Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201002680/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, de aanvraag van [appellante] om een gehandicaptenparkeerkaart type passagier afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/109 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002680/1/H3.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 februari 2010 in zaak nr. 09/992 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, de aanvraag van [appellante] om een gehandicaptenparkeerkaart type passagier afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 augustus 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 januari 2008 vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen opnieuw dient te beslissen.

Bij uitspraak van 4 februari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek van [appellante] om een voorlopige voorziening wegens het niet nemen van een besluit door het college toegewezen en het college opgedragen [appellante] in de week van 30 maart tot en met 3 april 2009 te laten onderzoeken door een kinder- en jeugdpsychiater en uiterlijk 1 mei 2009 een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 28 april 2009 heeft het college het door [appellante] gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 februari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 april 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. K.A. Faber, advocaat te Heerenveen, en het college, vertegenwoordigd door H.J. Meijer en C.A. van Lonkhuizen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen via een alsnog te verrichten psychiatrisch onderzoek tot een minnelijke regeling te komen. Een dergelijke regeling is niet tot stand kunnen komen.

Desgevraagd hebben het college en [appellante] nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting van 2 februari 2011 behandeld, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. K.A. Faber, en het college, vertegenwoordigd door C.A. van Lonkhuizen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft bij besluit van 23 mei 2007 de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart afgewezen en deze afwijzing bij besluit van 8 januari 2008 gehandhaafd. Daarbij heeft het college verwezen naar een medisch advies van Argonaut te Zwolle van 11 mei 2007. Volgens het advies kunnen pas dan blijvende beperkingen worden vastgesteld als uit zowel lichamelijk als psychiatrisch onderzoek en behandeling blijkt dat de beperkingen blijvend zijn. In het advies is geconcludeerd dat geen beperkingen kunnen worden vastgesteld als zijnde een rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van een ziekte of gebrek. Volgens het advies gaat een sterk antirevaliderend effect uit van het verstrekken van voorzieningen. Omdat een medische noodzaak ontbreekt, bestaat geen noodzaak voor het verstrekken van de gehandicaptenparkeerkaart, aldus het advies.

2.2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 8 augustus 2008 overwogen dat de psychiatrische kant van de zaak onderbelicht is gebleven. In dit bijzondere geval, mede ook in aanmerking nemend dat het om een zeer complexe situatie gaat, bestond naar het oordeel van de rechtbank voor de arts aanleiding nadere expertise in te winnen bij een kinder- en jeugdpsychiater, teneinde te beoordelen of bij [appellante] gebleken is van een psychiatrische stoornis en zo ja, in hoeverre hierdoor beperkingen kunnen worden geobjectiveerd en of deze beperkingen leiden tot een noodzaak voor het verstrekken van de gevraagde gehandicaptenparkeerkaart. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, nu de medische advisering onvolledig is geweest. De rechtbank heeft het besluit van 8 januari 2008 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het college vervolgens bij uitspraak van 4 februari 2009 opgedragen [appellante] in de week van 30 maart tot en met 3 april 2009 te laten onderzoeken door een kinder- en jeugdpsychiater en uiterlijk 1 mei 2009 een besluit op bezwaar te nemen.

2.3. Bij besluit van 28 april 2009 heeft het college de afwijzing opnieuw gehandhaafd. Hieraan heeft het ten grondslag gelegd dat [appellante] onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek. Niet is gereageerd op schriftelijke verzoeken van de HSK groep, waar het onderzoek zou plaatsvinden. Vervolgens is [appellante] in de gelegenheid gesteld om op 8 april 2009 te worden onderzocht, maar die afspraak is afgezegd.

2.4. [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek. Zij heeft er geen enkel belang bij om een nader onderzoek te verhinderen. Het besluit van 28 april 2009 is dan ook onzorgvuldig voorbereid, aldus [appellante].

2.4.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college en de HSK groep voldoende inspanning hebben verricht om [appellante] op zo kort mogelijke termijn door een psychiater te laten onderzoeken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] daaraan onvoldoende heeft meegewerkt. Gelet daarop was er voor het college in redelijkheid geen andere mogelijkheid dan om het besluit op bezwaar uitsluitend te baseren op voormeld medisch advies van Argonaut van 11 mei 2007. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het besluit van 28 april 2009 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Mouton w.g. Van der Smissen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

419-637.