Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP5112

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
201011657/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu, naar niet in geschil is, de minister de vreemdeling geen medisch onderzoek heeft aangeboden, heeft hij het voorschrift van artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb 2000 geschonden. De duidelijke bewoordingen van dit voorschrift laten niet toe dat de minister een vreemdeling, die te kennen geeft een asielaanvraag te willen indienen, geen medisch onderzoek aanbiedt. Nu niet kan worden uitgesloten dat voormelde schending de materiële inhoud van het besluit op de asielaanvraag heeft beïnvloed, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de vreemdeling niet in haar belangen is geschaad doordat de minister haar ten onrechte geen medisch onderzoek heeft aangeboden. De voorzieningenrechter heeft aldus niet onderkend dat van het ter zake van toepassing zijnde geldende algemeen verbindende voorschrift niet kon worden afgeweken.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.109
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011657/1/V2.

Datum uitspraak: 10 februari 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 26 november 2010 in zaak nrs. 10/37625 en 10/37623 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 december 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief betoogt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat zij, hoewel de minister ten onrechte geen medisch onderzoek heeft aangeboden alvorens haar te horen, niet in haar belangen is geschaad, nu tijdens de gehoren rekening is gehouden met mogelijke psychische problemen en voorts niet is gebleken dat zij niet in staat was consistent en adequaat te verklaren. Hiermee heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat de minister niet van het bepaalde in artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) heeft kunnen afwijken, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Ingevolge artikel 3.109, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), niet eerder door de vreemdeling ingediend dan zes dagen nadat hij overeenkomstig door onze minister gestelde regels te kennen heeft gegeven die aanvraag te willen indienen.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, wordt de vreemdeling die te kennen geeft de in het eerste lid bedoelde aanvraag te willen indienen een medisch onderzoek aangeboden.

2.1.2. Bij besluit van 23 juni 2010 tot wijziging van het Vb 2000 (Stb. 2010, 244), is, voor zover thans van belang, voormeld vijfde lid aan artikel 3.109 van het Vb 2000 toegevoegd.

Bij deze wijziging is - onder verwijzing naar de brieven van de staatssecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 16 december 2008 en van 7 oktober 2009 (Kamerstukken II, 2008-09, 29 689, nr. 243 en 2009-10, 19 637, nr. 1305) - toegelicht, voor zover thans van belang, dat het medisch onderzoek de zorgvuldigheid van de asielprocedure bevordert. Hiermee kunnen medische en psychische problemen die van invloed zijn op het horen van de asielzoeker worden onderzocht. Dit kan leiden tot het oordeel dat het horen om medische redenen niet mogelijk is en dat de asielzoeker wordt doorgezonden naar de verlengde asielprocedure, aldus de toelichting.

2.1.3. In aanmerking genomen dat het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 aan de desbetreffende vreemdeling is om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken, hij daartoe in het bijzonder de gelegenheid krijgt in het nader gehoor en hetgeen tijdens dit gehoor naar voren is gebracht voor de minister uitgangspunt is voor de beoordeling van de asielaanvraag, volgt uit het voorgaande dat de minister met de toevoeging van het vijfde lid aan artikel 3.109 van het Vb 2000 onder meer heeft beoogd het belang van het vroegtijdig signaleren van medische en psychische problemen, die gevolgen kunnen hebben voor het gehoor en de interpretatie ervan, te beschermen.

2.1.4. Nu, naar niet in geschil is, de minister de vreemdeling geen medisch onderzoek heeft aangeboden, heeft hij het voorschrift van artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb 2000 geschonden. De duidelijke bewoordingen van dit voorschrift laten niet toe dat de minister een vreemdeling, die te kennen geeft een asielaanvraag te willen indienen, geen medisch onderzoek aanbiedt. Nu niet kan worden uitgesloten dat voormelde schending de materiële inhoud van het besluit op de asielaanvraag heeft beïnvloed, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de vreemdeling niet in haar belangen is geschaad doordat de minister haar ten onrechte geen medisch onderzoek heeft aangeboden. De voorzieningenrechter heeft aldus niet onderkend dat van het ter zake van toepassing zijnde geldende algemeen verbindende voorschrift niet kon worden afgeweken.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet op het vorenoverwogene zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het door de vreemdeling tegen het besluit van 28 oktober 2010 ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens schending van artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb 2000.

2.3. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 26 november 2010 in zaak nr. 10/37623;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie en Asiel van 28 oktober 2010, kenmerk 0907.08.1028;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Tielraden

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2011

43-549.

Verzonden: 10 februari 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser