Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201002409/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuiderpark-Stadswalzone" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2011/15 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/4691
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201002409/1/R3.

Datum uitspraak: 16 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Belangenvereniging Hekellaan (hierna: de vereniging), gevestigd te 's-Hertogenbosch,

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuiderpark-Stadswalzone" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2010, [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2010 en [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De vereniging, de raad en de vereniging BTC De Pettelaer hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2010, waar [appellante sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], de vereniging, vertegenwoordigd door mr. L. Bier, advocaat te Vught, en H.J.M. Schoones, [appellant sub 3] en anderen, bijgestaan door mr. P.P.W. Eijssen, de raad, vertegenwoordigd door P.L. Hendriks, J.B. Hunink, E. van Voorst, J. Klaazen, B. Janssen en ir. I. Scheffers, allen werkzaam bij de gemeente, en drs. J.V. Harbers, ir. D.J. Suverkropp en ir. M.M.R. Buijsse, allen werkzaam bij Peutz B.V., zijn verschenen. Voorts is ter zitting de vereniging BTC De Pettelaer, vertegenwoordigd door mr. N.J.W.M. de Leeuw, verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor een ondergrondse parkeergarage met 1.100 plaatsen aan de Hekellaan en de verplaatsing van een bestaande tennisaccommodatie aan de Hekellaan naar een locatie aan de Limietlaan, aan de zuidzijde van de binnenstad van ’s-Hertogenbosch.

Het beroep van de vereniging en [appellante sub 2]

2.2. [appellante sub 2] betoogt dat een aantal op de zaak betrekking hebbende stukken ten onrechte niet met het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd. Deze stukken betreffen het overleg met de brandweer in 2002, het onderzoek naar de bereikbaarheid van de binnenstad per auto van 's-Hertogenbosch in 2003, de financiële gevolgen van de sluiting van parkeergarage Wolvenhoek in 2009, alsmede een tekening van de ontsluitingsvariant van de Pettelaarseweg. Voorts zijn ten onrechte niet met het ontwerp van het plan ter inzage gelegd het rapport van 19 augustus 2009 ten aanzien van het onderzoek naar de luchtkwaliteit en de bijlagen van 18 augustus 2009 bij het rapport ten aanzien van het onderzoek naar de geluid- en lichtaspecten van de voorziene parkeergarage, aldus [appellante sub 2].

2.2.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.2.2. Uit de stukken die betrekking hebben op het overleg met de brandweer in 2002 en het verhandelde ter zitting is gebleken dat dit overleg slechts oriënterend van aard was. Niet is gebleken dat de inhoud van deze stukken van zodanig belang is dat zij redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp.

Evenmin kan het rapport "Simulatie en analyse autobereikbaarheid binnenstad 's-Hertogenbosch" van Goudappel Coffeng van 3 september 2003 aangemerkt worden als een op de zaak betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van het ontwerp, nu niet is gebleken dat dit rapport betrokken is bij de totstandkoming van het ontwerp van het plan en er geen aanleiding is voor het oordeel dat dit wel had moeten geschieden.

Het stuk "Overzicht financiële gegevens openbare parkeerplaatsen, weken 24, 25 en 26 van 2009" betreft de financiële gevolgen van de sluiting van de parkeergarage Wolvenhoek in deze weken voor parkeergelegenheden in de omgeving. Niet valt in te zien dat dit stuk redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van het ontwerp.

Datzelfde geldt voor een enkele tekening van een ontsluitingsvariant van de Pettelaarseweg.

Er bestond dan ook geen verplichting deze stukken op de voet van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb met het ontwerp van het plan ter inzage te leggen.

Het ontwerp van het plan heeft vanaf 8 juni 2009 zes weken ter inzage gelegen. Het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek, bestemmingsplan Stadswalzone; actualisatie-onderzoek op basis van de nieuwe generieke invoergegevens (versie maart 2009)" van Peutz B.V. van 19 augustus 2009 is totstandgekomen na de termijn voor terinzagelegging van het ontwerp. Ook de bijlagen van 18 augustus 2009 bij het rapport "Parkeergarage Hekellaan: beschouwing van geluid- en lichtaspecten" van Peutz B.V. van 16 juni 2008 zijn na deze termijn totstandgekomen. Nu deze stukken ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp van het plan nog niet bestonden, bestond er ook geen verplichting om deze stukken met het ontwerp ter inzage te leggen.

Het betoog faalt.

2.3. De vereniging en [appellante sub 2] betogen dat de raad ten onrechte het plan heeft vastgesteld. In dit verband stellen zij dat de raad heeft miskend dat een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998, zoals die ten tijde van het vaststellingsbesluit luidde (hierna: Nbw 1998 (oud)), had moeten worden gemaakt. Naar hun mening kan op grond van de voortoets niet worden uitgesloten dat het plan negatieve gevolgen zal hebben voor het in de nabije omgeving gelegen Natura 2000-gebied "Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek". Voorts stellen zij dat een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld, dan wel beoordeeld had moeten worden of het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

2.3.1. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, aanhef en onder a, van de Nbw 1998 (oud) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

2.3.2. In opdracht van de gemeente 's-Hertogenbosch heeft Oranjewoud een voortoets uitgevoerd naar de mogelijke gevolgen van de aanleg van de in het plan voorziene parkeergarage voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied "Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek". De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Voortoets parkeergarage Hekellaan 's-Hertogenbosch, toetsing aanleg parkeergarage aan Natuurbeschermingswet" van 7 november 2008 (hierna: de voortoets). In het kader van de voortoets is tevens gebruik gemaakt van het rapport "Waterparagraaf parkeergarage Hekellaan te 's-Hertogenbosch" (hierna: rapport Waterparagraaf) van Arcadis van 29 september 2005, waarin de resultaten zijn neergelegd van het hydrologische onderzoek naar de gevolgen van de realisatie van de parkeergarage op de (grond)waterhuishouding in en om het plangebied.

In opdracht van de gemeente heeft Royal Haskoning een beoordeling gegeven van het rapport Waterparagraaf. De resultaten van deze beoordeling heeft Royal Haskoning neergelegd in zijn brief van 6 mei 2009. Hierin wordt geconcludeerd dat het rapport Waterparagraaf een duidelijke beschrijving geeft van de opzet en resultaten van het uitgevoerde onderzoek en dat de uitwerking hiervan voldoende is om goed inzicht te verkrijgen in de hydrologische effecten van de bouw van de parkeerkelder. De conclusies in het rapport Waterparagraaf worden door Royal Haskoning onderschreven.

Voorts heeft het Waterschap Aa en Maas bij brief van 9 februari 2009 een positief wateradvies gegeven.

Volgens de voortoets is als uitgangspunt genomen bij de toetsing aan de Natuurbeschermingswet 1998 (oud) dat zekerheid wordt verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het nabijgelegen Natura 2000-gebied niet worden aangetast, alsook dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats van soorten, dan wel de verstoring van soorten niet optreedt.

