Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4697

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201006303/1/H3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BM9276, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2008 heeft de burgemeester de woning aan de [locatie] te Monster (hierna: de woning) met onmiddellijke ingang voor de duur van zeven dagen gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2011/55 met annotatie van M.L. Diepenhorst en H.C. Lagrouw
AB 2012/183 met annotatie van A.E. Schilder, J.G. Brouwer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006303/1/H3.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 mei 2010 in zaken nrs. 09/5058 en 10/1 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de burgemeester van Westland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2008 heeft de burgemeester de woning aan de [locatie] te Monster (hierna: de woning) met onmiddellijke ingang voor de duur van zeven dagen gesloten.

Bij besluit van 17 oktober 2008 heeft de burgemeester de sluiting van de woning met maximaal zeven dagen verlengd.

Bij besluit van 23 oktober 2008 heeft de burgemeester de sluiting van de woning opgeheven.

Bij besluit van 11 juni 2009 heeft de burgemeester het door [appellant A] tegen de besluiten van 11 oktober 2008 en 17 oktober 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eveneens bij besluit van 11 juni 2009 heeft de burgemeester het door [appellant B] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit is gericht tegen het besluit van 11 oktober 2008 en ongegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen het besluit van 17 oktober 2008.

Bij uitspraak van 26 mei 2010, verzonden op 3 juni 2010, heeft de rechtbank de door [appellanten] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2011, waar [appellant B], bijgestaan door mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat te Den Haag, [appellant A], vertegenwoordigd door mr. Schuckink Kool, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. K.J.M. Putter, mr. M.B.E. Hersmis, B.H.J. Thedinga en G.B.L. Bronkhorst, allen werkzaam bij de gemeente Westland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord.

Ingevolge het derde lid bepaalt de burgemeester in het besluit de duur van de sluiting. In geval van ernstige vrees voor herhaling van de verstoring van de openbare orde kan hij besluiten de duur van de sluiting tot een door hem te bepalen tijdstip te verlengen.

Ingevolge het vierde lid worden bij de bekendmaking van het besluit belanghebbenden in de gelegenheid gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd. De eerste volzin is niet van toepassing, indien voorafgaande bekendmaking in spoedeisende gevallen niet mogelijk is.

2.2. De burgemeester heeft aan de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 11 en 17 oktober 2008 ten grondslag gelegd dat in en rond de woning ernstige strafbare feiten, zoals openlijke geweldpleging en verboden wapenbezit, zijn gepleegd en ernstige wanordelijkheden, bestaande uit vechtpartijen tussen de bewoners van de woning en omwonenden, hebben plaatsgevonden, en dat hierdoor de openbare orde is verstoord. De burgemeester heeft deze overwegingen gebaseerd op een feitenrelaas, dat is opgesteld door de regiopolitie Haaglanden, Bureau Westland. Volgens dit relaas is de woning op 8 september 2008 gekraakt en zijn al een paar dagen hierna spanningen ontstaan tussen de plaatselijke jeugd en de nieuwe bewoners van de woning, die een extreemrechtse achtergrond zouden hebben. Zo is in de eerste week melding gemaakt van twee incidenten, waarbij achtereenvolgens een steen en een brandend voorwerp bij de woning naar binnen zijn gegooid. De politie heeft naar aanleiding van deze incidenten twee mensen aangehouden. Een aantal dagen later meenden de bewoners de persoon te herkennen die het brandende voorwerp heeft gegooid, waarop deze persoon door hen is mishandeld. De wijkagent is niet binnengelaten toen hij naar aanleiding van deze gebeurtenis de woning heeft bezocht en de bewoners hebben gedreigd de hulp van een groep sympathisanten te regelen om de spanningen met de lokale jeugd het hoofd te bieden. Enkele dagen later hebben de bewoners op last van de wijkagent enkele vlaggen verwijderd. Op 28 september 2008 zijn surveillanten door de plaatselijke jeugd aangesproken met de mededeling dat de bewoners zich jegens hen uitdagend gedroegen. Op 9 oktober 2008 heeft een van de bewoners aan de wijkagent verteld dat die ochtend een aantal leden van een linkse antifascistische groepering bij de woning is geweest en voor onrust bij omwonenden heeft gezorgd. De bewoners hadden de woning inmiddels van camera's voorzien, waarmee zij de leden van deze groepering in beeld wilden krijgen. Ook hadden zij diverse kijkgaten in de woning gemaakt en lagen in de woonkamer twee katapulten waarmee steentjes konden worden afgeschoten. In de nacht van 10 op 11 oktober 2008 is de situatie geëscaleerd en werd door ongeveer veertig personen gevochten bij de woning. Toen de politie ter plaatse kwam, werd zij vanuit de woning met vuurwerk en glas bestookt. De buurtbewoners gingen massaal de straat op. Naar aanleiding hiervan zijn zeven verdachten aangehouden en is de woning op last van de officier van justitie doorzocht. Daarbij zijn molotovcocktails, zwaar vuurwerk en messen aangetroffen, zo volgt uit het relaas. De politie heeft verzocht de woning te sluiten, aldus de burgemeester.

