Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4725

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201007087/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2009 heeft de minister Flexoplast een boete opgelegd van € 5.400,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201007087/1/H3.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, thans de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 1 juli 2010 in zaak nr. 09/2818 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Flexoplast B.V., gevestigd te Amersfoort,

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2009 heeft de minister Flexoplast een boete opgelegd van € 5.400,00.

Bij besluit van 22 oktober 2009 heeft de minister het door Flexoplast daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juli 2010, verzonden op 2 juli 2010, heeft de rechtbank het door Flexoplast daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 oktober 2009 vernietigd, het door Flexoplast gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 2 juli 2009 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2010.

Flexoplast heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2011, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. F.D.R. van Motman, werkzaam bij het ministerie, en Flexoplast, vertegenwoordigd door mr. A.E. van Hogendorp-Rothenbücher, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder

(…);

g. arbeidsplaats: iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt;

h. arbeidsmiddelen: alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten en gereedschappen;

(…).

Ingevolge artikel 16, tiende lid, zijn de werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, eerste volzin, wordt als beboetbaar feit aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit zijn arbeidsplaatsen veilig toegankelijk en kunnen ze veilig worden verlaten. Ze worden zodanig ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf gesteld, gebruikt en onderhouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen. Voorts worden zij zindelijk, zoveel mogelijk vrij van stof en voor zover de veiligheid van de arbeidsplaats dat vereist, ordelijk gehouden.

Ingevolge artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, wordt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de eerste categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met het voorschrift dat is opgenomen in artikel 3.2.

Volgens beleidsregel 33, achtste lid, aanhef en onder a, wordt bij een arbeidsongeval dat leidt tot een ziekenhuisopname aan een bedrijf met 100 tot en met 249 werknemers een boete van € 5.400,00 opgelegd.

2.2. De minister heeft Flexoplast een boete opgelegd vanwege een arbeidsongeval dat op 11 april 2008 heeft plaatsgevonden. Bij dat ongeval werden door werknemers van Flexoplast werkzaamheden verricht tot het fabriceren en bedrukken van verpakkingsmaterialen en andere kunststofproducten, waartoe onder meer gebruik werd gemaakt van een drukpers Olympia Stellaflex (hierna: de drukpers). In het boetebesluit is ervan uitgegaan dat de drukpers verschillende niveaus heeft en een bordes op een hoogte van ongeveer 2 m dat een breedte heeft van 30 cm. Ten tijde van het ongeval verrichtte [werknemer], die het ongeval heeft gehad, schoonmaakwerkzaamheden aan de drukpers. Hij bevond zich daartoe op het bordes. Toen [werknemer] dat bordes moest verlaten om een schakelpaneel elders te bedienen, verplaatste hij zich zijdelings in de richting van de trap. Omdat hij dacht die te hebben bereikt, stapte hij van het bordes af. [werknemer] stapte echter naast de trap en viel, waarbij hij met zijn rug op de vloer terecht kwam. Als gevolg van de val brak [werknemer] een ruggenwervel, ter behandeling waarvan hij in het ziekenhuis werd opgenomen. De minister heeft aan het bij de rechtbank bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de drukpers een arbeidsplaats is, die niet veilig toegankelijk was en niet veilig verlaten kon worden, hetgeen volgens hem een overtreding is van artikel 3.2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de drukpers met het bordes en de daaraan verbonden trap een arbeidsmiddel is en geen arbeidsplaats. De minister heeft daarom ten onrechte aangenomen dat Flexoplast artikel 3.2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft overtreden en heeft haar ten onrechte wegens overtreding van die bepaling een boete opgelegd. Op grond van deze overweging heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bij haar bestreden besluit vernietigd. Omdat de door de minister gestelde overtreding niet heeft plaatsgevonden, is de grondslag aan de boete naar het oordeel van de rechtbank komen te ontvallen en heeft zij het door Flexoplast gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 2 juli 2009 herroepen.

2.4. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de drukpers met het bijbehorende bordes slechts als arbeidsmiddel moet worden gezien. Volgens hem is de overtreding niet gelegen in het verrichten van reinigingswerkzaamheden aan een arbeidsmiddel, maar in de wijze waarop de drukpers moet worden betreden, teneinde die werkzaamheden te kunnen verrichten, en vervolgens moet worden verlaten. Zo beschouwd werd de drukpers met het bijbehorende bordes gebruikt als arbeidsplaats om de reinigingswerkzaamheden te verrichten, aldus de minister.