In de voortoets wordt geconcludeerd dat de parkeergarage niet tot een wezenlijke verandering van de waterhuishouding in de omgeving zal leiden. Voorts wordt geconcludeerd dat geen significant negatieve effecten op de kwalificerende habitattypen en habitatsoorten van het nabijgelegen Natura 2000-gebied zijn te verwachten en dat ook geen negatieve effecten in de vorm van verstoring of verslechtering worden verwacht. Deze conclusie heeft volgens de voortoets betrekking op zowel de realisatiefase als de fase na ingebruikname. Voor de realisatie van de voorziene parkeergarage behoeft derhalve geen vergunning zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Nbw 1998 (oud) te worden aangevraagd, aldus de voortoets.

In antwoord op de door de Afdeling gestelde vragen naar aanleiding van de in de voortoets gebruikte termen wordt in de brief van Oranjewoud van 15 november 2010 gesteld dat in de voortoets bedoeld wordt dat voornoemde negatieve effecten voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten. Voorts staat in deze brief dat in het rapport Waterparagraaf bedoeld wordt dat de minimale effecten op de waterhuishouding met zekerheid niet zullen leiden tot negatieve effecten voor de ecologische waarden in het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Gelet op zowel de inhoud van de voortoets, waaronder het hiervoor genoemde uitgangspunt van dit onderzoek, als de inhoud van het rapport Waterparagraaf acht de Afdeling dit een juiste uitleg van de conclusies van deze onderzoeken.

De vereniging en [appellante sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies van de onderzoeken onjuist zijn. Gelet hierop heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het plan, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor het Natura 2000-gebied "Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek", de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied niet kan verslechteren en geen significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Nu daarom geen sprake is van een plan als bedoeld in artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 (oud), behoefde de raad geen aanleiding te zien een passende beoordeling te maken, zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel.

2.3.3. Ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dit luidde ten tijde van het vaststellingbesluit (hierna: Wet milieubeheer (oud), wordt een milieueffectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19f, eerste lid van de Nbw 1998 (oud).

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 (oud), voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 (oud) maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

2.3.4. Nu, gelet op hetgeen onder 2.3.2 is overwogen, op grond van objectieve gegevens significante gevolgen van de realisatie en het gebruik van de in het plan voorziene parkeergarage voor het Natura 2000-gebied "Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek" kunnen worden uitgesloten en mitsdien geen passende beoordeling als bedoeld in artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 (oud) behoefde te worden gemaakt, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat, gelet op het bepaalde in artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud), in samenhang met artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 (oud), geen plicht bestaat tot het maken van een milieueffectrapport.

2.4. De vereniging en [appellante sub 2] stellen dat de noodzaak van de voorziene parkeergarage niet is gebleken. Voorts stellen zij dat het verkeersonderzoek niet volledig is en dat de conclusies van dit onderzoek niet voldoende zijn onderbouwd. Zij betwijfelen of het gehanteerde gebiedgerichte aanpak-model (hierna: GGA-verkeersmodel) geschikt is om de verkeersstromen over de Hekellaan te berekenen. Volgens hen is niet duidelijk hoe in dit model rekening is gehouden met bestaande parkeervoorzieningen, zoals de parkeergelegenheden aan de rand van de stad (transferia). Daarnaast menen zij dat in het verkeersonderzoek ten onrechte is uitgegaan van sturing van automobilisten naar transferia en van verkeerstellingen in 2004.

Zij twijfelen aan de juistheid van de aanname dat een parkeerplaats gemiddeld drie keer per dag wordt bezet. Verder is geen rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de in het plan voorziene horecavoorziening en het kinderdagverblijf, aldus de vereniging en [appellante sub 2].

Voorts stellen de vereniging en [appellante sub 2] dat de stelling van de raad dat het fietsverkeer nauwelijks van invloed is op de ontsluiting van de in het plan voorziene parkeergarage, onvoldoende is onderbouwd. Telgegevens uit 1999 zijn te oud om te kunnen dienen als uitgangspunt nu de verkeersstromen sindsdien aanzienlijk zijn gewijzigd. Zij vrezen dat het aantal fietsers op de Hekellaan tot opstoppingen zal leiden.

Daarnaast stellen zij dat niet is onderzocht of het verkeer vanaf zijstraten en opritten langs de Hekellaan gehinderd zal worden door de nieuwe ontwikkeling en in hoeverre de verkeersveiligheid hierbij in het geding is.

[appellante sub 2] betwist voorts de aanname van de raad dat de verkeersstromen vanuit westelijke en oostelijke richting van en naar de voorziene parkeergarage even groot zijn.

2.4.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van voldoende parkeerplaatsen in de binnenstad noodzakelijk is voor het economisch functioneren van de binnenstad. Volgens de raad bestaat behoefte aan ongeveer 6.000 parkeerplaatsen voor bezoekers van de binnenstad. In de zogenoemde transferia zal worden voorzien in 3.000 parkeerplaatsen ten behoeve van parkeren voor langer dan 2 uur, terwijl in parkeergarages aan de rand van de binnenstad zal worden voorzien in 3.000 parkeerplaatsen voor parkeren voor korter dan 2 uur. De voorziene parkeergarage voorziet tezamen met garage GZG in ongeveer tweederde deel van de totale behoefte voor de binnenstad.

In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad de voorziene parkeergarage ten onrechte noodzakelijk heeft geacht gelet op de parkeerbehoefte.

2.4.2. In het kader van het onderzoek naar de verkeersstromen over de Hekellaan is het GGA-verkeersmodel gebruikt.

Volgens het rapport "Verkeersmodel GGA regio 's-Hertogenbosch 2004, 2015 en 2020, Technische rapportage" van Goudappel Coffeng van 9 juli 2008 beschrijft het GGA-verkeersmodel het aantal verplaatsingen per vervoerswijze voor het basisjaar 2004 en de prognosejaren 2015 en 2020 voor de GGA regio 's-Hertogenbosch. In het GGA-verkeersmodel is teneinde een realistisch beeld van de verkeersstromen te verkrijgen onder meer rekening gehouden met de omstandigheid dat het verkeer via de beschikbare parkeercapaciteit verdeeld wordt over de binnenstad. Daarnaast is in dit model rekening gehouden met transferia die de toegangswegen naar de binnenstad ontlasten. In dit verband wordt opgemerkt dat de sturing van automobilisten naar transferia plaatsvindt door middel van gerichte informatievoorziening over onder meer de hoogte van parkeertarieven. Ook is in het GGA-verkeersmodel rekening gehouden met de aanwezige capaciteit in het verkeersnetwerk tijdens spitsperioden. In de plantoelichting staat voorts dat in het GGA-verkeersmodel gegevens zijn verwerkt van verkeerstellingen die op de Hekellaan gehouden zijn in 2004, 2006 en 2008.

In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad het GGA-verkeersmodel niet heeft mogen hanteren bij het onderzoek naar de verkeersstromen over de Hekellaan.

