Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201005957/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie 1] te Weert. Dit besluit is op 13 mei 2010 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/3686

Uitspraak

201005957/1/M2.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Weert,

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie 1] te Weert. Dit besluit is op 13 mei 2010 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2011, waar [appellant] en [appellant A], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ing. C.H.M. van de Water, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voort is [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], als belanghebbende gehoord.

2.1. Overwegingen

Goede procesorde

2.2. Eerst ter zitting hebben [appellant] en anderen aangevoerd dat het aangevraagde mixluchtventilatiesysteem, wat betreft de capaciteit alsmede de toegepaste vloer in de reeds bestaande stallen, niet voldoet aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken toegepast dienen te worden. Daarnaast hebben zij eerst ter zitting aangevoerd dat de geluidbelasting vanwege het vullen van de voersilo's wordt onderschat en dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluid vanwege de pluimveehouderij aan de [locatie 2].

Het eerst ter zitting naar voren brengen van deze gronden is in dit stadium van de procedure, mede nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze gronden daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het beroep.

Overgangsrecht Wabo

2.3. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Ontvankelijkheid

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk is voor zover dit ziet op het energieverbruik van de inrichting.

2.4.1. Uit artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

2.4.2. [appellant] en anderen hebben geen zienswijze naar voren gebracht over het energiegebruik van de inrichting. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het beroep is daarom, voor zover dat betrekking heeft op het energieverbruik, niet-ontvankelijk.

Aanvraag

2.5. [appellant] en anderen voeren aan dat de aanvraag onduidelijk is, zodat een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu vanwege de inrichting niet mogelijk is. Zij voeren hiertoe aan dat op de bij de aanvraag behorende tekening het mixluchtventilatiesysteem niet gespecificeerd is weergegeven, het antimorsdrinkwatersysteem niet is weergegeven en de weergegeven leefoppervlakte voor de vleeskuikens niet overeenstemt met het aanvraagformulier, omdat in het aanvraagformulier een leefoppervlakte van 0,48 m2 is vermeld en uit de tekening blijkt dat de leefoppervlakte 0,048 m2 bedraagt. Voorts zijn volgens hen op de tekening ten onrechte de capaciteit en het vermogen van de grondwaterpomp niet vermeld. Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat een dimensionering wat betreft de werking [appellant]tilatie bij de aanvraag gevoegd had dienen te worden.

2.5.1. Bij de aanvraag is een beschrijving van het toegepaste stalsysteem gevoegd. Hierin wordt onder meer de werking van het ventilatiesysteem beschreven en is vermeld dat de drinkwatervoorziening dient te zijn voorzien van een antimorssysteem. Voorts is weliswaar in de aanvraag opgemerkt dat de stallen 1 en 2 een netto oppervlakte per dierplaats bevatten van circa 0,48 m2, maar blijkt uit de bij de aanvraag behorende tekening dat dit een verschrijving is en de netto oppervlakte per dierplaats 0,048 m2 bedraagt. Wat de grondwaterpomp betreft is onder de punten 3.7 en 4.3 van de aanvraag vermeld dat de grondwateronttrekking ongeveer 100 m3 per jaar bedraagt en het vermogen hiervan 1,2 kilowatt bedraagt. Daarnaast heeft het college in het verweerschrift opgemerkt dat lengteventilatie wordt toegepast en het niet gebruikelijk is ten aanzien hiervan een dimensionering over te leggen.

Gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu.

De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

2.5.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Beste beschikbare technieken

2.6. [appellant] en anderen voeren aan dat wat betreft het toegepaste stalsysteem niet wordt voldaan aan het vereiste dat de beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.6.1. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 1 juli 2009 in zaak nr. 200804185/1, moet er ten aanzien van een huisvestingsysteem dat voldoet aan de daaraan in het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting) gestelde eisen van worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken is.

2.6.2. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit huisvesting, voor zover thans van belang, is bepaald dat, indien in een veehouderij dieren worden gehuisvest van een diercategorie waarvoor in bijlage 1 een maximale emissiewaarde is aangegeven, voor die dieren geen huisvestingssystemen worden toegepast met een emissiefactor die hoger is dan deze maximale emissiewaarde.

