Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201006325/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 12 juni 2008 heeft het CBR ten behoeve van [wederpartij] een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen voor de categorieën A, B, B bij E, C, C bij E, D en D bij E voor een termijn van drie jaar, tot en met 30 juni 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006325/1/H3.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 mei 2010 in zaak nr. 08/4185 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Waalre,

en

het CBR.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 12 juni 2008 heeft het CBR ten behoeve van [wederpartij] een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen voor de categorieën A, B, B bij E, C, C bij E, D en D bij E voor een termijn van drie jaar, tot en met 30 juni 2011.

Bij besluit van 17 oktober 2008 heeft het CBR de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 mei 2010, verzonden op 18 mei 2010, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 oktober 2008 vernietigd en bepaald dat het CBR een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 29 juli 2010.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 2 november 2010 heeft het CBR, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, de door [wederpartij] tegen de besluiten van 12 juni 2008 gemaakte bezwaren wederom ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft hierop een reactie ingediend.

[wederpartij] en het CBR hebben elk nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2011, waar het CBR, vertegenwoordigd door S.J.W. van de Vorstenbosch-Blom, juridisch medewerker bij het CBR, en [wederpartij], bijgestaan door mr. T. van den Berk, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: het Reglement), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, worden op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief verklaringen van geschiktheid door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, registreert het CBR, indien de aanvrager naar zijn oordeel voldoet aan de bij voormelde regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge het tweede lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, registreert het CBR, indien naar zijn oordeel redelijke grond bestaat voor de verwachting dat de aanvrager slechts aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voldoet voor een daarbij te bepalen termijn die korter is dan de in artikel 122, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 voorziene geldigheidsduur, die termijn in het rijbewijzenregister.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling eisen geschiktheid 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, wordt verstaan onder:

a. groep 1: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën A, B en B+E;

b. groep 2: bestuurders van motorrijtuigen van de categorieën C, C+E, D en D+E.

In artikel 2 is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage (hierna: de bijlage).

In die bijlage is in paragraaf 8.1 vermeld dat de in hoofdstuk 8 beschreven eisen voornamelijk betrekking hebben op de situatie van een voorgeschiedenis van psychiatrische problematiek. Bij de beoordeling van die voorgeschiedenis is van belang: het ziektebeloop (de betrokkene zal bij voorkeur minstens een tot twee jaar vrij moeten zijn van recidieven, afhankelijk van de ernst van de aandoening), de (on)voorspelbaarheid van uitingen van de aandoening, het ziekte-inzicht en de therapietrouw van de betrokkene. Als de aandoening een reversibele organische stoornis tot grondslag had (heeft), dan kan de keurling na herstel in de regel goedgekeurd worden. Is of was een reversibele organische stoornis niet in het geding, dan doet zich de vraag voor of er restverschijnselen zijn, of dat er kans is op een recidief dat de verkeersveiligheid in gevaar kan brengen. Beantwoording van die vraag vergt een specialistisch rapport.

In paragraaf 8.4 is vermeld dat fobische reacties in bepaalde gevallen, afhankelijk van de aard van de fobie, een duidelijke belemmering kunnen vormen voor het besturen van een motorrijtuig, maar in de regel geen reden geven voor ongeschiktheidsverklaring. Echter, mensen die regelmatig therapieresistente paniekaanvallen vertonen, zijn in het algemeen ongeschikt voor het rijbewijs; voor de beoordeling is een specialistisch rapport vereist. Personen die ter bestrijding van een angststoornis hoge doses psychofarmaca (benzodiazepinen) gebruiken, zijn ongeschikt voor deelname aan het verkeer.

2.2. Het CBR heeft aan de in bezwaar gehandhaafde beperkte geldigheidstermijn van de verklaring van geschiktheid het advies van zenuwarts Raedts ten grondslag gelegd. Op 4 april 2008 is [wederpartij] door Raedts gekeurd. Deze heeft geadviseerd [wederpartij] geschikt te achten voor een periode van drie jaar. Het CBR heeft zich in het besluit op bezwaar van 17 oktober 2008 op het standpunt gesteld dat er geen grond is om het advies van Raedts ondeugdelijk te achten. Dat de cardioloog die [wederpartij] op 14 april 2008 heeft onderzocht, heeft geadviseerd [wederpartij] voor een periode van vijf jaar geschikt te achten, maakt dit volgens het CBR niet anders.