2.4.3. In het GGA-verkeersmodel is geen rekening gehouden met het extra verkeer op de Hekellaan als gevolg van de voorziene parkeergarage. In opdracht van de gemeente 's-Hertogenbosch heeft DHV B.V. een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de voorziene parkeergarage voor de omliggende wegen en kruispunten. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Doorstromingsstudie Hekellaan, Verkeerskundige gevolgen van de aanleg van een parkeergarage met 1.100 plaatsen" van DHV B.V. van 23 oktober 2008 (hierna: de doorstromingsstudie).

Wat betreft de aanname van het aantal keren dat een parkeerplaats per dag wordt bezet, is in dit onderzoek aansluiting gezocht bij een bestaande garage voor kortparkeerders, nu de parkeerplaatsen in de voorziene parkeergarage overwegend bestemd zijn voor kortparkeerders. De Afdeling acht dit, gelet op de locatie van de voorziene parkeergarage nabij het stadscentrum en de beschikbaarheid van transferia voor langparkeren, niet onjuist. Nu de voorziene horecabestemming en het kinderdagverblijf in de nabijheid van de parkeergarage zijn gelegen en deze garage mede bestemd is voor parkeerders die gebruik maken van deze voorzieningen, ziet de Afdeling geen reden om aan te nemen dat geen rekening is gehouden met de verkeersaantrekkende werking van deze voorzieningen. Volgens de doorstromingsstudie zal de voorziene parkeergarage niet leiden tot groeiende of lange wachtrijen in de verkeersafwikkeling op en rondom de Hekellaan. De vereniging en [appellante sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies van de doorstromingsstudie onjuist zijn.

In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het verkeersonderzoek onvolledig is geweest en dat de conclusies van dit onderzoek onvoldoende zijn onderbouwd.

2.4.4. De Afdeling overweegt dat de enkele stelling dat de tellingen ten aanzien van het fietsverkeer op de Hekellaan in 1999 heeft plaatsgevonden niet betekent dat deze tellingen verouderd zijn. Daarnaast heeft volgens de Nota Zienswijzen op 29 maart 2009 wederom een telling plaatsgevonden welke telling nauwelijks een verschil laat zien met de telling in 1999. De vereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze tellingen onjuist zijn en dat er opstoppingen op de Hekellaan zullen ontstaan als gevolg van het fietsverkeer.

2.4.5. Volgens de doorstromingsstudie zijn de wachttijden voor het verkeer dat de Hekellaan op wil rijden vanuit de op deze weg aangesloten woonstraten minimaal. Er zijn geen verkeersveiligheidsproblemen te verwachten als gevolg van de parkeergarage, zo staat in de doorstromingsstudie. De vereniging en [appellante sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies van de doorstromingsstudie op dit punt onjuist zijn.

2.4.6. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkeersstromen vanuit westelijke en oostelijke richting van en naar de voorziene parkeergarage even groot zijn. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij gewezen op verkeerstellingen in 2006 met betrekking tot de verkeersbewegingen van auto’s van en naar het Vonk- en Vlamterrein en de toekomstige wijziging van de plaatselijke verkeerssituatie.

In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de aanname dat voornoemde verkeersstromen even groot zullen zijn, onjuist is.

2.5. De vereniging en [appellante sub 2] betwisten de juistheid van de conclusies van het rapport "Luchtkwaliteitonderzoek bestemmingsplan Zuiderpark-Stadswalzone; actualisatie-onderzoek op basis van de nieuwe generieke invoergegevens (versie maart 2009)" van Peutz B.V. van 19 augustus 2009 (hierna: het luchtkwaliteitsrapport). Daartoe stellen zij dat de in het luchtkwaliteitsrapport gehanteerde bomenfactor niet juist is. Daarnaast stellen zij dat onjuist is het uitgangspunt om geen rekening te houden met extra stagnatie ten aanzien van de gehanteerde snelheidstypering "normaal stadsverkeer" voor de locaties Hekellaan, Oostwal en Pettelaarseweg en ten aanzien van de snelheidstypering "doorstromend stadsverkeer" voor de locatie Zuidwal. Volgens hen komt ter plaatse van deze locaties stagnatie voor vanwege de aanwezigheid van verkeerslichten. Voorts stellen zij dat voor het beoordelingspunt aan de Zuid-Willemsvaart de aangehouden afstand tot de weg te ruim is.

[appellante sub 2] heeft voorts naar voren gebracht dat in het luchtkwaliteitsonderzoek niet is onderbouwd waarom een lage waarde is aangehouden ten aanzien van het aandeel vrachtverkeer.

2.5.1. In het luchtkwaliteitsrapport staat dat in het kader van het luchtkwaliteitsonderzoek voor de toetslocaties 9 en 10 aan de Pettelaarseweg een bomenfactor van onderscheidenlijk 1,25 en 1,0 is gehanteerd. Blijkens rekenbijlage III bij het luchtkwaliteitsrapport is voor de toetslocaties 9 en 10 een bomenfactor van onderscheidenlijk 1,0 en 1,25 gebruikt.

In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat ten aanzien van voornoemde toetslocaties in het luchtkwaliteitsrapport een onjuiste bomenfactor vermeld staat, maar dat desalniettemin blijkens rekenbijlage III gerekend is met de juiste bomenfactor. De vereniging en [appellante sub 2] hebben niet onderbouwd dat een onjuiste bomenfactor bij de berekeningen is gehanteerd.

2.5.2. Ter zitting heeft de raad uiteengezet dat in de snelheidstyperingen "normaal stadsverkeer" en "doorstromend stadsverkeer", die in het luchtkwaliteitsrapport zijn gehanteerd, de normale stagnatie door verkeerslichten reeds is verdisconteerd. De vereniging en [appellante sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het luchtkwaliteitsonderzoek ten aanzien van voornoemde locaties geen rekening is gehouden met stagnatie door verkeerslichten.

2.5.3. Ingevolge artikel 70, aanhef en onder b, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit, voor zover hier van belang, worden bij het door middel van berekening vaststellen van concentraties van de in dit artikel genoemde stoffen in de buitenlucht bij voor motorvoertuigen bestemde wegen concentraties bepaald op niet meer dan 10 meter afstand van de wegrand.

2.5.3.1. Volgens het luchtkwaliteitsrapport bedraagt de rekenafstand voor het beoordelingspunt aan de Zuid-Willemsvaart 10 m van de wegas, welke afstand op dat punt overeenkomt met 4 m vanaf de wegrand. Volgens het luchtkwaliteitsrapport ligt de gevel van bebouwing ter plaatse op 4 m van de wegrand. Niet is gebleken dat dat onjuist is. Gelet op het vorenstaande faalt het betoog van de vereniging en [appellante sub 2] dat het beoordelingspunt op een te ruime afstand van de weg is gelegen.

2.5.4. Volgens de raad is het aandeel vrachtverkeer waarvan in het luchtkwaliteitsonderzoek wordt uitgegaan gebaseerd op verkeergegevens uit het GGA-verkeersmodel. Dit model is onder meer gebaseerd op tellingen van het wegverkeer en houdt rekening met bestaande en toekomstige verkeersstromen. In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het aandeel vrachtverkeer in het luchtkwaliteitsrapport onvoldoende is onderbouwd.

