Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4760

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201008664/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2009 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008664/1/H2.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 augustus 2010 in zaak nr. 09/2654 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand Leeuwarden (thans het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2009 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 17 september 2009 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 2 september 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 september 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 201005527/1/H2, ter zitting behandeld op 3 februari 2011, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai, is verschenen.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien de daartoe strekkende aanvraag kennelijk van elke grond is ontbloot.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt) wordt rechtsbijstand als zijnde van elke grond ontbloot niet verleend indien de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft.

Ingevolge 18, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen (hierna: de Wfv), zoals deze gold ten tijde hier van belang, is een premieplichtige schuldig nalatig indien hij nalaat de door hem op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen. Voor zover de premieplichtige kan aantonen dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden, wordt afgezien van het schuldig nalatig stellen van de premieplichtige.

Ingevolge het derde lid, aanhef onder a, wordt, in afwijking van het tweede lid, niet afgezien van het schuldig nalatig stellen, indien de aanslag voor de premie voor de volksverzekeringen ambtshalve is vastgesteld omdat de premieplichtige geen of onvoldoende medewerking heeft verleend voor het vaststellen van het premie-inkomen.

Ingevolge artikel 18a kan het beroep niet zijn gegrond op het verweer dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

2.2. Op 8 december 2008 heeft [appellante] een aanvraag om een toevoeging ingediend voor rechtsbijstand bij het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit van de SVB van 29 oktober 2008. Bij dit besluit heeft de SVB [appellante] schuldig nalatig verklaard voor het betalen van de verschuldigde AOW-premie over het jaar 2004. De raad heeft [appellante] vervolgens verzocht om toe te lichten, onder vermelding van de nadere gronden van het bezwaar, waarom dit een ander rechtsbelang betreft dan een toevoegingsaanvraag die reeds in behandeling is, en waarop thans de zaak nr. 201005527/1/H2 betrekking heeft. Op 4 februari 2009 heeft [appellante] daarop geantwoord dat deze zaak gaat over het jaar 2004 en de andere zaak over het jaar 2006 en dat zij de schuldig nalatigheid betwist. Bij besluit van 7 april 2009, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 17 september 2009, heeft de raad de aanvraag afgewezen, omdat deze betrekking heeft op een vordering of verweer waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond heeft verschaft.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door haar gestelde omstandigheid dat zij een bijstandsuitkering ontving een volstrekt ontoereikende grond betreft voor haar bezwaar tegen het besluit van de SVB van 29 oktober 2008. Volgens [appellante] heeft de rechtbank miskend dat door haar is gesteld dat op haar bijstandsuitkering premies zijn ingehouden zodat geen sprake is van schuldig nalatigheid. Dat zij teveel belastingteruggave heeft ontvangen, kan niet leiden tot het oordeel dat sprake is van schuldig nalatigheid.

2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2009 in zaak nr. 200808166/1/H2; www.raadvanstate.nl) is in de nota van toelichting (Stb. 1994, 32) bij artikel 3, aanhef en onder b, van het Brt vermeld dat een rechtsbijstandverzoek enige kans van slagen dient te hebben en dat het verlenen van rechtsbijstand niet zinvol is indien ter onderbouwing van het verzoek geen of een volstrekt ontoereikende grond wordt aangevoerd. De beantwoording van de vraag of hiervan sprake is vereist een individuele, materiële toets, die, zoals onder meer volgt uit de door de rechtbank vermelde uitspraak van 7 december 2005 in zaak nr. 200504666/1, marginaal van aard is.

2.4.1. De mededeling van [appellante] van 4 februari 2009 dat zij de schuldig nalatigheid betwist, heeft de raad opgevat als een verwijzing naar de gronden die in de zaak over het jaar 2006 zijn aangevoerd. In die zaak heeft [appellante] de brief met de gronden van het bezwaar tegen het besluit van de SVB overgelegd en daarin is over het jaar 2004 enkel vermeld dat wordt betwist dat [appellante] schuldig nalatig is met betrekking tot de premie van € 3.612,00. In de brief wordt aangevoerd dat [appellante] een bijstandsuitkering ontving zodat daarop de nodige inhoudingen zijn verricht en dat tegen de belastingaanslag bezwaar en/of beroep is aangetekend.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak van 27 augustus 2009 met LJN BJ7419, www.rechtspraak.nl) volgt, gelet op artikel 18, derde lid, onder a, van de Wfv, uit de vaststelling dat over een bepaald jaar de aanslag ambtshalve is vastgesteld en dat de verschuldigde AOW-premie niet is betaald reeds dat de premieplichtige over dat jaar schuldig nalatig is. De enkele stelling dat [appellante] een bijstandsuitkering heeft ontvangen waarop inhoudingen hebben plaatsgevonden kan dan ook niet leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van de SVB. Tevens kan de stelling dat tegen de aanslag rechtsmiddelen zijn aangewend niet tot gegrondverklaring van dat bezwaar leiden, nu het beroep tegen een besluit van de SVB tot het schuldig nalatig verklaren ingevolge artikel 18a van de Wfv niet kan zijn gegrond op de stelling dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Dat [appellante] achteraf gezien in de zaak over het schuldig nalatig verklaren in het gelijk is gesteld, is niet van belang. Het gaat er immers om of aan de raad een toereikende grond is verschaft voor het verstrekken van een toevoeging en niet om hetgeen zich nadien in de onderliggende zaak nog heeft voorgedaan. Nu [appellante], althans haar gemachtigde, ter toelichting aan de raad van het verzoek om toevoeging heeft volstaan met de verwijzing naar de aan de SVB gerichte motivering van het bezwaar, bestaande uit twee zinnen met twee gronden waarvan de inhoud hiervoor is weergegeven en die gelet op de Wfv en de jurisprudentie op zichzelf niet tot het beoogde resultaat kunnen leiden, heeft de raad, ook bij een marginale toets van de aangevoerde gronden, bij het besluit op bezwaar van 17 september 2009 in redelijkheid de weigering van de gevraagde toevoeging kunnen handhaven met toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb en artikel 3, aanhef en onder b, van het Brt. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit dan ook terecht, zij het niet helemaal op juiste gronden, ongegrond verklaard.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

18-630.