2.6.3. Het college heeft blijkens het bestreden besluit beoordeeld of wordt voldaan aan artikel 2 van het Besluit huisvesting en is tot de conclusie gekomen dat dit het geval is. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat wordt voldaan aan het Besluit huisvesting en dat daarom wordt voldaan aan het vereiste dat in de inrichting de beste beschikbare technieken worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

Geurhinder

2.7. [appellant] en anderen voeren aan dat niet vaststaat dat kan worden voldaan aan de geldende normen voor geur. Zij voeren hiertoe aan dat de geurbelasting op onjuiste wijze is berekend en dat niet duidelijk is of ook ter plaatse van verder weg gelegen voor geur gevoelige objecten, ter plaatse waarvan een lagere geurnorm geldt, kan worden voldaan aan de geldende geurnormen. Voorts had volgens hen bij de beoordeling van de geurhinder op enigerlei wijze rekening gehouden dienen te worden met de cumulatie van geurbelasting vanwege in de omgeving van de inrichting gelegen veehouderijen.

2.7.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover hier van belang, wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object meer bedraagt dan is toegestaan op grond van dit artikel.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, voor zover hier van belang, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde voldoet aan de in deze bepaling gestelde voorwaarden.

Ingevolge artikel 3 van de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Weert 2007 (hierna: de geurverordening) geldt, voor zover hier van belang, voor bestaand woongebied in de kern Weert een geurnorm van 3 odour units per kubieke meter lucht, voor bestaand woongebied in de kern Tungelroy een geurnorm van 8 odour units per kubieke meter lucht en voor het buitengebied een geurnorm van 14 odour units per kubieke meter lucht.

2.7.2. Aan het bestreden besluit ligt een geuronderzoek ten grondslag van 13 november 2009. In dit onderzoek is de geurbelasting berekend in zowel de directe omgeving van de inrichting als op verder weg gelegen punten ter plaatse van de kernen Weert en Tungelroy waar een lagere geurnorm geldt. Uit dit onderzoek blijkt dat op de desbetreffende verder weggelegen punten ruimschoots kan worden voldaan aan de geldende geurnormen. Niet gebleken is dat de geurbelasting vanwege de inrichting op onjuiste wijze is berekend.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 april 2010 in zaak nr. 200903424/1/M2) volgt uit artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder, bezien in samenhang met artikel 2, eerste lid, dat bij toetsing aan de daarin genoemde grenswaarden slechts de geurbelasting van de inrichting zelf in ogenschouw mag worden genomen. Een beoordeling van eventuele cumulatieve geurbelasting is niet toegestaan.

De beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.8. [appellant] en anderen voeren aan dat niet vaststaat of kan worden voldaan aan de geldende normen voor zwevende deeltjes (PM10). Zij voeren hiertoe aan dat in het bestreden besluit is vermeld dat in de tuin van de woning [locatie 3] op 4 punten de luchtkwaliteit is berekend, maar dat nu de coördinaten van deze toetspunten niet zijn weergegeven, niet geverifieerd kan worden of deze berekening op juiste wijze is uitgevoerd. Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat de luchtkwaliteit in de tuin behorende bij de woning [locatie 4] ten onrechte slechts op één punt is berekend. Volgens hen had de luchtkwaliteit in deze tuin op een aantal plaatsen berekend dienen te worden. Zij voeren hiertoe aan dat de tuin langgerekt is, de immissie van zwevende deeltjes (PM10) ter plaatse hiervan hoog is vanwege de ligging naast onder meer de inrichting en zij zich dagelijks met name ter plaatse van de verharding grenzend aan de inrichting bevinden.

2.8.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer kunnen bestuursorganen, als de uitoefening van hun bevoegdheid te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, hun bevoegdheid uitoefenen, als zij aannemelijk hebben gemaakt dat die uitoefening - kort gezegd - niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 (hierna: de Regeling), voor zover hier van belang, worden meetpunten voor de meting van concentraties in de buitenlucht van zwevende deeltjes (PM10) ten behoeve van het bepalen van de mate waarin het kwaliteitsniveau van de genoemde stof voldoet aan de desbetreffende luchtkwaliteitseisen, bedoeld in bijlage 2, voorschrift 4.1 geplaatst op een zodanig punt dat door middel van metingen op dat punt gegevens worden verkregen over concentraties van de betreffende luchtverontreinigende stof in gebieden binnen zones en agglomeraties waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking rechtstreeks of onrechtstreeks kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de betreffende luchtkwaliteitseis significant is.

Ingevolge artikel 65 van de Regeling is, voor zover hier van belang, artikel 22 van de Regeling van overeenkomstige toepassing op het door middel van berekening vaststellen van het kwaliteitsniveau en van effecten als bedoeld in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer.