2.6. De vereniging en [appellante sub 2] betogen dat de akoestische gevolgen van het voorziene ventilatiesysteem van de parkeergarage niet voldoende inzichtelijk zijn gemaakt. Daarnaast betwisten zij de conclusie in het rapport "Parkeergarage Hekellaan: beschouwing van geluid- en lichtaspecten" van Peutz van 16 juni 2008 (hierna: het akoestische rapport) dat geen sprake is van een reconstructie als bedoeld in de Wet geluidhinder. Voorts voeren zij met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2009 in zaak nr. 200809438/1/M1 aan dat de raad in verband met de vraag of het geluidniveau binnen de woningen aan de Hekellaan onder de waarde van 35 dB(A) blijft, ten onrechte alleen het parkeerverkeer in het akoestische onderzoek in aanmerking heeft genomen en niet al het wegverkeer op de Hekellaan. Verder is niet gebleken dat het onderzoek naar de geluidwering van de woningen ter plaatse van de voorziene parkeergarage volledig is geweest, zo voeren zij aan.

[appellante sub 2] voert voorts aan dat in het akoestische onderzoek ten onrechte is uitgegaan van een toename van 700 parkeerplaatsen ten opzichte van de bestaande situatie. Daartoe stelt zij dat het bestaande parkeerverkeer van het Vonk- en Vlamterrein haar woning niet passeert. Daarnaast voert zij aan dat in het akoestische onderzoek ten onrechte rekening is gehouden met 50% van het parkeerverkeer dat haar woning aan de [locatie 1] passeert. Verder stelt [appellante sub 2] dat in het akoestische onderzoek geen rekening is gehouden met het extra verkeer ten behoeve van de bevoorrading van de voorziene horecagelegenheid en het vervoer van klanten.

2.6.1. Blijkens het akoestische rapport is in het onderzoek rekening gehouden met de akoestische gevolgen van het in de parkeergarage voorziene ventilatiesysteem en zeven kleine installaties voor luchtafzuiging. Volgens dit rapport zal het ventilatiesysteem meestal op de laagste stand werken. Volgens de raad kan blijkens de praktijk van deze aanname worden uitgegaan nu pas bij verslechtering van de luchtkwaliteit in de parkeergarage het ventilatiesysteem wordt aangestuurd. In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om dit standpunt onjuist te achten.

Volgens het akoestische onderzoek bedraagt het geluidvermogensniveau van een ongedempt ventilatierooster met een oppervlakte van 60 m² 81 dB(A). De stelling van de vereniging en [appellante sub 2] dat dit geluidvermogensniveau te laag is, hebben zij niet onderbouwd.

In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de akoestische gevolgen van het ventilatiesysteem onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt.

2.6.2. Met betrekking tot de stelling van de vereniging en [appellante sub 2] dat in het kader van de vraag of sprake is van een reconstructie zoals bedoeld in de Wet geluidhinder als referentie voor de oude situatie ook een eventueel vastgestelde hogere waarde zou kunnen dienen, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat zich in dit geval de in artikel 100, tweede lid, van de Wet geluidhinder bedoelde situatie voordoet waarbij van een vastgestelde hogere waarde uit dient te worden gegaan als referentie voor de situatie vóór reconstructie. In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] op dit punt hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een reconstructie als bedoeld in de Wet geluidhinder.

2.6.3. In het verweerschrift heeft de raad uiteengezet dat de cumulatie van het wegverkeerslawaai op de Hekellaan met de indirecte geluidhinder vanwege de parkeergarage voor de maatgevende woning [locatie 1] is beschouwd. Volgens de raad is er nauwelijks sprake van een toename van de geluidbelasting op de voorgevel. De cumulatieve geluidbelasting op deze woning bedraagt onderscheidenlijk 63,9 dB(A) overdag, 60,1 dB(A) in de avond en 55,2 dB(A) 's nachts. De geluidbelasting vanwege het heersende wegverkeerslawaai bedraagt onderscheidenlijk 63,9 dB(A) overdag, 60,2 dB(A) in de avond en 55,2 dB(A) 's nachts.

Voor zover de vereniging en [appellante sub 2] verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2009 in zaak nr. 200809438/1/M1 (www.raadvanstate.nl), overweegt de Afdeling dat het in dat geval ging om het hanteren van de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij een vergunningplichtige inrichting. In dit geval gaat het evenwel om een niet-vergunningplichtige inrichting, waarvoor wat betreft het aspect geluid de regels van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van belang zijn. Deze regels bevatten geen verplichting om te toetsen of de gecumuleerde geluidbelasting van het verkeer van en naar de inrichting en het wegverkeer leidt tot een overschrijding van een binnenniveau van 35 dB(A).

2.6.4. Voor het bepalen van de geluidwering van de woningen ter plaatse van de voorziene parkeergarage is in het rapport "Bepaling geluidwering gevel woningen Hekellaan 12 tot en met 34 te 's-Hertogenbosch" van Peutz B.V. van 16 juni 2008 een berekening uitgevoerd op basis van bouwkundige tekeningen, foto's van de woningen en een opname ter plaatse. Volgens de raad volgt uit deze berekening dat de geluidwering van deze woningen toereikend is om te waarborgen dat het geluidniveau van 35 dB(A) binnen deze woningen niet zal worden overschreden als gevolg van het geluid van het verkeer van en naar de parkeergarage. De vereniging en [appellante sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de berekening gebaseerd is op onvolledige gegevens.

2.6.5. In het akoestische rapport wordt weliswaar opgemerkt dat wordt gerekend met een toename van ongeveer 700 parkeerplaatsen ten opzichte van de bestaande situatie, waarin 400 parkeerplaatsen beschikbaar zijn op het Vonk- en Vlamterrein, doch daarmee is niet bedoeld te zeggen dat in het akoestische onderzoek voor wat de akoestische gevolgen van het verkeer van en naar de parkeergarage betreft met de beschikbaarheid van slechts 700 parkeerplaatsen is gerekend. In het akoestische rapport is bij de berekening van deze gevolgen uitgegaan van een capaciteit van de garage van ongeveer 1.100 plaatsen.

2.6.6. In het akoestische rapport is voorts als uitgangspunt gehanteerd dat al het parkeerverkeer de voorziene parkeergarage tegenover de woningen aan de [locatie 2] tot [locatie 1], waaronder de woning van [appellante sub 2], in- en uitrijdt. Het betoog van [appellante sub 2] dat in dit onderzoek ten onrechte slechts rekening is gehouden met 50% van het parkeerverkeer dat haar woning aan de [locatie 1] passeert, mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.6.7. Volgens de raad is de verkeersaantrekkende werking van de voorziene horecagelegenheid betrokken in het akoestische rapport, nu in dat rapport de indirecte geluidhinder vanwege de parkeergarage is onderzocht en het parkeren van voertuigen nabij de horecagelegenheid enkel mogelijk zal zijn in deze parkeergarage. Voor zover taxi’s en bevoorradingsvoertuigen geen gebruik zouden maken van de parkeergarage, merkt de raad op dat het om een kleinschalige horecagelegenheid gaat, zodat de bedoelde voertuigbewegingen geen relevante betekenis hebben voor de resultaten van het akoestische onderzoek.