Blijkens het door Raedts opgemaakte onderzoeksrapport is uit de anamnese naar voren gekomen dat [wederpartij] sinds vijfentwintig jaar een volledige WAO-uitkering ontvangt in verband met psychische klachten. [wederpartij] heeft verklaard dat hij onrust voelde, gejaagd was en niet stil kon zitten. Sinds drie jaar gebruikt hij hiervoor geen medicatie meer en twee tot drie jaar geleden is de begeleiding bij het GGZ in verband hiermee geheel gestopt. Voorts heeft [wederpartij] verklaard dat hij zich wel eens benauwd voelt in kleine ruimten. Raedts concludeert dat [wederpartij] een man is met nervositas en lichte angstklachten in kleine ruimten. Hiervan ondervindt [wederpartij] volgens de deskundige geen last bij het autorijden. Hij adviseert [wederpartij] voor een periode van drie jaar geschikt te achten.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit op bezwaar van 17 oktober 2008 onvoldoende is gemotiveerd, omdat daaruit niet blijkt waarom het CBR ten behoeve van [wederpartij] is overgegaan tot het registreren van geschiktheid voor een periode van drie jaar en de enkele verwijzing naar het advies van Raedts daartoe onvoldoende is. Bij een opnieuw te nemen besluit op bezwaar zal het CBR naar het oordeel van de rechtbank rekening moeten houden met het in de beroepsprocedure overgelegde rapport van psychiater Schoutrop.

2.4. Het CBR betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het zich op het onderzoeksrapport van Raedts heeft mogen baseren en dat het besluit op bezwaar op een deugdelijke motivering berust. Het CBR voert daartoe aan dat niet is gebleken dat het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het zich hierop niet heeft mogen baseren. Het CBR stelt zich daarbij op het standpunt dat het het keuringsrapport marginaal dient te toetsen en vervolgens voor de motivering van het besluit en van de redelijke grond als bedoeld in artikel 103, tweede lid, van het Reglement kan verwijzen naar het advies van de keurend arts. Volgens het CBR heeft de rechtbank ten onrechte niet bij haar beoordeling betrokken dat uit het rapport van Raedts blijkt dat [wederpartij] reeds vijfentwintig jaar een volledige WAO-uitkering ontvangt om psychiatrische redenen, dat de psychiatrische diagnose onbekend is en dat de anamnese niet veel duidelijkheid gaf.

2.5. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het CBR zijn standpunt in het bij de rechtbank bestreden besluit niet in redelijkheid op de conclusies van Raedts heeft kunnen baseren. Niet is gebleken dat het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR het rapport niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking de voorgeschiedenis van psychiatrische problematiek en de door Raedts geconstateerde actuele angstklachten. Deze bevindingen heeft [wederpartij] niet weersproken.

Het CBR heeft zich, het vorenstaande in aanmerking genomen, gelet op paragraaf 8.4 van de bijlage op het standpunt mogen stellen dat onzeker is of [wederpartij] na een periode van drie jaar nog aan de eisen zoals gesteld in die paragraaf voldoet en dat het aangewezen is dat dit op basis van een nieuw onderzoek door een door het CBR aan te wijzen deskundige te zijner tijd wordt bevestigd. Ten aanzien van de onderzoeksresultaten van psychiater Schoutrop overweegt de Afdeling dat deze geen grond bieden om te twijfelen aan de juistheid van de resultaten van het onderzoek van Raedts. De resultaten van het tegenonderzoek zijn daarmee niet strijdig. De Afdeling is van oordeel dat het CBR op goede gronden heeft besloten om ten behoeve van [wederpartij] een verklaring van geschiktheid te registreren voor het besturen van motorrijtuigen voor de categorieën A, B, B bij E, C, C bij E, D en D bij E voor een termijn van drie jaar, tot en met 30 juni 2011. Het betoog slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2008 ongegrond verklaren.

2.7. Bij besluit van 2 november 2010 heeft het CBR, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op de door [wederpartij] gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 12 juni 2008. Het CBR heeft de door [wederpartij] gemaakte bezwaren wederom ongegrond verklaard, het besluit van 12 juni 2008 dat betrekking heeft op de categorieën A, B en B bij E herroepen en ten behoeve van [wederpartij] een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen voor deze categorieën voor een termijn van drie jaar, tot en met 31 oktober 2013.

Aangezien het CBR niet geheel aan de bezwaren van [wederpartij] is tegemoetgekomen, wordt het besluit van 2 november 2010, met toepassing van artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding. Met de vernietiging van de aangevallen uitspraak is de grondslag aan het besluit van 2 november 2010 komen te ontvallen. Dit betekent dat het van rechtswege gegenereerde beroep tegen het besluit van 2 november 2010 gegrond is.

2.8. De Afdeling ziet, de standpunten van partijen ter zitting bij de Afdeling daarbij in aanmerking nemende, gelet op het vorenstaande, aanleiding om het besluit van 2 november 2010 te vernietigen, behoudens voor zover daarbij ten behoeve van [wederpartij] een verklaring van geschiktheid is geregisteerd voor het besturen van motorrijtuigen voor de categorieën A, B, en B bij E, voor de periode tot en met 31 oktober 2013.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 mei 2010 in zaak nr. 08/4185;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 2 november 2010 gegrond;

V. vernietigt dat besluit, behoudens voor zover daarbij ten behoeve van [wederpartij] een verklaring van geschiktheid is geregisteerd voor het besturen van motorrijtuigen voor de categorieën A, B, en B bij E, voor de periode tot en met 31 oktober 2013.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

280-597.