Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5424

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
201100368/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college op verzoek van Norfolk Terminals (thans: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DFDS Seaways Terminals B.V., hierna: DFDS) met toepassing van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer de bij besluit van 10 juli 2008 aan Vulcaanhaven krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning voor een inrichting voor de opslag, het malen, zeven en breken van ertsen aan de Schiedamsedijk 2a te Vlaardingen, ingetrokken. Dit besluit is op 2 december 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4695

Uitspraak

201100368/2/M1.

Datum uitspraak: 14 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vulcaanhaven B.V., gevestigd te Vlaardingen,

verzoeker,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2010 heeft het college op verzoek van Norfolk Terminals (thans: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DFDS Seaways Terminals B.V., hierna: DFDS) met toepassing van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer de bij besluit van 10 juli 2008 aan Vulcaanhaven krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning voor een inrichting voor de opslag, het malen, zeven en breken van ertsen aan de Schiedamsedijk 2a te Vlaardingen, ingetrokken. Dit besluit is op 2 december 2010 ter inzage gelegd.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2011, heeft Vulcaanhaven tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2011, heeft Vulcaanhaven de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 februari 2011, waar Vulcaanhaven, vertegenwoordigd door drs. K. Stassen-Flinzer, T.J. Meeuwisse en R.B. van Buul en het college, vertegenwoordigd door drs. E.A.M. Schouw, MSc, en R. Hensen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting DFDS, vertegenwoordigd door mr. N.J.M. de Munnik, advocaat te Rotterdam, B. van Helden en F.E.J. Marly, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Vulcaanhaven betoogt dat haar vergunning door de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) op 1 oktober 2010 een omgevingsvergunning is geworden. Volgens Vulcaanhaven kan deze omgevingsvergunning niet worden ingetrokken op grond van de Wet milieubeheer.

2.2.1. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Invoeringswet Wabo wordt een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo van kracht en onherroepelijk is, voor zover voor de betrokken activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1 van die wet is vereist, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend.

2.2.2. Nu DFDS de aanvraag tot intrekking van de milieuvergunning van Vulcaanhaven voor 1 oktober 2010, te weten op 3 augustus 2010, bij het college heeft ingediend, heeft het college terecht artikel 8.25 van de Wet milieubeheer als beoordelingskader gehanteerd.

2.3. Vulcaanhaven betoogt dat haar milieuvergunning ten onrechte is ingetrokken, omdat zij in de toekomst mogelijk weer activiteiten zal kunnen uitvoeren op de locatie van de inrichting. Volgens Vulcaanhaven is haar huurcontract weliswaar ontbonden, maar bestaat de mogelijkheid dat zij een nieuw huurcontract voor de betreffende locatie kan afsluiten. Verder betoogt Vulcaanhaven dat de vergunde activiteiten weer opgestart kunnen worden in samenwerking met andere bedrijven op het terrein. Voorts betoogt Vulcaanhaven dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. Hiertoe voert zij aan dat het college de grondslag van de intrekking heeft gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit en dat bij het bestreden besluit meer vergunningen worden ingetrokken dan stonden vermeld in het ontwerpbesluit.

2.3.1. Ter zitting is gebleken dat de huurovereenkomst tussen Vulcaanhaven en [voormalige eigenaar] van de betreffende locatie, door het Gerechtshof 's-Gravenhage bij uitspraak van 18 augustus 2009 is ontbonden. Daarop zijn de gebouwen en installaties van de inrichting gesloopt en is het terrein ontruimd. De betreffende locatie is inmiddels eigendom van DFDS, die voornemens is het terrein te gebruiken ter uitbreiding van haar ferrydiensten.

Gelet op deze omstandigheden acht de voorzitter het niet aannemelijk dat Vulcaanhaven in de nabije toekomt de beschikking zal krijgen over het terrein van de inrichting en haar activiteiten daar zal kunnen hervatten. Voor zover Vulcaanhaven ter zitting heeft betoogd dat zij haar activiteiten mogelijk in samenwerking met andere bedrijven aan de oostzijde van de Vulcaanhaven zal opstarten, overweegt de voorzitter dat de vergunning van 10 juli 2008 betrekking heeft op de daarin vastgelegde locatie en niet kan worden meegenomen naar een nabijgelegen locatie.

De voorzitter ziet in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3.2. Voor zover Vulcaanhaven heeft betoogd dat de grondslag van het bestreden besluit is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit, overweegt de voorzitter dat hierin evenmin grond is gelegen om het verzoek in te willigen. Vast staat dat de gebouwen en installaties van de inrichting zijn gesloopt en niet zullen worden herbouwd. Gelet hierop heeft het college artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. Dit voorschrift bepaalt dat een vergunning kan worden ingetrokken indien een inrichting geheel of gedeeltelijk is verwoest.

Ten aanzien van het betoog van Vulcaanhaven dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen omdat hierin meer vergunningen worden ingetrokken dan stonden vermeld in het ontwerpbesluit, overweegt de voorzitter dat het college ter zitting heeft verklaard dat het vermelden van de vergunningen van 21 februari 1994, 27 juli 1995, 6 april 2005 en 23 januari 2006 in het bestreden besluit op een omissie berust, nu deze vergunningen voor de inrichting bij besluit van 4 juni 2008 reeds waren vervallen. Vulcaanhaven heeft niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde vergunningen nog gelding zouden hebben. Aan de vermelding van de genoemde vergunningen in het bestreden besluit komt geen betekenis toe.

2.4. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Melse

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2011

191-651.