In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat de akoestische gevolgen van de indirecte hinder vanwege de horecagelegenheid onvoldoende zijn onderzocht.

2.7. Voorts betogen de vereniging en [appellante sub 2] dat de raad ten onrechte de functieaanduiding "parkeergarage (pg)" heeft toegekend aan de plandelen "Groen (G)", "Verkeer (V)" en "Horeca (H)" die betrekking hebben op de gronden langs de Hekellaan ter hoogte van het bastion Baselaar. In dit verband voeren zij aan dat de planologische regeling voor zover het betreft de maximaal toelaatbare diepte van de voorziene parkeergarage rechtsonzeker is. Voorts stellen zij dat niet duidelijk is hoe drie bouwlagen binnen een hoogte van 9,25 m zijn te realiseren.

2.7.1. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder k, van de planregels zijn de voor "Groen (G)" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage (pg)' tevens bestemd voor een ondergrondse parkeergarage.

Ingevolge artikel 3.2, aanhef en onder d, mogen binnen de bestemming "Groen (G)" bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met inachtneming van de volgende bepaling: het aantal parkeerlagen van de in artikel 3.1, aanhef en onder k, bedoelde ondergrondse parkeergarage mag niet meer dan drie bedragen met een maximale diepte van 9,25 m onder NAP, zijnde 12 m onder het waterpeil van de voorziene nieuwe stadsgracht.

Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder d, zijn de voor "Verkeer (V)" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage (pg)' mede bestemd voor een ondergrondse parkeergarage.

Ingevolge artikel 5.2, aanhef en onder a, mogen binnen de bestemming "Verkeer (V)" bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met inachtneming van de volgende bepaling: het aantal parkeerlagen van de in artikel 5.2, aanhef en onder d, bedoelde ondergrondse parkeergarage mag niet meer dan drie bedragen met een maximale diepte van 9,25 m onder NAP, zijnde 12 m onder het waterpeil van de voorziene nieuwe stadsgracht.

2.7.2. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat de diepte van 9,25 m onder NAP mede voorziet in de fundering van de voorziene parkeergarage en dat de diepte van 12 m onder het waterpeil van de voorziene stadsgracht niet normatief is.

2.7.3. De Afdeling overweegt dat de maximale diepte van de voorziene parkeergarage ingevolge de planregels niet meer dan 9,25 m onder NAP mag bedragen. In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet zij geen grond voor het oordeel dat het plan op dit punt rechtsonzeker is.

Naar het oordeel van de Afdeling valt voorts niet in te zien dat de bouw van ten hoogste drie bouwlagen niet mogelijk is binnen de maximaal toegestane diepte.

2.8. De vereniging en [appellante sub 2] voeren aan dat in het plan ten onrechte geen regels zijn opgenomen ter bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Daarnaast voeren zij aan dat het plan in strijd met artikel 38a van de Monumentenwet 1988 is vastgesteld nu een gedetailleerd onderzoek ontbreekt naar de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het vooronderzoek naar de archeologische verwachtingswaarden is volgens de vereniging onvolledig. Vanwege het onvolledige onderzoek is het ook niet duidelijk of het plan uitvoerbaar is, zo stellen de vereniging en [appellante sub 2]. Ook stellen zij dat de raad hierdoor niet heeft gekeken naar alternatieve locaties of een alternatieve inrichting voor de parkeergarage. Daarnaast voeren de vereniging en [appellante sub 2] aan dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is vastgesteld nu de plantoelichting geen beschrijving bevat van de wijze waarop met de archeologische waarden rekening is gehouden.

2.8.1. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988, zoals die luidde ten tijde van het bestreden besluit (hierna: Monumentenwet 1988 (oud)), voor zover hier van belang, houdt de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro wordt voor zover bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, in de toelichting ten minste neergelegd: een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

2.8.2. In de plantoelichting staat dat bij de plannen voor de parkeergarage uitgebreid rekening is gehouden met de aanwezigheid van de stadsmuur en het bastion Baselaar welke zo veel mogelijk in het plan zijn geïntegreerd. Voorafgaand aan de realisatie van de voorziene parkeergarage zal uitgebreid archeologisch onderzoek plaatsvinden naar de stadsmuur, het bastion, de onderdoorgang van de Hekellaan en de stadsgracht. In de plantoelichting worden voorts de archeologische bevindingen aangehaald die neergelegd zijn in de notitie van de afdeling Bouwhistorie, Archeologie en Monumenten inzake archeologisch onderzoek ten behoeve van het plan Stadswalzone van 23 april 2009 (hierna: de notitie).

In de notitie staat dat in 1996 archeologisch vooronderzoek is verricht bij de stadsmuur bij het Vonk- en Vlamterrein. Het archeologische onderzoek was gericht op het verkrijgen van informatie omtrent de aanlegdiepte, constructie en opbouw van de middeleeuwse stadsmuur en het bastion. Het onderzoek heeft aan zowel de stadszijde als de veldzijde plaatsgevonden. Vanwege technische beperkingen zijn niet op alle locaties de doelstellingen van het onderzoek gehaald. Volgens de notitie zal de grond bij de in het plan voorziene parkeerkelder pas onderzocht kunnen worden tijdens de uitvoering van de bouw. Desalniettemin zijn volgens de notitie op deze locatie zeker geen andere archeologisch belangrijke zaken te verwachten die ouder zijn dan de gracht aangezien het hier een terrein betreft dat altijd zeer laag is gelegen en voor bewoning ongeschikt is geweest.

Voorts staat in de notitie dat de grond bij de in het plan voorziene tunnelbak onder de Hekellaan alleen onderzocht kan worden tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden gezien de complexiteit van deze werkzaamheden. Het onderzoek is hier gericht op het vaststellen van het oorspronkelijke maaiveld bij de stadsmuur en de aanleg van de latere aarden wallen aan de binnenzijde van deze muur. Volgens de notitie zijn hier op basis van historische gegevens verder geen andere belangwekkende archeologische zaken te verwachten.

Het onderzoek op het bastion zal voorafgaand aan de bouw plaatsvinden en zal gericht zijn op de bouw en het gebruik van het bastion en eventuele latere inrichting op het bastion, zoals de aanwezigheid van een molen, aldus de notitie.

2.8.3. De stelling dat in de plantoelichting een beschrijving ontbreekt van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden ter plaatse van de historische vestingwerken mist feitelijke grondslag. Van strijd met artikel 3.16, tweede lid, van het Bro is derhalve geen sprake.

2.8.4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 9 december 2009 in zaak nr. 200901932/1/H1, impliceert artikel 38a van de Monumentenwet 1988 (oud) blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel de plicht om kennis van het bodemarchief te vergaren. Op de raad rust de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld.

Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.

