Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4724

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201007052/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2010:BM7201, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het college geweigerd [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een tijdelijke expositieruimte op een deel van de parkeerplaats gelegen aan de westzijde van het stationsgebouw aan de Stationsstraat te Valkenburg aan de Geul.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201007052/1/H1.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] h.o.d.n. M'Expo Station Valkenburg aan de Geul, wonend te Heerlen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 juni 2010 in zaak nr. 09/1513 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2006 heeft het college geweigerd [appellant] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een tijdelijke expositieruimte op een deel van de parkeerplaats gelegen aan de westzijde van het stationsgebouw aan de Stationsstraat te Valkenburg aan de Geul.

Bij besluit van 23 juli 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. van Hoorne, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.A.M.C. Goossens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een tijdelijke expositieruimte op een deel van de parkeerplaats gelegen aan de westzijde van het stationsgebouw aan de Stationsstraat te Valkenburg aan de Geul.

2.2. Vaststaat en niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Kernen Valkenburg aan de Geul".

2.3. [appellant] betoogt, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de vrijstelling niet mocht weigeren op de gronden waarop het dat heeft gedaan.

2.3.1. De Afdeling gaat uit van de volgende feiten, die ze afleidt uit de stukken en het verhandelde ter zitting.

Na diverse gesprekken tussen [appellant] en vertegenwoordigers van het gemeentebestuur over de plannen van [appellant] voor een tijdelijke expositieruimte ten westen van het stationsgebouw heeft het college in een brief van 13 april 2005 laten weten: "Wij spreken in beginsel de bereidheid uit medewerking te willen verlenen aan de realisatie van een semi-permanent gebouw aan de westzijde van het stationsgebouw, waarbij de tijdelijke vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van toepassing is." Daaraan werd echter toegevoegd: "Wij nemen als college pas een definitief standpunt in wanneer wij kennis hebben genomen van en kunnen instemmen met het ontwerp van het semi-permanent gebouw. Het mag duidelijk zijn dat het semi-permanent gebouw moet passen in de ruimtelijke kwaliteit van de stationsomgeving. Daar zullen wij hoge eisen aan stellen."

Nadat eind februari 2006 door een ambtelijke afvaardiging van het college werd ingestemd met het toen voorliggende ontwerp, diende [appellant] op 17 maart 2006 een bouwaanvraag in. De welstandscommissie bracht op 30 maart 2006 een positief advies uit.

Na een zienswijzeprocedure besloot het college bij besluit van 18 juli 2006 geen tijdelijke vrijstelling en bouwvergunning te verlenen "omdat het tijdelijke bouwwerk ernstige afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving". Nadat de commissie voor de bezwaarschriften in haar advies van 25 september 2006 tot de conclusie was gekomen dat dit oordeel onvoldoende was beargumenteerd en dat een beeldkwaliteitsplan nodig was om behoorlijk te kunnen toetsen aan de eisen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, genoemd in de brief van 13 april 2005, besloot het college een dergelijk plan te laten ontwerpen door Arcadis. Het plan kwam in januari 2007 gereed; het bevatte een mengeling van welstands- en ruimtelijke elementen. Het college nam dit plan - waarover de welstandcommissie op 18 januari 2007 positief had geadviseerd - over, met uitzondering van de slotparagraaf 6.3, ‘Locatie west’, dat betrekking had op het gebied ten westen van het stationsgebouw (het gebied waarop het bouwplan betrekking had), en waar het beeldkwaliteitsplan de mogelijkheid bood voor nieuwe bebouwing. Bij deelbesluiten van 27 februari en 19 juni 2007 werd het besluit van 18 juli 2006 "vernietigd" (lees: herroepen) en werden vrijstelling en bouwvergunning opnieuw geweigerd. Volgens het college had het bouwplan, samengevat weergeven, niet de "kwalitatief hoogwaardige uitstraling en vormgeving" die "past bij het monumentale karakter van het stationsgebouw".

Dit besluit werd - na enige procedurele verwikkelingen die thans buiten beschouwing kunnen blijven - door de rechtbank vernietigd in haar uitspraak van 17 juni 2009 wegens onzorgvuldige voorbereiding en wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering. Volgens de rechtbank refereert het besluit op onduidelijke wijze aan het beeldkwaliteitsplan, hebben diverse uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan waarnaar in het besluit wel werd verwezen betrekking op louter welstandsaspecten, welke naar het oordeel van de rechtbank - onder verwijzing naar artikel 12 van de Woningwet - geen rol mogen spelen bij de beoordeling van een aanvraag om een tijdelijke vrijstelling en bouwvergunning, en is onduidelijk wat de uitgangspunten van het college zijn voor het gebied ten westen van het stationsgebouw. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat de daarin gegeven oordelen in dit geschil vaststaan.

