte van de kruising met de Dr. de Blécourtstraat, dat voorheen deel uitmaakte van het sportpark Schoonhorst. Zij stellen dat de Energieweg altijd is beschouwd als een natuurlijke grens tussen het voormalige dorp Hees en het bedrijventerrein en dat met het plandeel het bedrijventerrein in de richting van Hees wordt uitgebreid ten koste van de zogenoemde bufferzone Hees en in strijd met beleidsafspraken neergelegd in de Structuurvisie Nijmegen 1991 (hierna: de structuurvisie). [appellant sub 5] en anderen wijzen in dit verband voorts op het bestemmingsplan "Hees-Heseveld", het milieubeleidsplan en het mobiliteitsplan. [appellant sub 5] en anderen betogen dat de wijziging van de recreatieve bestemming van de strook grond in de bestemming "Gemengd categorie 5 (GD5)" geen verband houdt met de verwezenlijking van de Stadsbrug, maar is ingegeven door de noodzaak gelden te fourneren voor de herinrichting van sportpark Schoonhors[appellant sub 5] en anderen en de vereniging en anderen wijzen er voorts op dat het plan niet voorziet in de ontwikkeling van Park West in het gebied ten zuiden van Wolfkuilseweg tot aan de Neerbosscheweg als buffer tussen het industriegebied en Hees. In het kader van de voorbereiding van het plan is voorts toegezegd dat groene scheidingsgebieden zullen worden ingericht door de aanplant van bomenrijen en 'groene' geluidsschermen, dergelijke maatregelen zijn ten onrechte niet in het bestemmingsplan verankerd, aldus [appellant sub 5] en anderen. [appellant sub 5] en anderen en de vereniging en anderen betogen voorts dat ten onrechte geen gezondheidseffectscreening is opgesteld waarin inzichtelijk wordt gemaakt wat de gevolgen zijn van het plan voor de gezondheid van de inwoners van Nijmegen.

2.13.1. Het college heeft ingestemd met het standpunt van de raad dat de structuurvisie achterhaald is door het "Actualisatie Kansenboek 2007" (hierna: het kansenboek) en het koersdocument "Koers West" (hierna: het koersdocument). Ten aanzien van beide beleidsdocumenten hebben in het verleden inspraakprocedures plaatsgevonden. De bescherming van de bufferzone Hees is thans opgenomen in het bestemmingsplan "Hees-Heseveld". Het college stelt zich op het standpunt dat de bestemmingswijziging kleinschalig is en is ingegeven door de wens om de rotonde in het tracé van de Energieweg door middel van bebouwing af te schermen van het achterliggende gebied. Er is geen sprake van een uitbreiding van het industrieterrein nu de bestemming "Gemengd categorie 5 (GD5)" ter plaatse slechts lichte bedrijvigheid toestaat zoals kantoren, dienstverlenende bedrijven en sociale, maatschappelijke en culturele voorzieningen. Het college heeft verder ingestemd met het standpunt van de raad dat die bestemming goed past bij de functies die reeds in de nabije omgeving aanwezig zijn zoals sportvelden, een school en kantoren.

Park West maakt geen deel uit van het stadsbrugtracé en valt daarmee buiten het plangebied. Het park is reeds grotendeels gerealiseerd, alleen het strookje grond bij de kruising van de Wolfkuilseweg met de Energieweg moet nog worden ingericht en betrokken bij het park. Het gebied vanaf de Wolfkuilseweg tot de Neerbosscheweg wordt in de structuurvisie eveneens aangeduid als park. Hiermee worden de bestaande groenstructuren in het gebied bedoeld. Het plan doet geen afbreuk aan deze groenstructuren, aldus de raad. De inrichting van groene scheidingsgebieden is deels al gerealiseerd door de bestaande groenstructuren in het gebied en de realisatie van Park West, bovendien voorziet het plan ter hoogte van perceel Energieweg 27 in een groenbestemming. Eventuele aanvullende groenvoorzieningen dienen binnen andere bestemmingsplannen te worden gerealiseerd. Het college stelt ten slotte dat de wettelijke normen voor bijvoorbeeld luchtkwaliteit onder meer zijn gebaseerd op uitkomsten van gezondheidstudies. Gelet hierop dienen de wettelijke normen ter borging van de gezondheidseffecten, zodat geen afzonderlijk onderzoek naar de gezondheidseffecten van het plan is vereist.

