Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5432

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201007057/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft de RDW het op naam van [appellant] gestelde voertuig met [kenteken] met ingang van die datum als gedemonteerd geregistreerd in het kentekenregister. Per die datum is tevens de tenaamstelling in het kentekenregister vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007057/1/H3.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 juni 2010 in zaak nr. 10/184 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft de RDW het op naam van [appellant] gestelde voertuig met [kenteken] met ingang van die datum als gedemonteerd geregistreerd in het kentekenregister. Per die datum is tevens de tenaamstelling in het kentekenregister vervallen.

Bij besluit van 20 januari 2010 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2010, verzonden op 14 juni 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 augustus 2010.

De RDW heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2011, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. F. Bakker, advocaat te Groningen, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover thans van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur regels vastgesteld omtrent het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister.

Ingevolge artikel 37, derde lid, aanhef en onder a, van het Kentekenreglement (hierna: Kr) kan de RDW een kentekenbewijs ongeldig verklaren, indien naar het oordeel van deze dienst blijkt dat het voertuig, waarvoor dat bewijs is afgegeven, voorgoed buiten gebruik is gesteld.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder h, vervalt de tenaamstelling in het register, zodra de RDW het kentekenbewijs ongeldig heeft verklaard ingevolge artikel 37, derde lid, van het Kr.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat voor de RDW geen aanleiding bestond om, in afwijking van het door de RDW gevoerde beleid, terugwerkende kracht te verlenen aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling, heeft miskend dat in deze situatie bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die tot een uitzondering op het door de RDW gevoerde beleid dienen te leiden.

In dit verband wijst [appellant] erop dat hij het voertuig met bijbehorende papieren in goed vertrouwen aan zijn vader heeft overgedragen, maar dat zijn vader heeft nagelaten het voertuig op zijn naam te zetten. Verder wijst hij op de voor hem nadelige financiële consequenties, aangezien hij de afgelopen jaren vele boetes heeft moeten betalen. Bovendien stelt [appellant] dat hij herhaalde verzoeken tot het ongeldig laten verklaren van het kentekenbewijs heeft ingediend.

2.2.1. De RDW neemt het standpunt in dat zij het beleid voert dat vervallenverklaring van een tenaamstelling in beginsel niet met terugwerkende kracht plaatsvindt, met het oog op de gebruikers van de in het register opgenomen gegevens. Alleen zeer bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot afwijking van dit beginsel. De RDW acht de omstandigheden van [appellant] niet zodanig bijzonder dat zij aanleiding geven om af te wijken van het door haar gevoerde beleid. Verder stelt de RDW zich op het standpunt dat zij eerder slechts een verzoek tot schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs van [appellant] heeft ontvangen.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 december 2005 in zaak nr. 200503012/1 en 18 november 2009 in zaak nr. 200901776/1), kan niet worden geoordeeld dat het door de RDW gevoerde beleid om in beginsel geen terugwerkende kracht te verlenen aan met toepassing van artikel 40 van het Kr genomen besluiten, inhoudende de vervallenverklaring van de tenaamstelling van een voertuig, niet redelijk is. De zuiverheid van het kentekenregister en de rechtszekerheid met betrekking tot de tenaamstelling rechtvaardigen een dergelijk beleid.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de RDW in hetgeen appellant ter zake heeft aangevoerd geen aanleiding behoefde te zien om, in afwijking van vorengenoemd beleid, terugwerkende kracht te verlenen aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling.

2.2.3. Hierbij acht de Afdeling van belang dat [appellant] gedurende tien jaar lang op de hoogte is geweest van het feit dat het voertuig niet meer in zijn bezit was. Dat [appellant] eerder gedurende deze tien jaar heeft verzocht om het kentekenbewijs ongeldig te verklaren, is wel gesteld, maar niet gebleken. Gedurende deze tien jaar is [appellant] regelmatig geconfronteerd met verplichtingen die voortvloeien uit de tenaamstelling in het kentekenregister. De nadelige financiële consequenties die hieruit voortvloeien, zijn een gevolg van het feit dat [appellant] niet eerder een verzoek tot het vervallen verklaren van de tenaamstelling heeft ingediend, dan wel tegen het uitblijven van een reactie hierop geen rechtsmiddelen heeft aangewend. De omstandigheid dat de vader van [appellant] medewerking heeft geweigerd aan wijziging van de tenaamstelling hoeft niet tot de conclusie te leiden dat het verlenen van terugwerkende kracht aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling gerechtvaardigd is. [appellant] had zijn vader, eventueel in rechte, kunnen aanspreken om medewerking te verlenen aan de wijziging van de tenaamstelling. Bovendien heeft de RDW verklaard dat [appellant] de door hem aangevoerde omstandigheden ook tegenover de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie naar voren had kunnen brengen.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

312-697.