Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201005214/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 april 2007 heeft het college [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) ingeschreven op [locatie 1] te Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/84 met annotatie van A.T. Marseille
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005214/1/H3.

Datum uitspraak: 16 februari 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2010 in zaak nr. 09/3425 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2007 heeft het college [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) ingeschreven op [locatie 1] te Amsterdam.

Bij besluit van 19 juni 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2011, waar [appellant] is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In het bij de rechtbank bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het verplicht is adressen in de GBA te ontlenen aan de Basisregistratie adressen en gebouwen. Die wordt voor zover het het stadsdeel Noord betreft door het dagelijks bestuur van dat stadsdeel beheerd, aldus het college. In het bij de rechtbank bestreden besluit heeft het college voorts gesteld dat het dagelijks bestuur bij besluit van 21 april 2006 (lees: 29 maart 2007) heeft besloten om het adres [locatie 2] te wijzigen in [locatie 1] en [locatie 3]. Omdat het bezwaar van [appellant] zich niet richt tegen zijn inschrijving op [locatie 1] maar tegen de registratie in de GBA van een apart huisnummer voor de zolder van zijn woning, te weten Spreeuwenpark 5D, heeft het college dat bezwaar ongegrond verklaard.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte zijn bezwaarschrift niet heeft doorgezonden naar het dagelijks bestuur. Volgens [appellant] is hem op de hoorzitting naar aanleiding van zijn bezwaar op 1 juli 2008 niet kenbaar gemaakt dat het dagelijks bestuur bevoegd is te oordelen over zijn bezwaar en heeft het college te kennen gegeven zelf contact op te nemen met het dagelijks bestuur. Door de handelwijze van het college is hem de mogelijkheid ontnomen om tijdig bezwaar te maken tegen het besluit van het dagelijks bestuur.

2.2.1. Het college heeft in zijn besluit van 5 april 2007 te kennen gegeven dat tegen de wijziging van het adres [locatie 2] in [locatie 1] en [locatie 3] alleen bezwaar gemaakt kon worden bij het dagelijks bestuur. Uit de brief van het college van 2 juli 2008, die is verstuurd na de hoorzitting welke op 1 juli 2008 is gehouden, volgt niet dat het met het dagelijks bestuur contact zou opnemen over de wijziging van het adres [locatie 2] in [locatie 1] en [locatie 3]. In die brief wordt een afspraak bevestigd die inhoudt dat het bezwaar van [appellant] wordt aangehouden tot meer duidelijk is over het besluit van het dagelijks bestuur om het adres waarop hij woont te wijzigen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat het college daarover met het dagelijks bestuur contact zou opnemen.

De rechtbank heeft evenwel over het hoofd gezien dat het college het bezwaar van [appellant] op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had moeten doorsturen aan het dagelijks bestuur. Aan het bij de rechtbank bestreden besluit is onder meer ten grondslag gelegd dat [appellant] bezwaar had tegen het gegeven dat een onderdeel van zijn woning een ander huisnummer kreeg toegewezen en dat daarvoor het besluit van het dagelijks bestuur van 21 april 2006 (lees: 29 maart 2007) gewijzigd zou moeten worden. Het college wist dus dat het bezwaar van [appellant] zich eigenlijk richtte tegen het genoemde besluit van het dagelijks bestuur. Het betoog van het college in zijn verweerschrift, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2005 in zaak nr. 03/6133, dat een besluit tot wijziging van een adres geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb en het daarom niet gehouden was het bezwaar van [appellant] door te sturen naar het dagelijks bestuur, faalt. Die uitspraak is door de Afdeling bij uitspraak van 18 januari 2006 in zaak nr. 200504345/1 vernietigd. De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 januari 2006 overwogen dat gezien de wettelijke grondslag van het besluit dat voorwerp van geding was, dat besluit is gericht op rechtsgevolg en dientengevolge is aan te merken als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Nu het besluit van het dagelijks bestuur van 29 maart 2007 dezelfde wettelijke grondslag heeft als het besluit dat in zaak nr. 200504345/1 in geding was, stelt het college zich ten onrechte op het standpunt dat het besluit van 29 maart 2007 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Evenmin bestaat grond voor het standpunt dat het college in zijn verweerschrift heeft ingenomen dat het niet gehouden was het bezwaar van [appellant] door te sturen aan het dagelijks bestuur omdat het te laat is ingediend om ontvankelijk te zijn. Het is aan het dagelijks bestuur om te beoordelen of het bezwaar van [appellant] ontvankelijk was.

Het betoog van [appellant] slaagt.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 19 juni 2009 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 6:15 van de Awb vernietigen.

2.4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2010 in zaak nr. 09/3425;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 19 juni 2009, kenmerk 07/139;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.

176-622.