2.13.2. [appellant sub 5] en anderen hebben nagelaten aan te geven op welke wijze het plandeel in strijd is met het mobiliteitsplan en het milieubeleidsplan, zodat het college in die stellingen geen aanleiding heeft hoeven zien in zoverre goedkeuring aan het plandeel te onthouden. Ten aanzien van het bestemmingsplan "Hees-Heseveld" wordt in het beroepschrift van [appellant sub 5] en anderen gesteld dat daarin nadrukkelijk is bepaald dat geen verdere verdichting van bebouwing in de oude dorpskern van Hees mag plaatsvinden en dat de groenstructuur gehandhaafd, dan wel versterkt moet worden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plandeel daarmee in strijd is, nu dat niet voorziet in een verdere verdichting van bebouwing in de oude dorpskern van Hees en evenmin afbreuk doet aan bestaande groenstructuren. De Afdeling is verder van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen instemmen met het standpunt van de raad dat de structuurvisie uit 1991 inmiddels is achterhaald door het koersdocument. Daarin staat dat de bedrijventerreinen ten westen van Park West worden verbeterd en dat ten oosten van Park West de nadruk ligt op wonen en stedelijke functies. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plandeel daarmee in strijd is. Hierbij betrekt de Afdeling dat uit de toelichting behorende bij het plan "Hees-Heseveld", bijlage 1H04 bij het deskundigenbericht, staat dat met de bufferzone Hees het smalle langgerekte gebied wordt bedoeld dat is gelegen tussen de haven- en industriegebieden langs het kanaal en de rivier en de woongebieden van Nijmegen-West. Uit die toelichting volgt verder dat de bufferzone Hees thans wordt aangeduid als Park West, dat wordt gevormd door de aaneenknoping van de aanwezige waardevolle groenelementen in Nijmegen West. Voor een groot deel liggen deze in het plangebied Hees-Heseveld. Uit bijlage 1H13 bij het deskundigenbericht blijkt dat het plandeel geen deel uitmaakt van Park West. Uit de door [appellant sub 5] en anderen overgelegde stukken blijkt voorts niet dat het plandeel in de weg staat aan de realisatie van Park West, voor zover dat nog gerealiseerd dient te worden.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 5] en anderen dat de bestemmingswijziging geen verband houdt met de verwezenlijking van de Stadsbrug, maar is ingegeven door de noodzaak gelden te fourneren voor de herinrichting van sportpark Schoonhorst, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, dit niet met zich brengt dat moet worden geoordeeld dat uitsluitend economische motieven aan het plandeel ten grondslag liggen, nu uit het bestreden besluit blijkt dat tevens ruimtelijke aspecten in de afweging zijn betrokken. Het college heeft geen aanleiding hoeven zien het standpunt van de raad dat de voorziene bebouwing dient ter afscherming van de rotonde van het achterliggende gebied en dat de bestemming "Gemengd categorie 5 (GD5)" past bij de functies die reeds in de nabije omgeving aanwezig zijn, onjuist te achten. De Afdeling overweegt verder dat het plan op een aantal locaties voorziet in een groenbestemming en dat bestaande groenstructuren gehandhaafd blijven. Gelet daarop dient te worden geoordeeld dat het plan niet in de weg staat aan de aanleg van groene scheidingsgebieden. De daadwerkelijke inrichting daarvan betreft een uitvoeringsaspect dat in het kader van deze procedure niet ter beoordeling voorligt. Het college heeft zicht voorts terecht op het standpunt gesteld dat de wettelijke normen met betrekking tot bijvoorbeeld luchtkwaliteitseisen zoals neergelegd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer het toetsingskader vormen bij het nemen van het aan de orde zijnde besluit en dat de gezondheidseffecten van luchtvervuiling daarin zijn verdisconteerd.

