Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4702

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201100944/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, aan de stichting Stichting Faunabeheer Eenheid Fryslân (hierna: de Faunabeheereenheid) voor de periode van 7 december 2009 tot en met 6 december 2014 ontheffing verleend van het bepaalde in de artikelen 9 en 72, vijfde lid, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) voor het doden van vossen van zonsondergang tot zonsopkomst met gebruikmaking van het hagelgeweer of de kogelbuks en kunstmatige lichtbronnen, ter voorkoming van schade aan flora en fauna.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 9
Flora- en faunawet 65
Flora- en faunawet 68
Flora- en faunawet 72
Besluit beheer en schadebestrijding dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/3694
JM 2011/47 met annotatie van Boerema
JOM 2011/270
JNA 2011/2 met annotatie van Boerema
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100944/2/H3.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 16 december 2010 in zaak nr. 10/986 in het geding tussen:

de stichting Stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen,

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2009 heeft het college, voor zover thans van belang, aan de stichting Stichting Faunabeheer Eenheid Fryslân (hierna: de Faunabeheereenheid) voor de periode van 7 december 2009 tot en met 6 december 2014 ontheffing verleend van het bepaalde in de artikelen 9 en 72, vijfde lid, van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) voor het doden van vossen van zonsondergang tot zonsopkomst met gebruikmaking van het hagelgeweer of de kogelbuks en kunstmatige lichtbronnen, ter voorkoming van schade aan flora en fauna.

Bij besluit van 11 mei 2010 heeft het college het door De Faunabescherming daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door De Faunabescherming daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 mei 2010 vernietigd, het besluit van 3 december 2009 herroepen voor zover ontheffing is verleend voor het gebruik van kunstmatige lichtbronnen, en bepaald dat het college met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van De Faunabescherming voor zover ontheffing is verleend voor het doden van vossen gedurende de nacht gedurende het hele jaar.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft het college bij deze brief de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 28 januari 2011 heeft De Faunabescherming een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 februari 2011, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.H.L. Oostra, werkzaam bij de provincie, en De Faunabescherming, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [secretaris] zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de Faunabeheereenheid, vertegenwoordigd door [voorzitter] en [ambtelijk secretaris] als belanghebbende gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank de Beneluxovereenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming en de daarop gebaseerde Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie inzake de vaststelling van de middelen die toelaatbaar zijn bij de uitoefening van de jacht ten onrechte op deze zaak van toepassing heeft geacht en het besluit van 3 december 2009 daarom ten onrechte gedeeltelijk heeft herroepen. Volgens het college is het van groot belang dat onverkort van de ontheffing gebruik kan worden gemaakt. Daartoe voert het aan dat de ontheffing is verleend ter bescherming van vogelsoorten waarvoor het college een internationale verantwoordelijkheid draagt. Met name tijdens het broedseizoen, dat globaal loopt van februari tot juni, zijn deze soorten extra kwetsbaar voor vossenpredatie. Wanneer tijdens het broedseizoen geen gebruik kan worden gemaakt van de ontheffing, kan dit leiden tot onomkeerbare gevolgen in de vorm van een sterke achteruitgang van de populatie van de betreffende vogelsoorten, aldus het college.

In het licht van het voorgaande heeft het college in het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening de voorzitter verzocht de uitspraak van de rechtbank te schorsen totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep.

2.3. De voorlopige voorzieningprocedure leent zich niet voor een oordeel over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Beneluxovereenkomst en de daarop gebaseerd Beschikking van toepassing zijn op deze zaak. De voorzitter zal zich daarom beperken tot een afweging van de betrokken belangen.

Ingevolge artikel 2 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren, gelezen in samenhang met bijlage 1 daarbij, is de vos aangewezen als beschermde inheemse diersoort die in het gehele land veelvuldig belangrijke schade aanricht als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onderdeel a, van de Ffw. Hieruit volgt, zoals ook ter zitting is bevestigd door het college, dat de vos reeds gedurende het hele jaar overdag bejaagbaar is. De bij het besluit van 3 december 2009 verleende ontheffing ziet alleen op een aanvullende bestrijding 's nachts met het hagelgeweer of de kogelbuks met behulp van kunstmatige lichtbronnen. De uitspraak van de rechtbank heeft derhalve niet tot gevolg dat in het geheel niet meer op vossen kan worden gejaagd. Nu voorts niet is gebleken dat in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep de jacht op vossen overdag niet geïntensiveerd kan worden, ziet de voorzitter aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld, bestaande uit de reiskosten die de vertegenwoordigers van De Faunastichting hebben gemaakt om op de zitting te verschijnen.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. wijst het verzoek af;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Fryslân tot vergoeding van bij de stichting Stichting De Faunabescherming in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 51,21 (zegge: eenenvijftig euro en eenentwintig cent).

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

187-611.