2.8.2. Uit het bestreden besluit blijkt dat de luchtkwaliteit op vier plaatsen op de grens van de tuin bij de [locatie 3] is berekend. Op die plaatsen wordt ruimschoots voldaan aan de geldende grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10), zodat voor een overschrijding van de geldende grenswaarden ter plaatse van de tuin van de [locatie 3] niet hoeft te worden gevreesd.

2.8.3. Het college stelt dat het door [appellant] en anderen als tuin behorende bij de [locatie 4] aangemerkte perceel een weiland betreft. Ter plaatse van dit weiland is volgens het college geen sprake van een significante blootstelling aan concentraties van zwevende deeltjes (PM10) ten opzichte van de middelingstijd hiervan, zodat overeenkomstig artikel 22 van de Regeling op dit perceel geen beoordeling van de luchtkwaliteit behoefde plaats te vinden.

2.8.4. Uit hetgeen [appellant] en anderen onder meer ter zitting hebben aangevoerd is niet gebleken dat de blootstelling ter plaatse van het desbetreffende, door [appellant] en anderen als tuin aangemerkte, perceel, daargelaten of deze aanduiding juist is, significant is ten opzichte van de middelingstijd van zwevende deeltjes (PM10). Gelet op artikel 22 van de Regeling is het college er daarom terecht van uitgegaan dat geen beoordeling van de luchtkwaliteit behoefde plaats te vinden ter plaatse van dit perceel.

De beroepsgrond faalt.

Geluidhinder

2.9. [appellant] en anderen voeren aan - zo begrijpt de Afdeling het betoog - dat de gestelde geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau ontoereikend zijn om geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Zij voeren hiertoe aan dat het college niet toereikend heeft gemotiveerd waarom overschrijdingen van de richtwaarden voor het maximale geluidniveau toelaatbaar zijn.

2.9.1. In vergunningvoorschrift 5.1.2 zijn grenswaarden gesteld voor het maximale geluidniveau vanwege de inrichting van 65, 60 en 55 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.9.2. Het college heeft bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder aansluiting gezocht bij de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking).

De in voorschrift 5.1.2 gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn niet hoger dan de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het college heeft deze grenswaarden in redelijkheid toereikend kunnen achten.

De beroepsgrond faalt.

2.10. [appellant] en anderen voeren aan dat de bij het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden niet kunnen worden nageleefd. Zij voeren hiertoe aan dat in het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende akoestische rapport ten onrechte geen rekening is gehouden met het tonale karakter van de ventilatoren. Daarnaast is volgens hen in het akoestische rapport ten onrechte niet de geluidbelasting beoordeeld die optreedt wanneer de activiteiten die behoren tot de representatieve bedrijfssituatie en de activiteiten die behoren tot de incidentele bedrijfssituatie, gelijktijdig plaatsvinden.

2.10.1. Aan het bestreden besluit ligt het door M & A Milieuadviesbureau B.V. opgestelde akoestisch rapport van 11 november 2009 ten grondslag. Het onderzoek waarop het akoestisch rapport is gebaseerd, is uitgevoerd met gebruikmaking van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding). Op grond van de Handleiding moet in geval van geluid met een tonaal karakter een toeslag van 5 dB(A) worden toegepast op het gemeten of berekende langtijdgemiddeld deelgeluidniveau vanwege de gehele inrichting voor dat deel van de beoordelingsperiode dat er tonaal geluid is. Uit de Handleiding volgt dat als criterium voor de toepassing van deze toeslag geldt dat het tonale karakter van het geluid duidelijk hoorbaar moet zijn op het beoordelingspunt.

2.10.2. In een bij het verweerschrift gevoegde brief van M & A Milieuadviesbureau B.V. van 5 augustus 2010 is opgemerkt dat bij het bedrijfsbezoek in het kader van de uitvoering van het akoestische onderzoek is gebleken dat [appellant]tilatoren bij beoordelingspunten geen tonaal geluid hoorbaar is. In het verweerschrift is opgemerkt dat een medewerkster van de gemeente Weert tijdens een bedrijfsbezoek op 13 augustus 2010 tot dezelfde conclusie is gekomen. Volgens het college is er, mede gelet op de afstand [appellant]tilatoren ten opzichte van de beoordelingspunten, geen reden te veronderstellen dat na realisatie van de uitbreiding op die punten wel tonaal geluid hoorbaar zal zijn.

Hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren geeft geen aanleiding voor het oordeel dat, ter plaatse van in de omgeving van de inrichting gelegen voor geluidgevoelige objecten tonaal geluid vanwege de ventilatoren hoorbaar is.