2.14. De vereniging en anderen betogen dat het studiegebied van het MER ten onrechte is beperkt tot het gebied direct grenzend aan de Energieweg, het brugtracé en de Oosterhoutse Waarden. Omdat de brug een belangrijke regionale functie heeft, hadden volgens hen de milieueffecten op de gehele regio inzichtelijk moeten worden gemaakt.

2.14.1. Dienaangaande overweegt de Afdeling dat de Commissie m.e.r. zich in het toetsingsadvies van 21 januari 2005, in samenhang gelezen met het toetsingsadvies van 28 september 2006, op het standpunt heeft gesteld dat in het MER de essentiële informatie aanwezig is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over het bestemmingsplan. In het door de vereniging en anderen aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding hier anders over te oordelen. Ten aanzien van het betoog dat de in het MER genoemde voorzieningen zoals geluidsschermen en dergelijke ten onrechte niet in het bestemmingsplan zijn verankerd, overweegt de Afdeling dat het plan niet in de weg staat aan de oprichting van geluidsschermen, nu de gronden met de bestemming "Verkeer (V)" op grond van artikel 4.1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften bestemd zijn voor milieuvoorzieningen voor bijvoorbeeld geluidwering.

2.15. De vereniging en anderen betogen voorts dat de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" onvoldoende rechtszekerheid biedt nu daarbinnen een veelheid van functies mogelijk is en uit de plankaart niet kan worden opgemaakt waar de beoogde rotondes, bushaltes en voetgangersoversteekplaatsen worden gerealiseerd. Bovendien is het dwarsprofiel van de nieuwe infrastructuur niet in het plan vastgelegd.

2.15.1. Het college heeft ingestemd met het standpunt van de raad dat uit de plantoelichting volgt waar rotondes zullen worden aangelegd en dat daaraan geen aparte bestemming behoefde te worden toegekend. Verder is aan artikel 15, eerste lid, onder b van het Bro 1985 voldaan nu in de planvoorschriften is neergelegd dat de weg zal bestaan uit 2x2 rijstroken.

2.15.2. Ingevolge artikel 4.1 van de planvoorschriften zijn de gronden aangewezen voor Verkeer (V) bestemd voor:

a. hoofdverkeerswegen 2x2 rijstroken, verkeerswegen, rotondes, busbanen, fietspaden, een industriespoor, trottoirs, parkeervoorzieningen;

b. groenvoorzieningen, bermen, taluds, wadi's;

c. water en waterstaatswerken met de daarbij behorende voorzieningen zoals duikers, kunstwerken en overbruggingen;

d. nutsvoorzieningen;

e. milieuvoorzieningen (bijvoorbeeld voor geluidwering of luchtkwaliteit).

2.15.3. In paragraaf 4.1 van de plantoelichting staat dat het tracé wordt uitgevoerd met een profiel opgebouwd uit 2x2 rijstroken en vrijliggende fiets- en voetgangersvoorzieningen. De Energieweg wordt voorzien van meerdere rotondes; de bestaande T-kruising Energieweg- Neerbosscheweg zal worden vervangen door een rotonde, de kruising Energieweg-Dr. de Blécourtstraat is ontworpen als kleine rotonde en de Ambachtsweg sluit met een rotonde aan op de Energieweg. Aan de oostzijde van de Energieweg is de tussenberm vergroot om de veiligheid van de hier geplande hoofdfietsroute in twee richtingen van Lindenholt-Neerbosch naar het noordelijke stadsdeel te verbeteren. Ten aanzien van de haltes voor het openbaar vervoer wordt uitgegaan van handhaving van de huidige locaties. Wel worden de halteplaatsen in de buurt gelegd van geregelde oversteekvoorzieningen voor langzaam verkeer om de nieuwe Energieweg veilig over te kunnen steken.

