Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4743

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201006747/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2009, voorbereid met de toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, heeft het college vrijstelling verleend voor het herinrichten van het gebied rond de Kontermansbrug op de percelen en met de werkzaamheden zoals aangegeven op de bij dit besluit aangehechte tekening Situatie Kontermansbrug 16.271-BE-01 en Situatie Logtenberg 16.271-BE-02.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/1693

Uitspraak

201006747/1/H1.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 10 juni 2010 in zaak nr. 09/405 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2009, voorbereid met de toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, heeft het college vrijstelling verleend voor het herinrichten van het gebied rond de Kontermansbrug op de percelen en met de werkzaamheden zoals aangegeven op de bij dit besluit aangehechte tekening Situatie Kontermansbrug 16.271-BE-01 en Situatie Logtenberg 16.271-BE-02.

Bij uitspraak van 10 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2010, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van Weperen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord het Wetterskip Fryslân, vertegenwoordigd door ing. K. Koops, en de Dienst Landelijk Gebied, vertegenwoordigd door ir. B.L. Schaap.

2. Overwegingen

2.1. Het onderhavige project is onderdeel van het project Landinrichting Beekdal Linde. De hoofdthema's van laatstgenoemd project zijn de realisatie van de ecologische hoofdstructuur, de verbetering van de landbouwstructuur, de verbetering van natuurgerichte recreatiemogelijkheden, het uitwerken van integraal waterbeheer en de verbetering van de herkenbaarheid en verscheidenheid van de verschillende landschapstypen. Een van de maatregelen die wordt getroffen, is het herstel van de oorspronkelijke meandering van de rivier de Linde. Het onderhavige project ziet op het terugbrengen van de meandering in de Linde ten oosten van de Kontermansbrug over een afstand van ongeveer één kilometer. De woning van [appellant] is gelegen aan de Linde stroomopwaarts van dit project.

2.2. Het project is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Herziening 1995". Het college heeft daarvan met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten is vereist dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing van het betrokken project is van overeenkomstige toepassing.

Onder goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of inter-gemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vrijstelling een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Daartoe voert hij aan dat het college de gevolgen van realisering van het onderhavige project voor de waterstand ter plaatse van zijn perceel niet juist heeft ingeschat en zich in dat kader ten onrechte op het rapport van Arcadis Ruimtelijke Ontwikkeling B.V (hierna: Arcadis) van juni 2001 naar de gevolgen van (de deelprojecten van) het project Landinrichting Beekdal Linde en de berekeningen van het Wetterskip heeft gebaseerd. Volgens [appellant] gaat het rapport van Arcadis van onjuiste uitgangspunten uit en heeft het Wetterskip bij zijn berekeningen niet de juiste waarde van de zogeheten Chézy-coëfficiënt gehanteerd, heeft het ten onrechte slechts gebruik gemaakt van één meetlocatie en heeft het het effect van het voorziene waterbergingsgebied voorts te groot ingeschat. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de peiloverschrijding, zijnde de overschrijding van het toepasselijke nominale peil, blijkens zijn eigen berekeningen in het slechtste geval 7,5 centimeter zal bedragen en niet 1 à 2 centimeter waar het college, met het Wetterskip, van uitgaat.

2.4.1. De door het Wetterskip aan de hand van een eigen model gemaakte berekeningen van de te verwachten peiloverschrijding ter plaatse van het perceel van [appellant] als gevolg van het project, en niet het door [appellant] genoemde rapport van Arcadis, liggen ten grondslag aan de onderhavige besluitvorming. De resultaten van deze berekeningen zijn neergelegd in een ongedateerd advies van het Wetterskip naar aanleiding van de zienswijze van [appellant] op het voornemen tot het verlenen van vrijstelling. Het Wetterskip heeft in dit advies geconcludeerd dat de te verwachten peiloverschrijding als gevolg van het project maximaal 1 centimeter zal bedragen en dat het project niet zal leiden tot een vergrote kans op wateroverlast ter plaatse van het perceel van [appellant]. Deze conclusie is herhaald in de door het college in beroep overgelegde ongedateerde rapportage "Modelberekeningen ten behoeve van 1e module landinrichting Beekdal Linde" van het Wetterskip en de reactie van het Wetterskip van 24 april 2009 op het beroepschrift van [appellant].

De rechtbank heeft, mede gelet op de voornoemde rapportage van het Wetterskip en de reactie van het Wetterskip op het beroepschrift van [appellant], terecht overwogen dat het betoog van [appellant], onderbouwd met zijn eigen berekeningen, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het college zich niet op het advies van het Wetterskip mocht baseren.

De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat zelfs indien van de door [appellant] gemaakte berekeningen zou worden uitgegaan, dit niet tot het oordeel leidt dat aan de ruimtelijke onderbouwing met betrekking tot het punt van de gevolgen voor het perceel van [appellant] zodanige gebreken kleven dat het college op grond daarvan niet tot verlening van de vrijstelling had mogen overgaan, nu ook de door [appellant] berekende maximale peiloverschrijding als gevolg van het project van beperkte omvang is. De rechtbank heeft in dit kader voorts terecht overwogen dat, voor zover [appellant] verwijst naar de peiloverschrijdingen als gevolg van het gehele project Landinrichting Beekdal Linde, die volgens hem tientallen centimeters zullen bedragen, thans slechts de vrijstelling voor de herinrichting van het gebied "Kontermansbrug" voorligt en voor de overige onderdelen van het project Landinrichting Beekdal Linde steeds nieuwe besluiten zullen moeten worden genomen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het project.

2.5.1. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat, zoals [appellant] betoogt, geen belangen zijn gediend met het onderhavige deelproject en het college de vrijstelling had moeten weigeren. Het onderhavige deelproject dient de belangen bij realisering van het gehele project Landinrichting Beekdal Linde zoals hiervoor onder 2.1 omschreven. Bij de in het kader van de vrijstelling voor het deelproject te maken belangenafweging heeft het college deze belangen, anders dan [appellant] betoogt, derhalve kunnen laten meewegen. Bij de vraag of vrijstelling kon worden verleend voor het onderhavige deelproject behoefde het college, zoals het heeft gedaan, voorts in redelijkheid slechts de gevolgen van dit deelproject in de belangenafweging te betrekken, nu het onderhavige deelproject zelfstandig kan worden beoordeeld en de gevolgen van de andere deelprojecten steeds bij de besluitvorming omtrent die deelprojecten aan de orde zullen komen. Er is, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet gebleken dat de realisering van het deelproject zal leiden tot onaanvaardbare overlast ter plaatse van het perceel van [appellant].

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college, gelet op voornoemde ruimtelijke belangen en de te verwachten gevolgen van realisering van het deelproject voor het perceel van [appellant], in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vrijstelling te verlenen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

17-580.