Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4741

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201006485/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2009 heeft het Faunafonds verzoeken van [verzoeker] om een tegemoetkoming in door brandganzen, grauwe ganzen en kolganzen aan grasland toegebrachte schade gedeeltelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006485/1/H3.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van het Faunafonds (hierna: het Faunafonds),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 mei 2010 in zaak nr. 09/2759 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het Faunafonds.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2009 heeft het Faunafonds verzoeken van [verzoeker] om een tegemoetkoming in door brandganzen, grauwe ganzen en kolganzen aan grasland toegebrachte schade gedeeltelijk toegewezen.

Bij besluit van 23 oktober 2009 heeft het Faunafonds het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 mei 2010, verzonden op 31 mei 2010, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 oktober 2009 vernietigd en bepaald dat het Faunafonds met inachtneming van deze uitspraak opnieuw een besluit op het bezwaar van [verzoeker] dient te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het Faunafonds bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 juli 2010.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

Het Faunafonds heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2011, waar het Faunafonds, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en H.G. Engberink, werkzaam bij het Faunafonds, vergezeld door ing. H. Pelleboer, taxateur, en [verzoeker], in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) worden bij algemene maatregel van bestuur beschermde inheemse diersoorten aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die:

a. in het gehele land schade aanrichten;

b. in delen van het land schade aanrichten.

Ingevolge het tweede lid kan, slechts wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, de aanwijzing bedoeld in het eerste lid worden gedaan ter voorkoming van:

a. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, of

b. schade aan de fauna.

Ingevolge het vierde lid kan, voor zover overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, soorten zijn aangewezen, bij provinciale verordening worden toegestaan dat de grondgebruiker, in afwijking van de artikelen 9, 10, 11 en 12, handelingen, bedoeld in die artikelen, verricht op de door hem gebruikte gronden of in of aan de door hem gebruikte opstallen ter voorkoming van in het huidige of komende jaar dreigende schade als bedoeld in het tweede lid, binnen de grenzen van het werkgebied van de wildbeheereenheid waarin die gronden of opstallen zijn gelegen.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, kunnen gedeputeerde staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74 ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, is er een Faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

Ingevolge artikel 84, eerste lid, wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Ingevolge artikel 3 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren zijn als beschermde inheemse diersoorten die in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aanrichten als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel b, van de Ffw aangewezen de soorten genoemd in bijlage 2 bij dit besluit.

Op bijlage 2 zijn onder meer brandgans, grauwe gans en kolgans vermeld.

Volgens artikel 2 van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds kan het Faunafonds de grondgebruiker op zijn verzoek een tegemoetkoming verlenen in door beschermde inheemse diersoorten aan de landbouw, de bosbouw of de visserij aangerichte schade met inachtneming van het hierna bepaalde.

Volgens artikel 6, eerste lid, kan het Faunafonds uitsluitend een tegemoetkoming verlenen voor schade, veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de Ffw, die door vraat, betreden, verontreiniging, graven, wroeten en vegen aan bedrijfsmatige landbouw, bosbouw of visserij is veroorzaakt.

Volgens artikel 7, eerste lid, zal het Faunafonds een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2 slechts verlenen, indien en voor zover naar zijn oordeel de grondgebruiker de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden.

Volgens het derde lid wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2, veroorzaakt door diersoorten genoemd in artikel 4, eerste lid, onderdeel a en b, van de Ffw en waarvoor ingevolge artikel 68 van de Ffw een ontheffing kan worden verleend, slechts toegekend indien:

a. de ontheffing op deugdelijke wijze is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door de betreffende provincie is geweigerd;

b. de ontheffing is verleend en er ondanks dat daarvan naar het oordeel van het Faunafonds op adequate wijze gebruik is gemaakt, bedrijfsmatige schade aan gewassen, teelten of overige producten is opgetreden.

Volgens artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, wordt geen tegemoetkoming verleend indien de schade is aangericht door een beschermde inheemse diersoort, welke krachtens artikel 65 van de Ffw bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen als diersoort welke in delen van het land veelvuldig belangrijke schade aanricht en voor het verjagen en doden van die schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt.

Volgens het tweede lid kan het Faunafonds in bijzondere gevallen, in afwijking van hetgeen in dit artikel is bepaald, besluiten een tegemoetkoming te verlenen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Verordening schadebestrijding dieren Fryslân 2005, voor zover thans van belang, is het de grondgebruiker, in afwijking van het bepaalde in artikel 9 van de Ffw, toegestaan, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, de beschermde diersoorten kolgans, grauwe gans en smient te doden op de door hem gebruikte gronden.