2.15.4. In beginsel behoort het tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Het systeem van de WRO brengt mee dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. De Afdeling overweegt in dit geval dat uit de plantoelichting de globale inrichting van het plangebied volgt en dat de vereniging en anderen geen belangen naar voren hebben gebracht die een meer gedetailleerde bestemming vorderen dan thans is gegeven. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bestemming "Verkeer (V)" in strijd is met de rechtszekerheid. Nu in de planvoorschriften is neergelegd dat het tracé zal bestaan uit 2x2 rijstroken bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b van het Bro 1985.

2.16. De vereniging en anderen betogen ten slotte dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de in het plangebied voorkomende flora en fauna. Zij voeren hiertoe aan dat de effecten van trein-, industrie-, en scheepvaartlawaai, van de ontwikkeling van Waalfront, van het project ruimte voor de rivier, van vergunde ontgrondingen en van veranderingen in luchtkwaliteit niet zijn onderzocht. Zij wijzen er verder op dat geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de in het plangebied waargenomen steenmarter.

2.16.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) nodig is en zo ja, of die kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college het plan niet had kunnen goedkeuren indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. De Afdeling stelt vast dat in hoofdstuk 2 en 3 van het MER bijlagenrapport ecologie van 30 mei 2006 (hierna: het rapport), opgesteld door Tauw, is ingegaan op de door de vereniging en anderen genoemde aspecten, met uitzondering van het aspect luchtkwaliteit. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat geen ecologisch onderzoek beschikbaar is dat een directe relatie aantoont tussen luchtkwaliteit en negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden, de zogenoemde dosis-effectrelatie, zodat het niet mogelijk is negatieve effecten van bijvoorbeeld fijn stof op natuurwaarden in de directe omgeving te bepalen. In het rapport is dan ook geconcludeerd dat verstoring door geluid het leidende effect zal zijn voor de invloed op de natuurwaarden. In het rapport staat dat bij de beoordeling van de effecten van geluid het scheepvaart- en industrielawaai buiten beschouwing is gelaten. Voor de effectbeoordeling betekent dit dat met een onderschatting van het achtergrondgeluid wordt gewerkt, waardoor de effecten van de Stadsbrug kunnen worden geduid als een maximale aanvullende geluidsbelasting, aldus het rapport. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van Tauw toegelicht dat de waarde van het gebied voor vogels in de bestaande situatie reeds gering is, gelet op de bestaande geluidsbelasting en dat bij de beoordeling van de effecten van het plan is uitgegaan van wat vogels waarnemen, gelet op de bestaande geluidsbelasting. Nu daarbij het scheepvaart- en industrielawaai buiten beschouwing is gelaten, is derhalve sprake van een onderschatting van het achtergrondgeluid en kunnen de effecten van de Stadsbrug worden geduid als een maximale aanvullende geluidsbelasting. Naarmate het achtergrondgeluid hoger is, zal het geluid vanwege de Stadsbrug immers minder waarneembaar zijn, aldus de vertegenwoordiger van Tauw ter zitting.

De vereniging en anderen hebben geen argumenten aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat niet van de juistheid van het rapport in zoverre kan worden uitgegaan. Verder blijkt uit het deskundigenbericht en het rapport Natuurwaardenonderzoek Energieweg/Stadsbrugtracé Nijmegen van 28 oktober 2008, eveneens opgesteld door Tauw, dat in het plangebied geen vaste verblijfplaatsen van de steenmarter voorkomen.

Gelet op het vorenstaande heeft het college in het aangevoerde geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.17. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 5] en anderen en de vereniging en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen van [appellant sub 5] en anderen en de vereniging en anderen zijn ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

472.