Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4719

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201005464/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft de minister een aanvraag van de gemeente Jacobswoude, thans de gemeente Kaag en Braassem, om een bijdrage in de kosten van de opsporing en ruiming van explosieven afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/206
JBO 2011/14 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005464/1/H2.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Kaag en Braassem (lees: de gemeente Kaag en Braassem),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 april 2010 in zaak nr. 08/9113 in het geding tussen:

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

en

de gemeente.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft de minister een aanvraag van de gemeente Jacobswoude, thans de gemeente Kaag en Braassem, om een bijdrage in de kosten van de opsporing en ruiming van explosieven afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog afgewezen.

Bij besluit van 24 november 2008 heeft de minister het door de gemeente daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 april 2010, verzonden op 23 april 2010, heeft de rechtbank het door de minister daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeente bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 juni 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De gemeente heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2011, waar de gemeente, vertegenwoordigd door mr. R. van der Plas en J.G.M. van Vliet, werkzaam bij de gemeente, en de minister, vertegenwoordigd door ing. G.C.J. van Rooijen, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie), zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De minister betoogt tevergeefs dat uit de processtukken niet volgt dat F. Moraal bevoegd was tot het indienen van een hoger beroepschrift namens het college. In de mandatenlijst Kaag en Braassem, die het college heeft gevoegd bij zijn brief van 7 september 2010, is vermeld dat elke afdelingsmanager een afdoeningsmandaat heeft tot vertegenwoordiging bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Nu het college op 1 juni 2010 heeft besloten hoger beroep aan te tekenen tegen voormelde uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage en F. Moraal afdelingsmanager Bedrijfsvoering is, bestaat geen grond voor het oordeel dat hij een ontoereikend mandaat had voor het instellen van hoger beroep tegen voormelde uitspraak namens het college.

2.2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Bijdragebesluit kosten opsporing en ruiming conventionele explosieven Tweede Wereldoorlog 2006 (hierna: het Bijdragebesluit 2006), zoals dat gold ten tijde van belang, wordt een bijdrage alleen verstrekt, indien het college de opsporingswerkzaamheden vóór de daadwerkelijke aanvang van de werkzaamheden bij de minister heeft aangemeld.

Ingevolge het tweede lid wordt in de aanmelding opgenomen:

a. een kopie van het procescertificaat, bedoeld in artikel 3, derde lid;

b. de reden van de opsporing;

c. de uitkomsten van het vooronderzoek;

d. het op basis van de uitkomsten van het vooronderzoek uitgebrachte advies aan het college;

e. een projectplan als bedoeld in de beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat 'opsporen conventionele explosieven', bedoeld in artikel 4.17e van de Arbeidsomstandighedenregeling;

f. de vermoedelijke aard van het conventionele explosief of de conventionele explosieven;

g. de vermoedelijke straal van de schervengevarenzone;

h. een situatietekening en een plattegrond van de gemeente;

i. het gebied waarbinnen bepaalde (grond)werkzaamheden tot detonatie kunnen leiden;

j. de vermoedelijke ligging van het conventionele explosief of de conventionele explosieven ten opzichte van een woonkern of een kwetsbare infrastructuur;

k. de voorziene risico's voor de bevolking;

l. de mogelijkheden om al dan niet beschermende maatregelen te treffen;

m. een gespecificeerde kostenraming; en

n. het tijdstip waarop de werkzaamheden een aanvang zullen nemen en naar verwachting zullen worden beëindigd.

Ingevolge het derde lid is het eerste lid niet van toepassing, indien naar aanleiding van een vondst van een conventioneel explosief wegens acuut levensbedreigend gevaar voor de bevolking direct met de opsporingswerkzaamheden wordt begonnen, dan wel indien na een ruiming nadere opsporingswerkzaamheden met spoed noodzakelijk zijn. De aanmelding geschiedt dan zo spoedig mogelijk.

Ingevolge artikel 17 kunnen bij een opsporing de volgende kostensoorten voor een bijdrage in aanmerking komen:

a. kosten van vooronderzoek;

b. kosten van opsporingswerkzaamheden;

c. kosten van preventieve maatregelen ter voorkoming van schade;

d. kosten die gemaakt zijn in verband met het treffen van noodzakelijke spoedvoorzieningen.

2.3. Bij brief van 6 maart 2008 heeft het college van de gemeente Kaag en Braassem bij de minister gemeld dat zich in de gemeente een vliegtuigwrak uit de Tweede Wereldoorlog bevindt met mogelijk twee brisantbommen aan boord. Voorts heeft het college bij deze brief gemeld dat in september 2008 met de berging van dit vliegtuigwrak zal worden aangevangen.

