Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201006391/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2009 heeft het college de bouwwerkzaamheden op het perceel plaatselijk bekend Baarleseweg te Chaam, kadastraal bekend sectie C, nummer 348, stilgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201006391/1/H1.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 juni 2010 in

zaak nr. 09/5445 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B] te [plaats]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2009 heeft het college de bouwwerkzaamheden op het perceel plaatselijk bekend Baarleseweg te Chaam, kadastraal bekend sectie C, nummer 348, stilgelegd.

Bij besluit van 10 november 2009 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2010, verzonden op 15 juni 2010, heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2011, waar het college, vertegenwoordigd door J.J.M. Roelands, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. [wederpartijen] zijn niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 18 april 1984 heeft het college aan [belanghebbende], de (schoon)vader van [wederpartijen], bouwvergunning verleend voor het bouwen van een schaapskooi op zijn perceel aan de Baarleseweg.

2.2. Op 6 maart 2009 heeft [belanghebbende] zijn perceel aan [wederpartijen] in eigendom overgedragen.

2.3. Op 29 mei 2009 heeft bouwtoezicht geconstateerd dat ter plaatse bouwwerkzaamheden worden verricht. De bouwwerkzaamheden wijzen er op dat niet de destijds vergunde schaapskooi met een oppervlakte van 48 m2 wordt gebouwd, maar een ander bouwwerk. Blijkens opmeting door bouwtoezicht heeft het bouwwerk een oppervlakte van circa 76 m2. Daarnaast zijn nog de volgende afwijkingen geconstateerd:

-gebouwd wordt 55 cm boven maaiveld in plaats van 30 cm;

-een betonvloer is aangebracht, terwijl volgens de bouwvergunning sprake is van een zandvloer;

-voorzien is in drie (stalen) spanten in plaats van het vergunde spant in het midden van het bouwwerk.

Voorts betwijfelt bouwtoezicht of het bouwwerk is gesitueerd volgens de bij de bouwvergunning behorende situatietekening en of de fundering van het bouwwerk overeenkomstig de bouwvergunning is uitgevoerd.

2.4. Het hoger beroep van het college is beperkt tot het oordeel van de rechtbank in overweging 2.5 dat het door het college in het besluit van 3 juni 2009 ingenomen primaire standpunt dat gebouwd wordt zonder bouwvergunning, geen stand kan houden.

2.5. Het betoog van het college dat dit oordeel niet juist is slaagt. De rechtbank is er bij het vormen van haar oordeel ten onrechte van uitgegaan dat het bouwwerk op basis van de in 1984 verleende bouwvergunning en (mede) namens vergunninghouder [belanghebbende] wordt opgericht. Nog daargelaten dat de bouwvergunning na de eigendomsoverdracht van de percelen niet op naam van [wederpartijen] is gesteld en er van [belanghebbende] ook geen verklaring is overgelegd dat (mede) namens hem wordt gebouwd, gaat het hier niet om de bouw van een schaapskooi, waarvoor destijds bouwvergunning is verleend, maar om een ander bouwwerk, gezien de door bouwtoezicht vastgestelde afmetingen en andere geconstateerde afwijkingen. Niet onaannemelijk wordt geacht dat het bouwwerk bestemd is voor het houden van paarden, omdat [wederpartij A] bij brief van 22 oktober 2008 om een bouwvergunning voor een paardenstal heeft verzocht en daarbij heeft vermeld dat in het verleden een bouwvergunning voor een schaapskooi is verleend. Bij brief van 29 januari 2009 heeft het college, die de brief van 22 oktober 2008 als een principe-verzoek heeft opgevat, [wederpartij A] evenwel geadviseerd geen bouwaanvraag voor een paardenstal in te dienen omdat deze wegens strijd met het bestemmingsplan zal worden afgewezen.

2.6. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat met de bouwwerkzaamheden geen uitvoering aan de in 1984 verleende bouwvergunning voor de bouw van een schaapskooi wordt gegeven, zodat de bouwwerkzaamheden zonder bouwvergunning zijn verricht.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. Dit heeft evenwel geen gevolgen voor het dictum van de aangevallen uitspraak, nu de rechtbank het beroep ongegrond heeft verklaard.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep gegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

202.