Zoals de Afdeling voorts heeft overwogen in haar uitspraak van 13 januari 2010 in zaak nr. 200901881/1/R2, acht de wetgever het voorstelbaar dat bij de totstandkoming van een bestemmingsplan een meer globale inventarisatie van archeologische waarden plaatsvindt en dat vervolgens nader onderzoek verricht wordt naar aanwezige waarden op het moment dat vanwege concrete projecten bouw- en aanlegvergunningen worden gevraagd.

2.8.5. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met artikel 38a van de Monumentenwet 1988 (oud) geen rekening heeft gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten bij de vaststelling van het plan. Daarbij overweegt de Afdeling dat de raad een globale inventarisatie van de archeologische waarden heeft gemaakt ter plaatse van de voorziene parkeergarage. In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] hebben aangevoerd wordt geen grond voor het oordeel gezien dat de globale inventarisatie onvolledig is. Dat nader onderzoek nog zal plaatsvinden betekent niet dat met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden geen rekening is gehouden. Er is geen reden voor het oordeel dat het plan vanwege de aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden niet uitvoerbaar is. Voorts heeft de raad hierin geen aanleiding behoeven te zien om te kijken naar een alternatieve locatie of inrichting voor de voorziene parkeergarage.

2.9. Volgens de vereniging en [appellante sub 2] ontbreken in het plan ten onrechte regels die strekken tot de bescherming van het stadsgezicht. In dit verband stellen zij dat de voorziene parkeergarage en horecavoorziening het beschermde stadsgezicht juist zullen aantasten. Daarnaast stellen zij dat onduidelijk is hoe de verplaatsing van de tennisaccommodatie zich, gelet op de beoogde terpvorming op de nieuwe locatie, verhoudt tot het beschermde stadsgezicht.

2.9.1. Dat de gronden ter plaatse van de voorziene parkeergarage gelegen zijn in een gebied dat aangewezen is als beschermd stadsgezicht betekent niet dat hier geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn. Het enkele feit dat het plan in een maximaal toelaatbare bouwhoogte van 7 m voor gebouwen en 3 m voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, in het plandeel "Horeca (H)" voorziet, betekent niet dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het beschermde stadsgezicht niet wordt aangetast. In dit verband wordt mede van belang geacht dat het maximale bebouwingspercentage van dit plandeel 50% bedraagt. Evenmin betekent de voorziene ontheffingsbevoegdheid voor het plandeel "Verkeer (V)" voor het vergroten van de hoogte van overkappingen en bouwwerken ten behoeve van ventilatiekanalen tot 5 m aan de zijde van de Pettelaarseweg dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. De vereniging en [appellante sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de maximaal toelaatbare hoogte van voornoemde gebouwen en voorzieningen zodanig is dat deze niet passen in de ruimtelijke structuur binnen het beschermde stadsgezicht.

Voorts acht de Afdeling van belang dat ingevolge het plan ter voorkoming van de aantasting van het beschermde stadsgezicht nadere eisen kunnen worden gesteld aan de plaats en afmeting van bebouwing in voornoemde plandelen en dat het verlenen van ontheffing van de bouwregels voor een overkapping gebonden is aan de voorwaarde dat het beschermde stadsgezicht niet onevenredig wordt aangetast.

De voorziene tennisaccommodatie ligt blijkens de verbeelding niet in een gebied dat aangewezen is als beschermd stadsgezicht. Volgens de raad zal het terrein ter plaatse van de voorziene tennisaccommodatie worden opgehoogd tot 4 m boven NAP. De bestaande hoogte van dit terrein bedraagt ongeveer 3 m boven NAP in het midden en ongeveer 4 m boven NAP aan de rand. De vereniging en [appellante sub 2] hebben niet onderbouwd dat het beschermde stadsgezicht als gevolg van de verplaatsing van de tennisaccommodatie zal worden aangetast.

2.10. Verder voeren de vereniging en [appellante sub 2] aan dat niet is gebleken dat de (brand)veiligheidsaspecten van de voorziene parkeergarage voldoende zijn onderzocht. Uit het verslag van het gesprek tussen de brandweer en Arcadis Bouw en Vastgoed B.V. uit 2002 volgt volgens hen niet dat het Bouwbesluit 2003 de bouw van de voorziene parkeergarage toelaat.

2.10.1. Volgens het verslag van het gesprek met de brandweer uit 2002 heeft de brandweer ingestemd met het plan voor vluchtwegen en de afstanden tot nooduitgangen. Uit de brief van 5 november 2009 van het Hoofd Risicobeheersing Brandweer ’s-Hertogenbosch volgt dat de brandweer de bevindingen in dit gespreksverslag nog steeds onderschrijft. Voorts heeft de raad gesteld dat verscheidene nooduitgangen in de lengte van de voorziene parkeergarage kunnen worden gerealiseerd, zodat de ingevolge het Bouwbesluit 2003 aan te houden afstand tussen twee nooduitgangen in acht kan worden genomen.

In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de brandveiligheidsaspecten van de voorziene parkeergarage niet voldoende zijn onderzocht.

2.11. Voorts voeren de vereniging en [appellante sub 2] aan dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft uitgevoerd naar trillingshinder als gevolg van de bouw en ingebruikname van de in het plan voorziene parkeergarage. [appellante sub 2] vreest dat bij de bouw schade aan haar woning zal ontstaan.

2.11.1. In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad ten onrechte een trillingsonderzoek achterwege heeft gelaten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens de verbeelding de afstand van de voorgevel van de woningen aan de Hekellaan tot de as van deze weg ongeveer 12 tot 15 m bedraagt en dat de parkeergarage niet bestemd is voor zwaar verkeer.

Met betrekking tot de stellingen dat tijdens de bouw van de parkeergarage trillingshinder zal ontstaan en dat bij die bouw schade aan de woning van [appellante sub 2] zal optreden, wordt overwogen dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond dient derhalve buiten beschouwing te blijven.

2.12. Voorts betogen de vereniging en [appellante sub 2] dat de raad ten onrechte het plandeel "Horeca (H)" heeft vastgesteld. Zij stellen dat niet duidelijk is op welke wijze de voorziene horecagelegenheid geëxploiteerd zal worden en dat het plan onvoldoende waarborgen bevat om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Voorts stellen zij dat in het akoestische onderzoek het stemgeluid van bezoekers niet in aanmerking is genomen.

Verder betwist [appellante sub 2] de noodzaak van een horecagelegenheid. Voorts voert zij aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ter plaatse van haar woning een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd, omdat de afstand van haar woning tot de voorziene horecagelegenheid groter is dan de richtafstand van 10 m uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De raad gaat er volgens haar aan voorbij dat de in- en uitgang van de horecagelegenheid voor haar woning is gesitueerd.

2.12.1. De Afdeling overweegt dat de raad een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het toekennen van bestemmingen. In de Nota Zienswijzen heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de horecavoorziening, mits goed vormgegeven, een verrijking kan vormen voor de omgeving. In de stelling van [appellante sub 2] dat de noodzaak voor de horecagelegenheid ontbreekt, ziet de Afdeling, wat hiervan ook zij, geen grond voor het oordeel dat de keuze voor een horecabestemming onredelijk is.

