Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5429

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201005742/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 2 november 2009 heeft het college [wederpartij] en anderen ieder afzonderlijk, onder oplegging van een dwangsom, gelast de recreatieverblijven met bijbehorende bijgebouwen op de percelen [4 nummers] van camping "De Berekuil" aan de Ariënslaan 5 te Utrecht in overeenstemming te brengen en te houden met de aan hen afzonderlijk verleende bouwvergunningen of de recreatieverblijven met bijgebouwen volledig te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/75 met annotatie van C.A.H. van de Sanden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/3787
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005742/1/H1.

Datum uitspraak: 23 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 4 mei 2010 in zaken nrs. 10/898, 10/899, 10/900, 10/901, 10/902, 10/903, 10/904 en 10/905 in het geding tussen:

[wederpartijen] (hierna: [wederpartij] en anderen)

en

het college

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 2 november 2009 heeft het college [wederpartij] en anderen ieder afzonderlijk, onder oplegging van een dwangsom, gelast de recreatieverblijven met bijbehorende bijgebouwen op de percelen [4 nummers] van camping "De Berekuil" aan de Ariënslaan 5 te Utrecht in overeenstemming te brengen en te houden met de aan hen afzonderlijk verleende bouwvergunningen of de recreatieverblijven met bijgebouwen volledig te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij onderscheiden besluiten van 5 februari 2010 heeft het college de door [wederpartij] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, de door [wederpartij] en anderen, daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 5 februari 2010 vernietigd en de besluiten van 2 november 2009 herroepen. Voorts heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 5 februari 2010. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] en anderen hebben een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G. Sloote, werkzaam bij de gemeente, alsmede [2 wederpartijen], vertegenwoordigd door mr. O.P. van der Linden, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij onderscheiden besluiten van 19 mei 2008 en 30 september 2008 heeft het college aan [wederpartij] en anderen ieder afzonderlijk vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een recreatieverblijf met een oppervlakte van 66 m2 en bijbehorend bijgebouw. De recreatieverblijven zijn in het verleden opgericht en hebben in afwijking van de verleende bouwvergunningen een oppervlakte van 70 m2. Niet in geschil is dat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden wegens strijd met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Woningwet.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat de raad van de gemeente Utrecht bij besluit van 16 januari 2003 het bestemmingsplan "Voordorp-Voorveldse polder" heeft vastgesteld, dat de Afdeling in de uitspraak van 10 november 2004 in zaak nr. 200306936/1, voor zover hier van belang, het besluit van het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht omtrent goedkeuring heeft vernietigd, onder meer wat betreft het plandeel met de bestemming "Verblijfsrecreatie, camping (Rv(c))" betreffende camping "De Berekuil", en zelf in de zaak heeft voorzien door goedkeuring te onthouden aan dit plandeel, alsmede dat het college geen gevolg heeft gegeven aan de verplichting ingevolge artikel 30, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), om in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Voorts ligt aan het oordeel van de voorzieningenrechter ten grondslag dat de Afdeling in die uitspraak geen aanleiding heeft gezien het standpunt van het college van gedeputeerde staten van Utrecht, dat met de in het bestemmingsplan voor recreatieverblijven toegestane maximale oppervlakte van 60 m2 een voldoende ruime en aanvaardbare maat is geboden, in beginsel onredelijk of anderszins onjuist te achten en dat de vraag of deze regeling voldoende rekening houdt met individuele gevallen eerst na inventarisatie zal kunnen worden beantwoord en in het kader van het ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO op te stellen bestemmingsplan aan de orde kan komen. Tot slot ligt aan het oordeel van de voorzieningenrechter ten grondslag dat de tegen het op te stellen bestemmingsplan in te roepen rechtsbescherming met de voorliggende besluitvorming illusoir wordt gemaakt en dat niet valt in te zien welk rechtens te respecteren belang van de zijde van het college maakt dat niet met handhavend optreden kan worden gewacht tot het komende bestemmingsplan onherroepelijk is. Hierbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat het college lang de tijd heeft genomen om een nieuw bestemmingsplan voor te bereiden, dat de overtreding van geringe aard en ernst is, alsmede dat niet is gebleken van derden wier belangen rechtstreeks in geding zijn wanneer in dit stadium van handhavend optreden jegens [wederpartij] en anderen zou worden afgezien in afwachting van de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure.

