Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
200910078/1/M3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2009 heeft het college in verband met de wijziging van de geluidzone van industrieterrein "Aan de Noord" hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder vastgesteld ten aanzien van, onder meer, de woning aan de [locatie] te Papendrecht. Dit besluit is op 12 november 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 44
Wet geluidhinder 45
Wet geluidhinder 53
Wet geluidhinder 54
Wet geluidhinder 110a
Wet geluidhinder 111
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/256
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/4763
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200910078/1/M3.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2009 heeft het college in verband met de wijziging van de geluidzone van industrieterrein "Aan de Noord" hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder vastgesteld ten aanzien van, onder meer, de woning aan de [locatie] te Papendrecht. Dit besluit is op 12 november 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 25 januari 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A. Soons-de Meester en E. Hoff, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij Koninklijk besluit van 19 april 1991 is krachtens artikel 53 van de Wet geluidhinder (oud) rondom het industrieterrein "Aan de Noord" een zone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Ten tijde van het bestreden besluit had de raad van de gemeente Papendrecht het ontwerpbestemmingsplan "Parapluherziening geluidszone Aan de Noord" opgesteld. Volgens het ontwerp worden vier bestemmingsplannen partieel herzien, waarbij een gewijzigde geluidzone van het industrieterrein wordt vastgesteld. De wijziging heeft betrekking op het in beperkte mate vergroten van een deel van de buitengrens van de geluidzone binnen de gemeente Papendrecht, teneinde de geluidzone meer in overeenstemming te brengen met de werkelijke geluidbelasting vanwege het industrieterrein. Tengevolge van de wijziging komt een aantal woningen, onder meer de woning van [appellant] aan de [locatie], in de geluidzone te liggen. Met het oog hierop zijn bij het bestreden besluit ten aanzien van deze woningen hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder vastgesteld. Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft de raad het bestemmingsplan vastgesteld.

2.1.1. Ingevolge artikel 54 van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, zijn de artikelen 41 tot en met 43 en 47 van overeenkomstige toepassing op het wijzigen van een bestaande zone.

Ingevolge artikel 44 van de Wet geluidhinder is de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het betrokken industrieterrein, van de gevel van woningen binnen een krachtens artikel 40 vast te stellen zone, behoudens artikel 45, 50 dB(A).

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, bedoeld in artikel 44, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor aanwezige woningen 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 110a, eerste lid, van de Wet geluidhinder zijn burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kan het college slechts toepassing geven aan de in het eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein, van de gevel van de betrokken woningen tot de hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.2. [appellant] betoogt dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein op de gevel van zijn woning van 52 dB(A) tot 50 dB(A) onvoldoende doeltreffend zou zijn dan wel overwegende bezwaren zou ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Uit het akoestisch rapport blijkt volgens hem niet dat specifiek met betrekking tot zijn woning geen doeltreffende maatregelen zouden kunnen worden getroffen om de geluidbelasting op de gevel van zijn woning terug te brengen van de gemeten 52 dB(A) tot 50 dB(A), aldus [appellant].

2.2.1. Het college heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit gebaseerd op het 'Akoestisch onderzoek Hogere grenswaarden Papendrecht - Verruiming zone IT 'Aan de Noord' Definitief rapport' van de Milieudienst Zuid-Holland Zuid van 24 februari 2009, kenmerk 2009006948 (hierna: het akoestisch rapport). Het college betoogt dat maatregelen zijn getroffen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein. Het resultaat van deze maatregelen is volgens het college dat alle bedrijven overeenkomstig de beste beschikbare technieken in werking zijn. Ondanks deze maatregelen kan niet ter plaatse van alle woningen aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) worden voldaan. Nu de maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn, konden hogere grenswaarden worden vastgesteld, aldus het college. Het college voert daarbij aan dat de getroffen maatregelen zijn genomen bij de bedrijven op het industrieterrein. Deze maatregelen hebben voor de woning van [appellant] eenzelfde effect als voor de omliggende woningen, aldus het college.

2.2.2. De Afdeling overweegt dat in paragraaf 5.1 (Toepassing van maatregelen) van het akoestisch rapport is vermeld dat op basis van een saneringsonderzoek in 1996 geluidbeperkende maatregelen zijn bepaald voor situaties waarbij ter hoogte van geluidgevoelige bestemmingen de 55 dB(A)-etmaalwaarde werd overschreden. Deze maatregelen zijn volgens het akoestisch rapport niet dermate doeltreffend dat ter plaatse van alle woningen binnen de gewijzigde geluidzone overal aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt voldaan.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat voorts onderzoek is gedaan naar maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein tot de voorkeursgrenswaarde. De geluidvoorschriften van de meest maatgevende bedrijven zijn geactualiseerd en er zijn maatwerkvoorschriften opgelegd bij bedrijven die onder algemene regels als bedoeld in artikel 8.40 van de Wet milieubeheer vallen. Er is weliswaar geen specifiek onderzoek gedaan naar overdrachtsmaatregelen, maar het college heeft uit ervaringsgegevens mogen afleiden dat het oprichten van een geluidscherm, gezien de verhoudingsgewijs grote afstand van de woningen tot de bedrijven op het industrieterrein, in onderhavig geval niet effectief zou zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college dan ook voldoende onderzocht of toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein, van de gevel van de betrokken woning tot de hoogst toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet op de wijze als in het bestreden besluit is geschied, toepassing heeft mogen geven aan zijn bevoegdheid om hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vast te stellen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat ten onrechte niet is gemeten of de geluidwering van de gevel van zijn woning minimaal 17 dB(A) bedraagt, zodat het mogelijk is dat de geluidbelasting binnen zijn woning bij gesloten ramen hoger is dan 35 dB(A). Het college heeft ten onrechte geen maatregelen getroffen met betrekking tot de geluidwering van die gevel om te bevorderen dat de geluidbelasting binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste 35 dB(A) bedraagt, aldus [appellant].

2.3.1. Ingevolge artikel 111, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, treffen burgemeester en wethouders, indien met betrekking tot gevels van aanwezige woningen een hogere geluidbelasting, vanwege een industrieterrein, als de ten hoogste toelaatbare is vastgeld, met betrekking tot de geluidwering van die gevels maatregelen om te bevorderen dat de geluidbelasting binnen de woning bij gesloten ramen ten hoogste 35 dB(A).

2.3.2. De bij het bestreden besluit vastgestelde hogere waarden hebben betrekking op de geluidbelasting van de gevels van de woningen. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2010, in zaak nr. 200908103/1/M2, behoefde het college bij de beslissing over vaststelling van deze waarden geen rekening te houden met de geluidbelasting binnen de woningen en de door [appellant] in dit verband gestelde mogelijk ontoereikende isolatie van de gevel van zijn woning. Voor de geluidbelasting binnen de woning geldt hetgeen is bepaald in artikel 111 van de Wet geluidhinder. Uit de systematiek van de Wet geluidhinder volgt dat eerst na vaststelling van hogere waarden als bedoeld in artikel 110a behoeft te worden bepaald of op grond van artikel 111 gevelisolerende maatregelen moeten worden getroffen. De vraag of zodanige maatregelen moeten worden getroffen, staat los van de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en kan om die reden in deze beroepsprocedure niet aan de orde zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

271-690.