De beroepsgrond faalt in zoverre.

2.10.3. In het akoestische rapport is vermeld welke activiteiten plaatsvinden in de representatieve bedrijfssituatie en de incidentele bedrijfssituaties. Uit de berekeningsresultaten die bij het akoestische rapport zijn gevoegd, blijkt dat bij de berekening van de optredende geluidbelasting in de representatieve bedrijfssituatie en de incidentele bedrijfssituaties rekening is gehouden met alle activiteiten die in die situaties gelijktijdig kunnen plaatsvinden.

De beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant] en anderen voeren aan - zo begrijpt de Afdeling - dat het college bij de beoordeling of in de incidentele bedrijfssituatie, wanneer de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) van de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de circulaire) wordt overschreden, kan worden voldaan aan de binnenwaarde van 35 dB(A), ten onrechte niet de geluidbelasting van het totale wegverkeer over de Peelheideweg heeft betrokken, maar alleen het wegverkeer van en naar de inrichting. In dit verband wijzen zij op de pluimveehouderij aan de [locatie 2] ten aanzien waarvan het college volgens hen voornemens is om een vergunning te verlenen voor het uitbreiden van de inrichting.

2.11.1. Voor de beoordeling van geluidhinder van verkeersbewegingen van en naar de inrichting heeft het college de circulaire gehanteerd.

In de circulaire wordt een voorkeursgrenswaarde aanbevolen van 50 dB(A) etmaalwaarde. Volgens de circulaire is overschrijding van de voorkeursgrenswaarde toegestaan tot 65 dB(A), indien en voor zover redelijkerwijs geen bron- of geluidwerende maatregelen in de overdrachtssfeer kunnen worden getroffen en indien onder meer rekening wordt gehouden met de geldende grenswaarden uit de Wet geluidhinder, waaronder de maximaal toelaatbare binnenwaarde van 35 dB(A).

Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2009 in zaak nr. 200809438/1/M1 blijkt dat bij de beoordeling of wordt voldaan aan de binnenwaarde van 35 dB(A) de geluidbelasting van het totale wegverkeer dient te worden betrokken.

2.11.2. In het akoestisch rapport is opgemerkt dat tijdens de incidentele bedrijfssituaties, ter plaatse van de maatgevende woning aan de [locatie 5] niet aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt voldaan. De geluidbelasting op de woning [locatie 5] bedraagt tijdens de incidentele bedrijfssituaties maximaal 54 dB(A).

Het college stelt dat ook wanneer tijdens de incidentele bedrijfssituaties de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, voldaan kan worden aan een binnenwaarde van 35 dB(A). Daarbij neemt het college in aanmerking dat de gangbare isolatiewaarde van een woning 20-25 dB(A) bedraagt. Daarnaast is volgens het college het aantal vrachtbewegingen ter plaatse van de Peelheideweg laag, aangezien dit een doodlopende weg betreft waaraan slechts één andere inrichting is gelegen, namelijk de door [appellant] en anderen genoemde pluimveehouderij. Uit de voor deze pluimveehouderij verleende milieuvergunning blijkt volgens het college dat ten behoeve hiervan in de dagperiode slechts 10 vrachtbewegingen per week plaatsvinden en in de avond- en nachtperiode, met uitzondering van het eenmaal per 14 maanden laden van kippen, geen vrachtbewegingen plaatsvinden.

2.11.3. Anders dan [appellant] en anderen stellen heeft het college bij de beoordeling van de binnenwaarde wel de geluidbelasting van het totale wegverkeer betrokken. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat de binnenwaarde van 35 dB(A) ter plaatse van de maatgevende woning aan de [locatie 5] ten gevolge van het totale wegverkeer wordt overschreden, overweegt de Afdeling het volgende. [appellant] en anderen hebben niet bestreden dat kan worden uitgegaan van een gangbare isolatiewaarde van 20-25 dB(A). Daarnaast is niet gebleken dat ter plaatse van de Peelheideweg veel vrachtverkeer plaatsvindt nu dit een doodlopende weg is waaraan slechts één andere inrichting is gelegen. Een mogelijke uitbreiding van deze inrichting zal niet tot een relevante toename van het vrachtverkeer leiden. [appellant] en anderen hebben, gelet hierop, niet aannemelijk gemaakt dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de binnenwaarde van 35 dB(A) tijdens de incidentele bedrijfssituaties niet zal worden overschreden.

De beroepsgrond faalt.

2.12. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op het energieverbruik van de inrichting;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

190-578.