2.12.2. Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn de voor "Horeca (H)" aangewezen gronden bestemd voor: horecabedrijven als omschreven in de categorieën 2 en 3 van de bij deze regels als bijlage opgenomen Staat van Horeca-activiteiten, uitgezonderd feestzalen.

In de Staat van Horeca-activiteiten wordt verstaan onder horeca van categorie 2: het verstrekken van maaltijden voor gebruik ter plaatse (restaurantbedrijf, waaronder ook worden verstaan lunchrooms, eethuizen, bistro's, automaten, broodjeszaken en dergelijke). Onder horeca van categorie 3 wordt verstaan: een bedrijf dat is gericht op het ter plaatse verstrekken van dranken, waaronder feestzalen.

Derhalve omvatten de horecabedrijven als bedoeld in artikel 4.1 van de planregels de horeca-categorieën 2 en 3 minus feestzalen.

Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan duidelijk is omtrent de horecavoorzieningen die ter plaatse zijn toegestaan.

2.12.3. De afstand vanaf de horecabestemming tot de woonpercelen aan de Hekellaan, waaronder die van [appellante sub 2], bedraagt ongeveer 60 m. Gelet op deze afstand heeft de raad in de stemgeluiden van bezoekers van de voorziene horecagelegenheid, mede gelet op de aard en de omvang van die gelegenheid, geen aanleiding behoeven te zien het plandeel in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening en heeft hij zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van het woonperceel van [appellante sub 2] een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

2.13. Voorts voeren de vereniging en [appellante sub 2] aan dat meer onderzoek had moeten worden gedaan naar de mogelijkheden om het bestaande groen te behouden.

2.13.1. In de Nota Zienswijzen heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat bestaande boomstructuren ingepast dienen te worden in de cultuurhistorische structuur van de stadswalzone. Daar waar mogelijk is het plan zo ontwikkeld dat bomen zo veel mogelijk kunnen worden gehandhaafd, aldus de raad. Ook bij de uitvoering van de werkzaamheden zal volgens de raad rekening worden gehouden met het aanwezige bomenbestand. Voorts is een kwaliteitsbeoordeling van de ter plaatse aanwezige bomen uitgevoerd en heeft de raad ter zitting een kaart overgelegd waarop de bomen zijn weergegeven die dienen te wijken voor de in het plan voorziene ontwikkelingen en de bomen die behouden kunnen blijven.

De vereniging en [appellante sub 2] hebben niet onderbouwd waarom het onderzoek op dit punt tekort schiet.

2.14. De vereniging en [appellante sub 2] twijfelen voorts aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. In dit verband voeren zij aan dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd welke parkeertarieven zullen worden gehanteerd en op welke wijze mogelijke financiële tegenvallers worden opgevangen. Voorts voeren zij aan dat de raad onvoldoende heeft onderzocht welke kosten gepaard gaan met de voorgenomen bouwwijze van de parkeergarage en de verlegging van ondergrondse kabels en leidingen.

2.14.1. In de plantoelichting staat dat het plan financieel uitvoerbaar is. Hierbij wordt volgens de plantoelichting rekening gehouden met onder meer de kosten van de bouw van de parkeergarage, verplaatsing van de sportaccommodaties, restauratie van vestingmuren en bodemsaneringskosten. Volgens de plantoelichting zal sprake zijn van een rendabele exploitatie.

In het verweerschrift heeft de raad aanvullend gemotiveerd dat berekend is dat de exploitatie van de voorziene parkeergarage over een periode van veertig jaar met een gemiddelde bezettingsgraad van 22,6% ruimschoots rendabel is op basis van het huidige tarievenbeleid. Ter zitting is gebleken dat er hierbij vanuit wordt gegaan dat de voorziene parkeergarage overwegend bestemd is voor kortparkeerders.

Voorts heeft de raad gesteld dat de voorgenomen bouwwijze van de parkeergarage en de verlegging van kabels en leidingen in de kostenraming zijn betrokken. Verder is in de kostenraming een post voor onvoorziene kosten opgenomen.

In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om te twijfelen aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

2.15. In hetgeen de vereniging en [appellante sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen zijn ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

2.16. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Groen (G)" heeft vastgesteld dat betrekking heeft op de percelen tussen Zuiderpark, Limietlaan en Jacob van Maerlantstraat. In dit verband voeren zij aan dat de in het plandeel voorziene sportaccommodaties de openheid van het gebied zullen aantasten en het uitzicht op de hierachter gelegen historische stadswal zullen belemmeren. Daarnaast voeren zij aan dat de voorziene tennisaccommodatie zal leiden tot aantasting van de kwaliteit van de leefomgeving in de buurt Baseldonk. Ook voeren zij aan dat aan de keuze voor de nieuwe locatie van de tennisaccommodatie geen redelijke belangenafweging ten grondslag heeft gelegen.

Voorts betwisten zij de juistheid van de resultaten van het akoestische onderzoek. In dit verband stellen zij dat de voorziene geluidsmuur aan de oostzijde van het plandeel ter plaatse van de toegangspoort niet geluiddicht is te realiseren. Daarnaast stellen zij dat rondom de tennisaccommodatie ten onrechte de richtafstand van ten minste 50 m uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten niet is aangehouden. Hiertoe wijzen zij op de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2004, in zaak nr. 200307134/1. Ook stellen zij dat in het onderzoek geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluid vanwege het aan de nieuwe locatie grenzende bestaande basketbalveld en skatebaan. Tevens stellen zij dat in het onderzoek naar de akoestische gevolgen van de tennisaccommodatie geen rekening is gehouden met aan- en afrijdend autoverkeer. Evenmin is rekening gehouden met wijzigingen van de locatie van tennisbanen en sportbebouwing in het ontwerp van het plan. Verder is volgens [appellant sub 3] en anderen het aantal rugbyspelers op de rugbyaccommodatie in het geluidrapport niet juist vastgesteld.

Voorts is niet duidelijk hoe de voorzieningen voor verlichting geplaatst zullen worden. Zij vrezen dat deze voorzieningen het zicht op de stadswal zullen ontnemen en dat de verlichting tot hinder zal leiden.

Tot slot vrezen [appellant sub 3] en anderen voor parkeeroverlast. Zij betwisten de aanname van de raad dat bezoekers van de tennisaccommodatie gebruik zullen maken van de in het plan voorziene ondergrondse parkeergarage.

2.16.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het geschil over de aantasting van de openheid van het gebied en het uitzicht op de historische stadswal is toegespitst op de voorziene tennisaccommodatie.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij bij zijn keuze om de tennisaccommodatie in de nabijheid van de bestaande locatie te behouden en niet naar de alternatieve locatie aan de Meerendonk te verplaatsen, betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat deze accommodatie een meerwaarde voor de omgeving vormt waaraan veel mensen belang hechten. Volgens de raad draagt de accommodatie voorts bij aan de leefbaarheid van het park.