Bij het nieuwe besluit op bezwaar van 23 juli 2009 werd de vrijstelling geweigerd op één, door het college beslissend geachte grond, namelijk dat het bouwplan niet voldoet aan een van de stedenbouwkundige uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan. Het college wijst er op dat volgens het beeldkwaliteitsplan een bouwplan een oppervlakte mag hebben van maximaal 8 m bij 26 m. Nu het bouwplan een oppervlakte heeft van 10,44 m bij 41,76 m is het veel te groot en tast door zijn omvang en de situering nabij het monumentale stationsgebouw de monumentale waarden van het station op voor ons onaanvaardbare wijze aan, aldus het college.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college de vrijstelling op deze grond in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Volgens de rechtbank is het niet onjuist dat het college daarbij aansluiting heeft gezocht bij de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan. Dit oordeel staat thans ter discussie.

2.3.2. De Afdeling stelt voorop dat het college bij het besluit op een aanvraag om tijdelijke vrijstelling van een bestemmingplan een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. Het college zal daarbij echter de geschreven en ongeschreven algemene rechtsbeginselen in acht moeten nemen. Voor de beoordeling van de vraag of het college dat in dit geval heeft gedaan, acht de Afdeling de volgende omstandigheden van belang.

Het project is ontwikkeld na de mededeling dat het college in beginsel bereid was daaraan medewerking te verlenen. Het college was ervan op de hoogte dat deze ontwikkeling de nodige investeringen vergde en dat er een nauwe samenhang was tussen het beoogde tijdelijke gebouw en het gebruik van het voormalige stationsgebouw. Ook was van het begin af aan duidelijk op welke plaats het beoogde tijdelijke gebouw zou moeten verrijzen en welke afmetingen het zou hebben.

De aanvankelijke weigering de vrijstelling te verlenen, kon naar het eigen oordeel van het college geen stand houden omdat er geen duidelijk beoordelingskader voorhanden was. Dat beoordelingskader is pas na het besluit van 18 juli 2006 tot stand gekomen. Het beeldkwaliteitsplan, dat het beoordelingskader vormde, had in de door het college vastgestelde vorm wel betrekking op de omgeving van het stationsgebouw, maar niet op het onderdeel daarvan dat specifiek zag op de beoogde bouwplaats, namelijk de locatie ten westen van dat stationsgebouw. In het besluit op bezwaar van 27 februari en 19 juni 2007 werd het bezwaar tegen het primaire besluit van 18 juli 2006 ongegrond verklaard op welstandsgronden en op verwijzingen naar het beeldkwaliteitsplan, die naar het oordeel van de rechtbank echter te onbestemd waren; het rekening houden met welstandsbezwaren achtte de rechtbank niet toelaatbaar.

Uit het vorenstaande volgt dat de afwijzing van de aanvraag bij het nieuwe besluit op bezwaar van 23 juli 2009 alleen nog kan berusten op de grond dat het bouwplan de volgens de laatste pagina van het beeldkwaliteitsplan maximaal aanvaardbare oppervlaktemaat van 8x26 m ruim oversteeg. Bij de beoordeling van deze afwijzingsgrond moet in aanmerking worden genomen dat dit onderdeel van het beeldkwaliteitsplan aanvankelijk niet door het college was overgenomen, dat niet is komen vast te staan of de kopie van het beeldkwaliteitsplan dat het college aan [appellant] ter beschikking heeft gesteld, ook de laatste pagina bevatte, waarop de in het geding zijnde oppervlaktematen waren vermeld, en het beroep op het oppervlakteargument door het college meer dan drie jaren na de indiening van het bouwplan voor het eerst naar voren is gebracht.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het oppervlakteargument de weigering niet kan dragen, zodat het besluit van 23 juli 2009 is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 23 juli 2009 gegrond verklaren.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 juni 2010 in zaak nr. 09/1513;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul van 23 juli 2009, kenmerk 3614;

V. verstaat dat het college binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van [appellant] h.o.d.n. M'Expo Station Valkenburg aan de Geul met inachtneming van deze uitspraak;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul tot vergoeding van bij [appellant] h.o.d.n. M'Expo Station Valkenburg aan de Geul in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 (zegge: vijftienhonderdachttien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul aan [appellant] h.o.d.n. M'Expo Station Valkenburg aan de Geul het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

473.