2.4. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het daarvan had behoren af te zien. Hiertoe voert het aan dat de recreatieverblijven afwijken van de verleende bouwvergunningen en in strijd zijn met het vigerende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan Voorveldse polder". Voorts voert het aan dat de omstandigheid dat het bestemmingsplan nog niet is herzien naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2004, niet de consequentie heeft dat ter zake niet handhavend opgetreden zou kunnen worden.

2.4.1. De afwijkingen van de verleende bouwvergunningen zijn, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, niet van geringe aard en ernst. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de omvang van de recreatieverblijven, zoals het college terecht heeft aangevoerd, in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. De voorzieningenrechter heeft derhalve ten onrechte geen grond gezien voor het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten handhavend op te treden tegen de recreatieverblijven. De omstandigheid dat geen belangen van derden in het geding zijn, wat hier ook van zij, laat onverlet dat niet is gebleken dat in het onderhavige geval een algemeen belang bij handhaving ontbreekt. Voorts is van belang dat [wederpartij] en anderen ieder afzonderlijk bij het college een bouwaanvraag hebben ingediend ter legalisering van de zonder bouwvergunning opgerichte recreatieverblijven, waarbij een oppervlakte van 66 m² is aangegeven, dat zij allen hebben toegezegd hun recreatieverblijf met een oppervlakte van 70 m², na het verkrijgen van de bouwvergunning, te verkleinen en dat de verkleining, nadat de bouwvergunningen onder die voorwaarde zijn verleend, niet heeft plaatsgevonden. Daargelaten wat daar verder van zij, hebben [wederpartij] en anderen geen begin van bewijs geleverd voor hun stellingen in dit verband dat het verkleinen van de recreatieverblijven grote kosten met zich zal brengen en bouwkundig op onoverkomelijke bezwaren stuit. Gelet hierop, blijven de gevolgen van het afwijken van de overeenkomstig de aanvragen verleende bouwvergunningen voor hun eigen rekening en risico. De omstandigheid dat de raad van de gemeente Utrecht nog geen nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld voor de gronden waarop de camping zich bevindt, vormt, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Uit jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 31 juli 2002 in zaak nr. 200200095/1) volgt dat de termijn als bedoeld in artikel 30 van de WRO in zoverre een termijn van orde betreft dat het overschrijden van die termijn niet tot gevolg heeft dat het college van handhaving van het vigerende bestemmingsplan had moeten afzien. Daar komt nog bij dat het college zich in zijn besluiten op bezwaar op het standpunt heeft gesteld niet bereid te zijn medewerking te verlenen aan legalisatie van de huidige omvang van de recreatieverblijven, omdat deze niet past in zowel het geldende bestemmingsplan als het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan voor camping "De Berekuil". Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is in dat verband gebleken dat de in de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2004 bedoelde inventarisatie heeft plaatsgevonden in het kader van de voorbereiding van het laatstgenoemde bestemmingsplan, waarin een maximale oppervlakte voor recreatieverblijven van 60 m² , met een ontheffingsmogelijkheid tot maximaal 66 m² is voorzien. Hieruit blijkt dat het merendeel van de recreatieverblijven een oppervlakte heeft van 66 m² of minder, dat slechts 12 recreatieverblijven deze oppervlakte overschrijden en dat in zoverre ook voor deze individuele gevallen de in het plan voorziene maatvoering aanvaardbaar wordt geacht.

Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.6. Nu de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de andere beroepsgrond van [wederpartij] en anderen, zal de Afdeling hiertoe overgaan.

2.7. [wederpartij] en anderen hebben in beroep betoogd dat het college geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2004. In dit verband voeren zij aan dat het college, alvorens zijn besluiten op bezwaar van 5 februari 2009 te nemen, niet heeft geïnventariseerd of met de in het bestemmingsplan "Voordorp-Voorveldse polder" neergelegde maximale oppervlakte voor recreatieverblijven van 60 m² voldoende rekening is gehouden met individuele gevallen.

2.7.1. Zoals hiervoor overwogen, heeft de bedoelde inventarisatie plaatsgevonden. Gelet hierop, mist het betoog dat het college geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 10 november 2004 feitelijke grondslag.

2.8. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de onderscheiden besluiten van 5 februari 2010 alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 mei 2010 in zaken nrs. 10/899, 10/901, 10/903 en 10/905;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2011

357-593.