2.2. [verzoeker] heeft verzocht om tegemoetkoming in schade die is aangebracht aan onderscheidenlijk nieuw ingezaaid grasland en blijvend grasland. Op de daartoe strekkende verzoekschriften heeft hij vermeld dat de schade voor 50% door kolganzen en voor 50% door grauwe ganzen is veroorzaakt en dat op 20 maart 2009 schade van enige omvang is geconstateerd.

2.3. Het Faunafonds heeft aan de besluiten een taxatierapport faunaschade van 17 april 2009 ten grondslag gelegd. Volgens dit taxatierapport bedraagt het schadebedrag € 2.180,25 en is de schade voor 50% door kolganzen, voor 30% door grauwe ganzen en voor 20% door brandganzen veroorzaakt.

Bij besluit van 10 juli 2009 heeft het Faunafonds de verzoeken afgewezen voor zover het door kolganzen en grauwe ganzen veroorzaakte schade betreft. Het Faunafonds heeft het standpunt ingenomen dat geen adequaat gebruik is gemaakt van de door de provincie verleende ontheffing waarmee het is toegestaan enkele schadeveroorzakende dieren te doden, zodat op grond van artikel 7, derde lid, van de Regeling geen tegemoetkoming wordt verleend. Voor zover de schade is veroorzaakt door brandganzen, heeft het Faunafonds een vergoeding van € 186,00 toegekend.

In het besluit van 23 oktober 2009 heeft het Faunafonds het standpunt ingenomen dat [verzoeker] onvoldoende adequaat gebruik heeft gemaakt van de provinciale vrijstelling voor het doden van kolganzen en grauwe ganzen, zodat [verzoeker] volgens artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling niet voor een tegemoetkoming in de schade in aanmerking komt. Hieraan heeft het Faunafonds een Rapportage gebruik vrijstelling van 23 april 2009 ten grondslag gelegd. Volgens die rapportage is vanaf 8 februari 2009 geen gebruik gemaakt van de vrijstelling. Volgens het Faunafonds is, voor zover [verzoeker] al wordt gevolgd in zijn stelling dat er in februari 2009 geen ganzen waren, niet gebleken dat verjagen in maart 2009 niet mogelijk was. Verder is volgens het Faunafonds niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een ander standpunt nopen.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 23 oktober 2009 onvoldoende is gemotiveerd. Volgens een door [verzoeker] overgelegde verklaring van zijn jachtaktehouder van 10 november 2009 zijn de jachtaktehouders ook in februari en maart 2009 ter plaatse geweest, hebben zij geconstateerd dat het aantal kolganzen in het gebied aanzienlijk verminderd was en was verjaging met ondersteunend afschot toen niet effectief meer. De rechtbank heeft overwogen dat het Faunafonds had moeten motiveren waarom, ondanks het gestelde in deze verklaring, toch ganzen hadden moeten worden afgeschoten voor een adequaat gebruik van de vrijstelling.

De ter zitting door het Faunafonds gegeven nadere toelichting was volgens de rechtbank onvoldoende grond om de rechtsgevolgen van het besluit van 23 oktober 2009 in stand te laten.

2.5. Het Faunafonds betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd omdat niet is onderbouwd waarom ganzen hadden moeten worden gedood voor een adequaat gebruik van de vrijstelling. Daartoe voert het Faunafonds aan dat de verklaring van de jachtaktehouder eerst na het besluit op bezwaar is opgesteld, zodat daarmee bij het nemen van dat besluit geen rekening kon worden gehouden. Verder voert het Faunafonds aan dat de schade na 7 februari 2009 is ontstaan, dat volgens de verklaring van de jachtaktehouder in die periode ganzen aanwezig waren en dat [verzoeker] toen geen gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling.

2.5.1. Niet in geschil is dat ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Verordening schadebestrijding dieren Fryslân 2005 van 1 oktober 2008 tot 1 april 2009 een vrijstelling in de zin van artikel 65, vierde lid, van de Ffw gold voor het doden van kolganzen en grauwe ganzen. In een aan [verzoeker] gericht 'Meldingsbewijs vrijstelling artikel 65' van 26 november 2008 zijn voorschriften vermeld welke zijn verbonden aan het gebruik van de vrijstelling. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Faunafonds vanwege het feit dat de vrijstelling geclausuleerd is, bij toetsing aan artikel 9, eerste lid, van de Regeling ook met overeenkomstige toepassing van artikel 7, derde lid, van de Regeling mag nagaan of op adequate wijze gebruik is gemaakt van de vrijstelling.

