Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4757

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201004400/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Ommeren, [locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004400/1/R2.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Buren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Ommeren, [locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2010, waar [appellant], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door E.J. Bagerman BSc, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door M. Staal, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Met het bestemmingsplan wordt beoogd de vestiging van een bedrijf dat fruit en fust opslaat op het perceel aan de [locatie] (hierna: het perceel) mogelijk te maken.

2.2. [appellant] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan.

Hij voert hiertoe aan dat hij twijfelt aan de objectiviteit van de ruimtelijke onderbouwing van het plan. Voorts vreest hij dat het plan zal leiden tot een aantasting van het landelijk karakter van het gebied, het dorpsbeeld en de horizonlijn, waardoor er strijd is met het gemeentelijke beleid. Hij betoogt in dit kader dat het plan ter plaatse bebouwing mogelijk maakt op een schaal, welke niet passend is bij de kleine dorpskern. Hierdoor zal een vermindering van de leefbaarheid in de dorpskern optreden en zijn waardedalingen van de nabijgelegen woningen te verwachten, aldus [appellant].

Hij stelt verder dat de vergroting van het bouwvlak ertoe leidt dat zijn vrije uitzicht wordt belemmerd en dat het plan lichthinder met zich zal brengen. Hij vreest voorts dat het plan zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het in het plan voorziene bedrijfsterrein, hetgeen tot overlast in de vorm van geluidhinder, trillinghinder en scheurvorming zal leiden. Tevens zal toename van het aantal verkeersbewegingen verkeersonveilige situaties tot gevolg hebben.

Voorts sluiten de werktijden van het bedrijf dat zich aan de [locatie] zal vestigen niet aan bij de woonbehoeften van de omwonenden, aldus [appellant]. Voor zover een verdere verruiming van de werktijden aan de orde is, zal dit extra overlast met zich brengen. Tevens stelt hij dat artikel 3.1, onder a, van de planregels ten onrechte de indruk wekt dat de werkzaamheden op het perceel seizoensgebonden zijn.

2.3. De raad stelt zich op het standpunt dat met het plan het in onbruik raken van het bedrijventerrein wordt voorkomen. Tevens wijst de raad erop dat het plan niet voorziet in een groter bouwvlak dan het voorheen geldende plan. Volgens de raad zal het plan niet leiden tot een aantasting van de landschappelijke kernkwaliteiten en de openheid van het gebied.

Voorts stelt de raad dat voor ernstige overlast niet behoeft te worden gevreesd. De raad wijst erop dat aan de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) aanbevolen afstand wordt voldaan. De raad acht verder van belang dat aan het voorheen op het perceel gevestigde bedrijf een milieuvergunning was verleend, waarbij is uitgegaan van een bepaald aantal transportbewegingen. Het plan zal geen groter aantal verkeersbewegingen tot gevolg hebben dan dit destijds vergunde aantal.

Wat betreft de werktijden van het bedrijf dat zich op het perceel zal vestigen acht de raad de geluidsvoorschriften in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) leidend.

2.4. Het plangebied heeft grotendeels de bestemming "Bedrijf". De stroken grond direct ten noorden, zuiden en westen van dit plandeel hebben de bestemming "Groen".

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" bestemd voor onder meer een groothandel met bijbehorende opslag en koeling van fruit.

In de VNG-brochure zijn bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieufactoren geur, stof, geluid, en gevaar uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De richtafstand tussen een groothandel voor fruit en een woning, zoals aanbevolen in de VNG-brochure bedraagt 50 meter. De afstand tussen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de gevel van de woning van [appellant] bedraagt ongeveer 95 meter.

Het bureau Wensink akoestiek & milieu heeft in opdracht van de raad een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport [belanghebbende], [locatie] in Ommeren, akoestisch onderzoek Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer" van 6 januari 2009. In het onderzoek zijn ook de transportbewegingen van en naar het plangebied onderzocht. Uit het rapport vloeit voort dat het geluidsniveau vanwege het bedrijf voldoet aan de voorgestelde normering op grond van het Activiteitenbesluit.

2.4.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van aantasting van het landelijke karakter of het dorpsbeeld, zodat het plan in zoverre niet in strijd is met het gemeentelijke beleid. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan ten opzichte van het voorheen geldende plan niet voorziet in een vergroting van het bouwvlak. Voorts heeft de raad van belang kunnen achten dat de gronden aan de noord-, west- en zuidzijde van het bouwvlak de bestemming "Groen" hebben, waarmee wordt beoogd de bebouwing op het perceel aan het zicht te onttrekken.

Bezwaren van [appellant] tegen de uitvoering van het plan wat betreft de groenstrook en bouwmaterialen van het voorziene bouwwerk kunnen in het onderhavige geding niet aan de orde komen, aangezien hier uitsluitend de vaststelling van het bestemmingsplan ter beoordeling staat.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat de afstand van het plangebied tot de woning van [appellant] ruimschoots voldoet aan de aanbevolen afstanden uit de VNG-brochure. Voorts blijkt uit het akoestisch rapport van 6 januari 2009, waarin ook het aantal transportbewegingen van en naar het perceel is betrokken, dat kan worden voldaan aan de geluidsnormen zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit. Niet is gebleken van gebreken dan wel leemten in kennis op grond waarvan genoemd rapport niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen ernstige geluidhinder met zich zal brengen.

Weliswaar is in dit plan het bouwvlak dichterbij het perceel van [appellant] voorzien dan in het vorige plan, maar gelet op de afstand tussen de woning van [appellant] en het bedrijf heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onevenredige aantasting van het uitzicht. Overigens voorziet het plan, zoals hiervoor reeds is weergegeven, in een groenstrook aan de noord-, west- en zuidzijde van het bedrijf, waarvan een afschermende werking zal uitgaan. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het plan tot ernstige lichthinder zal leiden.

Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een zodanige toename van het aantal verkeersbewegingen dat dit verkeersonveilige situaties, dan wel scheurvorming van zijn woning en trillinghinder tot gevolg zal hebben. Daarbij betrekt de Afdeling dat blijkens het verweerschrift het aantal vervoersbewegingen gemiddeld 12 per dag zal bedragen met een piek in de oogstperiode van 18 verkeersbewegingen per dag.

Wat betreft het betoog dat de werkzaamheden op het perceel buiten de normale werktijden worden verricht, stelt de Afdeling voorop dat de keuze voor de precieze wijze waarop de bedrijfsvoering zal plaatsvinden in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan in beginsel niet ter beoordeling staat.

Voorts merkt de Afdeling op dat het enkele feit dat [appellant] zich niet kan vinden in de ruimtelijke onderbouwing van het plan er niet toe leidt dat getwijfeld moet worden aan de objectiviteit van deze ruimtelijke onderbouwing.

Gezien het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant].

2.4.3. Ten aanzien van artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat in genoemd artikelonderdeel op generlei wijze de indruk wordt gewekt dat op gronden met de bestemming "Bedrijf" uitsluitend seizoensgebonden activiteiten plaatsvinden.

2.4.4. Voor zover [appellant] betoogt dat de woningen in de nabijheid van het perceel aanzienlijk in waarde zullen dalen, overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

2.5. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Tuit

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

425-677.