Bij brief van 21 maart 2008 heeft de minister meegedeeld dat de melding niet volledig is. Voorts heeft de minister in de brief aangegeven welke bijlagen nog aangeleverd dienden te worden.

Bij brief van 14 augustus 2008 heeft het college informatie aan de minister gestuurd. Voorts heeft de gemeente in deze brief verzocht om een voorlopige bijdrage van € 70.530,00 op grond van artikel 21 van het Bijdragebesluit 2006. Dit bedrag omvat de kosten in verband met bodemonderzoek, vooropnames, de keurvergunning, monitoring van de bemaling en een huurovereenkomst.

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft de minister de aanvraag om een bijdrage in de kosten van de opsporing en ruiming van explosieven afkomstig uit de Tweede Wereldoorlog afgewezen. Bij besluit van 24 november 2008 heeft de minister het door de gemeente daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 19 augustus 2008 gehandhaafd.

2.4. Ter zitting heeft de gemeente desgevraagd te kennen gegeven dat niet langer in geschil is dat de werkzaamheden die thans onderwerp van het geschil zijn, vallen onder opsporingswerkzaamheden.

2.5. De gemeente betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de aanmelding volledig dient te zijn voordat met de opsporingswerkzaamheden wordt aangevangen. Volgens de gemeente zijn opsporingswerkzaamheden noodzakelijk voordat een complete aanmelding kan worden gedaan.

2.5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 december 2010 in zaak nr. 201003071/1/H2) volgt uit artikel 12, eerste lid, van het Bijdragebesluit 2006 dat een bijdrage alleen wordt verstrekt als het college de opsporingswerkzaamheden vóór aanvang van de werkzaamheden bij de minister heeft aangemeld en dat de aanmelding compleet is als de in het tweede lid genoemde stukken in de aanmelding zijn opgenomen en door de minister zijn ontvangen. Dit wordt bevestigd in de nota van toelichting bij het Bijdragebesluit 2006. In beginsel kan dan ook slechts een bijdrage worden verstrekt indien de aanmelding compleet is vóór de aanvang van de opsporingswerkzaamheden. De gemeente is bij brief van 21 maart 2008 uitdrukkelijk gewezen op de onvolledigheid van de aanmelding, alsmede op de gevolgen indien de werkzaamheden zouden aanvangen voordat de melding compleet was.

Voor zover de gemeente aanvoert, dat het niet mogelijk is een volledige aanmelding te doen voordat een aantal opsporingswerkzaamheden heeft plaatsgevonden, leidt dit niet tot een ander oordeel. Uit artikel 12 van het Bijdragebesluit 2006 volgt, dat in de aanmelding slechts de vermoedelijke aard en ligging van de explosieven en de vermoedelijke straal van de schervengevarenzone moeten worden opgenomen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat opsporingswerkzaamheden als bodem- en diepteonderzoek niet noodzakelijk zijn om die gegevens te kunnen overleggen.

Het betoog van de gemeente dat de minister niet duidelijk heeft gemaakt welke gegevens zij over diende te leggen teneinde een volledige melding te doen, leidt evenmin tot een ander oordeel. Uit artikel 12 van het Bijdragebesluit 2006 blijkt welke gegevens moeten worden overgelegd. Het was aan de gemeente om bij eventuele onduidelijkheden de minister hierover opheldering te vragen. De gemeente heeft dit nagelaten, hetgeen voor haar rekening dient te komen.

Het betoog faalt.

2.5.2. Eerst ter zitting in hoger beroep heeft de gemeente naar voren gebracht dat geen sprake is van een declaratie, maar van een verzoek om een voorlopige bijdrage, die ingevolge artikel 21 van het Bijdragebesluit 2006 op vertoon van bewijsstukken wordt verstrekt. Nu zij bewijsstukken had overgelegd, had haar een voorlopige bijdrage moeten worden verstrekt. Voorts heeft zij eerst ter zitting betoogd, dat de brief van 6 maart 2008 moet worden aangemerkt als een aanvraag en de minister in strijd met artikel 4:5 van de Awb niet heeft gevraagd om de gegevens en bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling daarvan.

Het voor het eerst aanvoeren van deze nieuwe argumenten in dit stadium van de procedure is, nu niet is gebleken dat dit niet eerder had gekund, in strijd met de goede procesorde. De Afdeling laat deze betogen daarom buiten beschouwing bij de beoordeling van het hoger beroep.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

362-630.