2.4.1. Het ongeval heeft zich voorgedaan toen [werknemer] het bordes verliet, nadat hij aan de drukpers schoonmaakwerkzaamheden had uitgevoerd. Omdat hij zich op dat bordes bevond ten tijde van de werkzaamheden waarbij het arbeidsongeval zich heeft voorgedaan en dat ongeval voorts in verband staat met het verlaten van dat bordes, dient het bordes in de context van de verrichte werkzaamheden en gelet op de plaats waar [werknemer] zich bevond op het moment van het ongeval, overwegend te worden aangemerkt als arbeidsplaats. Dat de werkzaamheden die door [werknemer] werden uitgevoerd deel uitmaken van het proces van het drukken, dat het bordes en de trap constructief onderdeel uitmaken van de drukpers en dat die drukpers daarom moet worden aangemerkt als arbeidsmiddel, zoals Flexoplast heeft betoogd, doet daar niet aan af. In de Arbeidsomstandighedenwet wordt immers niet uitgesloten dat een arbeidsmiddel tevens een arbeidsplaats is.

Het betoog slaagt.

2.5. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de gronden van het beroep van Flexoplast behandelen, voor zover die, gelet op wat hiervoor is overwogen, nog behandeling behoeven.

2.6. Flexoplast heeft betoogd dat de minister is uitgegaan van onjuiste afmetingen van het bordes van de drukpers. Het bordes van de drukpers is niet 30 cm, maar 36 cm breed en bij de trap zelfs 47 cm. Verder is het bordes 1,40 m lang. Daarnaast bevindt het bordes zich op een hoogte van 1,43 m van de grond en niet op een hoogte van 2 m, zoals de minister heeft gesteld. Omdat hij is uitgegaan van een onjuiste breedte van het bordes, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit voor [werknemer] te smal was om zich om te draaien, aldus Flexoplast. Bovendien was er geen reden om zich om te draaien, omdat de trap om veiligheidsredenen achterwaarts dient te worden afgedaald. Ook is de minister er volgens Flexoplast ten onrechte van uitgegaan dat voor [werknemer] niet zichtbaar was waar de trap zich bevond. Hij heeft verklaard naast de trap te zijn gestapt, waaruit zou volgen dat hij die wel kon zien.

2.6.1. Flexoplast heeft reeds in bezwaar gesteld dat de afmetingen van het bordes die de minister in zijn besluit van 2 juli 2009 heeft genoemd, onjuist waren. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris erkend dat zowel in het besluit van 2 juli 2009 als in dat van 22 oktober 2009 alsook in het hoger-beroepschrift van onjuiste afmetingen is uitgegaan en dat de door Flexoplast genoemde afmetingen juist zijn.

Desondanks heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de drukpers een onveilige arbeidsplaats was. Daartoe heeft hij evenwel in bezwaar noch nadien de situatie opnieuw beoordeeld met inachtneming van de juiste afmetingen van het bordes. Voorts volgt uit de door Flexoplast overgelegde foto's dat de trap achterwaarts moet worden verlaten. De staatssecretaris heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij zich op het standpunt heeft gesteld dat het bordes te smal was voor [werknemer] om zich om te draaien, nu hij zich voor het afdalen van de trap niet om diende te draaien en de trap zich in het midden van het 1,40 m lange bordes bevond, daar waar het bordes zichtbaar, want 11 cm breder is, zodat het niet moeilijk was voor [werknemer] om te bepalen of hij zich ter hoogte van de trap bevond.

De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij van oordeel is dat Flexoplast artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, gelezen in verbinding met artikel 3,2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft overtreden. Het betoog slaagt.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2009 van de minister gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Gelet op artikel 8:72a van die wet, zal de Afdeling op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het besluit van 2 juli 2009 wordt herroepen omdat de overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, gelezen in verbinding met artikel 3,2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, niet is komen vast te staan. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.

2.8. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 1 juli 2010 in zaak nr. 09/2818;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 oktober 2009, kenmerk WBJA/JA-SVA/2009/17986/BOB;

V. herroept het besluit van 2 juli 2009, kenmerk 070803527/04;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Flexoplast B.V. in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Flexoplast B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Flexoplast B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

419-622.