2.3. [appellant B] bestrijdt met succes het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester zijn bezwaar tegen het besluit van 11 oktober 2008 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Vaststaat dat het besluit op dezelfde dag op de woning is aangeplakt en op de website van de gemeente is gepubliceerd. Hoewel het besluit ook voor anderen dan de bewoners van de woning van betekenis is, is dit in de eerste plaats tot de bewoners gericht. Daarom diende het besluit op de voet van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bekend te worden gemaakt door toezending of uitreiking aan hen. Ter zitting bij de Afdeling is namens de burgemeester verklaard dat het besluit ook aan de politie is meegegeven. [appellant B] was vanaf de nacht van 10 op 11 oktober 2008 echter gedetineerd. Hij heeft onweersproken gesteld dat de politie het besluit niet aan hem heeft uitgereikt tijdens zijn detentie. Gelet op artikel 3:41, eerste lid, van de Awb betekent dit dat het besluit niet op of omstreeks 11 oktober 2008 aan [appellant B] is bekendgemaakt. [appellant B] heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar op 25 maart 2009 verklaard dat hij op vrijdag 21 november 2008 uit detentie is ontslagen en dat hij pas kort daarvoor van de sluiting van de woning heeft vernomen. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb volgt hieruit dat zijn bezwaarschrift van 27 november 2008, bij de burgemeester op 3 december 2008 ingekomen, tijdig is ingediend en ten onrechte niet ontvankelijk is verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. [appellanten] betogen dat de rechtbank met het oordeel dat het gebeurde in de nacht van 10 op 11 oktober 2008 moet worden aangemerkt als een ernstige verstoring van de openbare orde, als bedoeld in artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet, heeft miskend dat het door de bewoners gebruikte geweld uit noodweer plaatsvond. Zij bestrijden dat de bewoners provocerend gedrag hebben vertoond en zich gewelddadig tegen de politie hebben gedragen.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201005518/1/H3; www.raadvanstate.nl), was in het oorspronkelijke wetsvoorstel inzake de invoeging van artikel 174a in de Gemeentewet (Kamerstukken II 1995/96, 24 699, nr. 2) de in dat artikel neergelegde sluitingsbevoegdheid, naar ook bevestigd werd in de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1995/96, 24 699, nr. 3), uitsluitend voorzien om te kunnen optreden tegen verstoring van de openbare orde als gevolg van drugshandel in een woning. Mede naar aanleiding van de opmerkingen van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is de reikwijdte van het wetsvoorstel bij nota van wijziging (Kamerstukken II 1996/97, 24 699, nr. 6) verruimd tot niet-drugsgerelateerde verstoringen van de openbare orde. In de nota naar aanleiding van het verslag over het wetsvoorstel (Kamerstukken II 1996/97, 24 699, nr. 5) is daarover echter tevens opgemerkt dat sluiting van een woning slechts gerechtvaardigd kan zijn bij overlast die wat betreft de risico's voor de omgeving te vergelijken is met drugsoverlast. Het moet gaan om overlast die maatschappelijk onaanvaardbare vormen heeft aangenomen en die niet met andere, minder ingrijpende middelen kan worden bestreden, aldus de nota. Bij de totstandkoming van artikel 174a van de Gemeentewet is voorts benadrukt dat de wetgever met "verstoring van de openbare orde" een ernstige bedreiging van de veiligheid en gezondheid van mensen in de directe omgeving van de woning voor ogen heeft gestaan.

