Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201007192/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] bouwvergunning eerste fase verleend voor het verbouwen van winkels met bovenwoningen op het perceel Koninginnelaan 22 te Soest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007192/1/H1.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 16 juni 2010 in zaak nrs. 10/704 en 10/1531 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Soest.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2009 heeft het college aan [vergunninghoudster] bouwvergunning eerste fase verleend voor het verbouwen van winkels met bovenwoningen op het perceel Koninginnelaan 22 te Soest.

Bij besluit van 5 januari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 januari 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 augustus 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghoudster] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.D. van Reenen, en het college, vertegenwoordig door mr. P. Phielix en ing. K.G.M. van Aken, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is ter zitting gehoord [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. drs. H.A. Samuels Brusse-van der Linden.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het verbouwen van winkels met bovenwoningen op het perceel.

Vaststaat en niet in geschil is dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan "Soestdijk-Noord". In geschil is de vraag of het bouwplan voldoet aan de parkeereisen van artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Soest.

2.2. [appellant] betoogt dat voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan voldoet aan artikel 2.5.30. Hij voert aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college is uitgegaan van andere wooneenheden dan in het bouwplan zijn opgenomen en daardoor ten onrechte niet is uitgegaan van een parkeerbehoefte van 20 parkeerplaatsen. Hij voert voorts aan dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college bij de beoordeling van de vraag of het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen er geen rekening mee heeft gehouden dat voor de commerciële ruimte op de begane grond ook parkeerplaatsen nodig zijn, dat er reeds een tekort aan parkeerplaatsen bestaat in de gemeente en dat als gevolg van het bouwplan vijf parkeerplaatsen die reeds op het terrein aanwezig waren, zullen verdwijnen en niet worden gecompenseerd.

2.3. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 1 september 2010 in zaak nr. 201002910/1/H1) dient bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen te worden gelet op de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het bouwplan.

2.3.2. Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen is het college uitgegaan van de "Nota parkeernormen en parkeerfonds gemeente Soest" (hierna: de nota), waarin de parkeernormen voor de gemeente Soest zijn vastgelegd. In deze nota wordt een onderscheid gemaakt tussen parkeernormen voor kamers of appartementen (kleiner dan 30 m²), waarvoor een parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen geldt, kleine woningen (tussen de 30 en 60 m²), waarvoor een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen geldt, middelgrote woningen (tussen de 60 en 120 m²), waarvoor een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen geldt, en grote woningen (groter dan 120 m²), waarvoor een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning geldt. Volgens de nota geldt een correctiefactor bij parkeerplaatsen op eigen terrein. Parkeerplaatsen op een eigen parkeerterrein worden voor achttiende deel in aanmerking genomen.

2.3.3. Het college is er de berekening van de parkeerbehoefte van het bouwplan van uitgegaan dat het bouwplan voorziet in 3 kamers, 6 kleine woningen en 2 middelgrote woningen. Uit de stukken is echter gebleken dat het plan voorziet in 7 kleine woningen en 3 middelgrote woningen. In zoverre slaagt het betoog van [appellant] dan ook. Hij kan echter niet worden gevolgd in zijn betoog dat voor het bouwplan een parkeerbehoefte van 20 parkeerplaatsen bestaat. Voor voormelde 10 woningen zijn, met toepassing van de in de nota opgenomen parkeernormen, 15,6 parkeerplaatsen nodig. Uit de stukken is voorts gebleken dat de 10 woningen in de plaats komen van een bestaande middelgrote woning, waarvoor een parkeerbehoefte van 1,7 parkeerplaatsen geldt. Dit moet van de parkeerbehoefte van 15,6 voor de 10 woningen worden afgetrokken, hetgeen ertoe leidt dat voor de 10 woningen 13,9 parkeerplaatsen nodig zijn. Toepassing van de correctiefactor van 0,8 leidt ertoe dat voor het bouwplan een parkeerbehoefte bestaat van 17,4 parkeerplaatsen, afgerond 18 parkeerplaatsen.

[appellant] kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat bij de berekening van de parkeerbehoefte rekening moet worden gehouden met de parkeerbehoefte van de commerciële ruimte op de begane grond. Het bouwplan voorziet niet in een wijziging van het oppervlakte en het gebruik van die ruimte en derhalve evenmin in een toename van de parkeerbehoefte. Evenmin hoeft rekening te worden gehouden met eventueel bestaande parkeerproblemen in de omgeving van het perceel dan wel in de gemeente Soest.

2.3.4. Het bouwplan voorziet in de aanleg van 27 parkeerplaatsen op het terrein achter de bebouwing. Ter zitting is gebleken dat dit terrein, anders dan [appellant] betoogt, niet officieel in gebruik was als parkeerterrein, zodat geen sprake is van de situatie dat parkeerplaatsen die als gevolg van het bouwplan zullen verdwijnen bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid moeten worden betrokken.

De 27 parkeerplaatsen worden aangelegd op een terrein dat ook hoort bij de percelen Koninginnelaan 24-28. De voor die percelen benodigde parkeerplaatsen dienen dan ook te worden betrokken bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in verband met voor die percelen verleende bouwvergunningen een verplichting bestaat vijf parkeerplaatsen aan te leggen. De omstandigheid dat, zoals [appellant] betoogt, voor deze percelen in werkelijkheid meer dan vijf parkeerplaatsen nodig zijn, kan, wat daar ook van zij, in de onderhavige procedure niet aan de orde komen. Dit geldt eveneens voor een ten aanzien van die woningen opgestelde splitsingsakte die door [appellant] is overgelegd.

Het vorenstaande betekent dat 22 parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor het onderhavige perceel Koninginnelaan 22. Nu voor dat perceel een parkeerbehoefte van 17,4 parkeerplaatsen bestaat, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan voldoet aan artikel 2.5.30 van de bouwverordening. Het betoog faalt.

2.4. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot een door een verkeersdeskundige verricht onderzoek heeft hij ter zitting ingetrokken.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

473.