2.5.2. Het Faunafonds betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verklaring van de jachtaktehouder niet kon worden betrokken bij het besluit op bezwaar, omdat de verklaring eerst na het nemen van dat besluit is opgesteld. Ook overigens levert die verklaring, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat het Faunafonds het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.

2.5.3. Het Faunafonds is er terecht vanuit gegaan dat de schade waarvoor [verzoeker] om tegemoetkoming heeft verzocht, is ontstaan na 7 februari 2009, de datum waarop volgens de Rapportage gebruik vrijstelling van 23 april 2009 voor de laatste maal gebruik is gemaakt van de vrijstelling. In dat verband heeft het Faunafonds onaannemelijk mogen achten dat de schade aan het grasland, indien die geheel voor 7 februari 2009 zou zijn ontstaan, eerst op 20 maart 2009 kon worden geconstateerd. Verder heeft het Faunafonds terecht in aanmerking genomen dat de taxateur ook brandganzen heeft toegevoegd als schadeveroorzakende diersoort, hetgeen niet zou hebben kunnen plaatsvinden indien bij de taxatie geen ganzen waren aangetroffen. Het standpunt van het Faunafonds vindt bevestiging in de verklaring van de jachtaktehouder, aangezien daarin is vermeld dat ook in februari en maart 2009 ganzen aanwezig waren op het grondgebied van [verzoeker]. Niet valt in te zien dat de toen aanwezige ganzen geen schade kunnen hebben veroorzaakt. Voorts wordt het standpunt bevestigd door een in hoger beroep overgelegde verklaring van de taxateur. Volgens hem is de schade in maart 2009 ontstaan, heeft deze zich in april 2009 licht voortgezet en is dit vastgesteld na het waarnemen van ganzenmest en afgevreten graspunten.

2.5.4. Nu het Faunafonds er terecht vanuit is gegaan dat de schade na 7 februari 2009 is ontstaan, heeft het evenzeer terecht getoetst of in februari en maart 2009 adequaat gebruik is gemaakt van de vrijstelling. Het Faunafonds heeft onbestreden gesteld dat gras vooral in februari begint te groeien, zodat het grasland in die periode zeer kwetsbaar is. Niet in geschil is dat er in februari en maart 2009 ganzen aanwezig waren op het grondgebied van [verzoeker], dat na 7 februari 2009 in het geheel geen gebruik meer is gemaakt van de vrijstelling en dat dientengevolge sindsdien in het geheel geen ganzen meer zijn gedood. Het Faunafonds heeft zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet adequaat gebruik is gemaakt van de vrijstelling.

De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de aldus gegeven motivering voldoende draagkrachtig is. Dat er na 7 februari 2009 minder ganzen aanwezig waren dan voor die tijd en dat het bejagen van de ganzen daardoor, mede gelet op het uitgestrekte werkgebied van de jachtaktehouder, naar verhouding meer inspanningen vergde, zijn geen omstandigheden die maken dat van [verzoeker] niet kon worden gevergd dat hij gebruik maakte van de vrijstelling. Bovendien heeft het Faunafonds zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ook bij de aanwezigheid van kleine aantallen ganzen gebruik moet worden gemaakt van de vrijstelling, omdat de ganzen daardoor ondervinden dat het grasland geen voor foerageren geschikt gebied is, waarmee kan worden voorkomen dat de kleine groep ganzen op het grasland ganzen van elders aantrekt.

Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

2.7. Nu voor het doden van kolganzen en grauwe ganzen een vrijstelling gold, [verzoeker] geen adequaat gebruik heeft gemaakt van die vrijstelling en hij overigens geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zich een bijzonder geval voordoet in de zin van artikel 9, tweede lid, van de Regeling, heeft het Faunafonds de verzoeken van [verzoeker], voor zover die betrekking hebben op door kolganzen en grauwe ganzen aangerichte schade, terecht op grond van artikel 9, eerste lid, van de Regeling afgewezen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 23 oktober 2009 van het Faunafonds daarom alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 26 mei 2010 in zaak nr. 09/2759;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

312-640.