2.4.2. Zoals de Afdeling voorts in voormelde uitspraak in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 174a van de Gemeentewet, als hiervoor beschreven, heeft overwogen, vergt verstoring van de openbare orde in de zin van artikel 174a van de Gemeentewet overlast waardoor de veiligheid en gezondheid van mensen in de omgeving van de woning in ernstige mate worden bedreigd. Aan de hand van concrete, objectieve en verifieerbare gegevens moet aannemelijk worden gemaakt dat zich in de woning of op het daarbij behorende erf ernstige gedragingen voordoen en dat, zoals bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel inzake de invoeging van artikel 174a in de Gemeentewet is opgemerkt (Kamerstukken II 1996/97, 24 699, nr. 13, blz. 20), daardoor verschillende soorten ernstige overlast zich met grote regelmaat en langdurig voordoen.

Ingeval de burgemeester aldus aannemelijk maakt dat vanuit de woning of het bijbehorende erf de openbare orde rond de woning wordt verstoord, is hij ingevolge artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan. Van toepassing van deze bevoegdheid dient de burgemeester echter af te zien indien sluiting van de woning onevenredig zou zijn. In dat verband dient de burgemeester aannemelijk te maken dat de verstoring van de openbare orde niet afdoende kan worden bestreden met minder ingrijpende maatregelen.

Ter beoordeling staat of de burgemeester op grond van het hiervoor onder 2.2 vermelde, aan de sluiting van de woning ten grondslag gelegde feitenrelaas aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet is voldaan.

2.4.3. De rechtbank heeft in hetgeen [appellanten] in beroep hebben aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de burgemeester redelijkerwijs aan de juistheid van het feitenrelaas heeft moeten twijfelen, nu dit relaas door hen slechts ten dele is betwist en die betwisting bovendien bij gebrek aan enige onderbouwing onvoldoende is om afbreuk aan het relaas te doen. De Afdeling acht evenals de rechtbank aannemelijk dat de massale vechtpartijen tussen de bewoners van de woning, inclusief hun aanhang, en hen vijandig gezinde groepen en tussen de bewoners en de politie, in de nacht van 10 op 11 oktober 2008 een onveilige situatie voor omwonenden en een grote mate van onrust in de buurt hebben veroorzaakt. Uit het feitenrelaas kan echter niet worden opgemaakt wie deze escalatie van de situatie in welke mate heeft veroorzaakt. De omstandigheden dat nadat de situatie eenmaal was geëscaleerd een gewelddadige confrontatie van de bewoners met de politie heeft plaatsgevonden en dat bij de huiszoeking wapens zijn aangetroffen, bieden daarvoor onvoldoende uitsluitsel. Ter zitting bij de Afdeling is namens de burgemeester ook verklaard dat niet duidelijk is wie de escalatie heeft veroorzaakt, omdat de gevechten al in volle gang waren toen de politie ter plaatse kwam. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het feit dat de overlast mede aan de bewoners was te wijten onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat de openbare orde rond de woning uitsluitend of overwegend vanuit de woning of het bijbehorende erf werd verstoord. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat uit het feitenrelaas blijkt dat de bewoners in de periode voorafgaand aan deze nacht vijandig zijn bejegend door lokale jeugd dan wel personen met een tegengestelde politieke overtuiging, en dat daarbij provocaties zijn geuit en strafbare feiten jegens de bewoners zijn gepleegd. Dat, zoals evenzeer uit het feitenrelaas volgt, ook de bewoners bij gelegenheid geweld hebben gebruikt en hebben geprovoceerd, is onvoldoende om te oordelen dat de overlast uitsluitend of overwegend vanuit de woning is ontstaan. Gelet hierop acht de Afdeling, anders dan de rechtbank, met de gegevens zoals deze zijn neergelegd in het feitenrelaas niet aannemelijk gemaakt dat door gedragingen in de woning of op het bijbehorende erf de openbare orde rond de woning werd verstoord. Dit document vormt daarom onvoldoende grondslag voor de conclusie dat de burgemeester ingevolge artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd was om tot sluiting van de woning over te gaan. Hieruit volgt dat de besluiten op bezwaar van 11 juni 2009 onvoldoende deugdelijk zijn gemotiveerd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van [appellanten] gegrond verklaren en het besluit op het bezwaar van [appellant B] vernietigen wegens strijd met de artikelen 6:8, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb en het besluit op het bezwaar van [appellant A] vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De burgemeester dient opnieuw op de bezwaren van [appellanten] te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

2.6. De burgemeester dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 mei 2010 in zaken nrs. 09/5058 en 10/1;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van de burgemeester van Westland van 11 juni 2009, kenmerken CB-08-00439 en CB08-00507;

V. veroordeelt de burgemeester van Westland tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00 (zegge: vijftienhonderdachttien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de burgemeester van Westland aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van de beroepen en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

419-598.