In de Nota Zienswijzen en het verweerschrift heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de nieuwe locatie voor de tennisaccommodatie op het hertenkamp tot een verbetering zal leiden van het uitzicht vanaf zowel het Zuiderpark als de historische stadsmuur en bastion Baselaar. In de bestaande situatie blokkeert de tennisaccommodatie de zichtlijnen op en vanaf de historische stadsmuur. De tennisaccommodatie zal buiten de belangrijkste zichtlijnen op de stadsmuur en het bastion Baselaar gesitueerd worden en de openheid van het Zuiderpark wordt hierdoor het minst aangetast. Door de verplaatsing van de gebouwen van de rugbyclub komt het bastion Baselaar eveneens meer in de vrije ruimte te liggen.

In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de openheid van het gebied onacceptabel wordt aangetast. Daarbij neemt zij tevens in aanmerking dat blijkens de door de raad ter zitting getoonde kaart van het stedenbouwkundige plan het uitzicht vanaf het Zuiderpark over het hertenkamp deels intact blijft en dat, voor zover dit uitzicht belemmerd wordt door de tennisaccommodatie, die belemmering beperkt is door de toegestane bouwhoogten ter plaatse van de tennisaccommodatie.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid aan het belang bij de verbetering van het uitzicht vanaf het Zuiderpark, de historische stadsmuur en bastion Baselaar en het behoud van de tennisaccommodatie in de nabijheid van de bestaande locatie een groter gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van [appellant sub 3] en anderen bij het behoud van hun vrije uitzicht op de historische stadsmuur.

2.16.2. De verplaatsing van de tennisaccommodatie naar een locatie in de nabijheid van de buurt Baseldonk betekent niet zonder meer dat de leefomgeving in deze buurt wordt aangetast. [appellant sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de ruimtelijke gevolgen van de verplaatsing van de tennisaccommodatie zodanig zullen zijn dat de kwaliteit van de leefomgeving in de buurt Baseldonk onacceptabel wordt aangetast.

2.16.3. In opdracht van de gemeente 's-Hertogenbosch heeft Peutz B.V. een onderzoek uitgevoerd naar de geluidssituatie in de omgeving van de nieuwe locatie van de tennisaccommodatie. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Tennispark De Pettelaar: beschouwing van geluidaspecten op de geprojecteerde locatie aan de Coornhertstraat te 's-Hertogenbosch" van 16 september 2008. Blijkens dit rapport zullen aan de oostzijde van de voorziene tennisaccommodatie geluidschermen worden geplaatst, maar is ter plaatse van de toegangspoort die aan deze zijde is gesitueerd geen scherm voorzien. In het rapport is derhalve niet gerekend met een geluidsscherm ter plaatse van de toegangspoort.

Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 3] en anderen dat de schermen ter plaatse van de toegangspoort niet met voldoende massa en ook niet naad- en kiervrij zijn te realiseren, feitelijke grondslag.

2.16.4. Vast staat dat in dit geval niet wordt voldaan aan de richtafstand van 50 m die in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is opgenomen voor tennisbanen. Van deze richtafstand kan door de raad evenwel gemotiveerd worden afgeweken. De raad heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de verrichte onderzoeken laten zien dat de tennisaccommodatie niet tot onacceptabele hinder voor de omgeving zal leiden. Nu [appellant sub 3] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit wel het geval is, faalt het betoog in zoverre.

Met betrekking tot het aan de nieuwe locatie grenzende bestaande basketbalveld en skatebaan heeft de raad gesteld dat dit geen relevante geluidbronnen zijn. [appellant sub 3] en anderen hebben niet onderbouwd dat het basketbalveld en de skatebaan vanwege cumulatie van het van deze voorzieningen afkomstige geluid met dat van de overige voorzieningen ten onrechte niet in het akoestische onderzoek zijn betrokken.

Blijkens het akoestische rapport ter zake van de tennisaccommodatie zijn de voertuigbewegingen bij de uitgangspunten van het onderzoek betrokken. Het betoog dat geen rekening is gehouden met aan- en afrijdend autoverkeer mist feitelijke grondslag.

De Afdeling stelt vast dat in het vastgestelde plan ondergeschikte wijzigingen hebben plaatsgevonden die onder meer zien op de vorm van het gebouw van de tennisvereniging en rugbyclub en op de oostzijde van het vlak in het desbetreffende plandeel waaraan de functieaanduiding 'tennis (tn)' is toegekend. [appellant sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze wijzigingen zodanig zijn dat de resultaten van het geluidrapport niet meer kloppen.

Met betrekking tot de stelling van [appellant sub 3] en anderen dat het aantal rugbyspelers niet juist is vastgesteld in de aanvullende notitie van Peutz B.V. van 28 april 2009 op het akoestische rapport van 16 september 2008 wordt overwogen dat in deze notitie voor de beoordeling van de geluidsuitstraling van de rugbyspelers naar de omgeving is uitgegaan van een geluidsuitstraling van 94 dB(A), met een maximale bronsterkte van 108 dB(A). Het betoog dat het aantal rugbyspelers niet juist is vastgesteld, mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.16.5. In opdracht van de gemeente 's-Hertogenbosch heeft Oostendorp Nederland B.V. een lichthinderonderzoek uitgevoerd in de omgeving van de nieuwe locatie van de tennisaccommodatie. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Lichthinderonderzoek tennispark" van 2 april 2009 (hierna: het lichthinderrapport). Volgens dit rapport is getoetst aan de algemene richtlijn van de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde, waarin grenswaarden worden gehanteerd voor lichthinder voor omwonenden van sportveld- en terreinverlichting. Blijkens dit rapport zullen omwonenden van de in het plan voorziene tennisaccommodatie geen onacceptabele lichthinder ondervinden. [appellant sub 3] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies van het lichthinderrapport onjuist zijn.

2.16.6. Volgens de raad zal tussen de tennisaccommodatie en de parkeergarage een looproute worden aangelegd met een lengte van ongeveer 150 tot 200 m. Voorts is er volgens de raad geen grond voor de vrees dat alle bezoekers van de voorziene tennisaccommodatie met de auto komen, nu de ervaring leert dat bezoekers van de bestaande tennisaccommodatie ook gebruik maken van andere vormen van vervoer. Verder wijst de raad erop dat bezoekers van de voorziene tennisaccommodatie worden gestimuleerd om gebruik te maken van de parkeergarage.

In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in Baseldonk geen significante toename van het parkeerverkeer zal plaatsvinden. De vrees dat de tennisaccommodatie grote aantallen bezoekers zal trekken acht zij ongegrond, nu deze accommodatie in acht tennisbanen voorziet. Gelet op de voorziene locatie van de tennisaccommodatie aan de rand van de binnenstad heeft de raad voorts aannemelijk kunnen achten dat bezoekers niet alleen gebruik zullen maken van de auto. Verder wordt de voorziene looproute naar de parkeergarage niet zodanig lang geacht dat op voorhand geoordeeld moet worden dat bezoekers geen gebruik zullen maken van de parkeergarage.

2.17. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Groen (G)" dat betrekking heeft op de percelen tussen het Zuiderpark, Limietlaan en Jacob van Maerlantstraat, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011

288-629.