Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4691

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
201009437/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college de raad van de gemeente Roosendaal (hierna: de raad) een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), ertoe strekkende dat, voor zover hier van belang, artikel 29.2.1 van de planregels geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied Wouw", zoals dat door de raad bij besluit van 8 juli 2010 is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201009437/2/R3.

Datum uitspraak: 7 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [verzoekster sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college de raad van de gemeente Roosendaal (hierna: de raad) een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), ertoe strekkende dat, voor zover hier van belang, artikel 29.2.1 van de planregels geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan "Buitengebied Wouw", zoals dat door de raad bij besluit van 8 juli 2010 is vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2010, en [verzoekster sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2010, heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2010, heeft [verzoekster sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 4 januari 2011, waar [verzoeker sub 1], in persoon en bijgestaan door ing. J.B.M. Lauwerijssen, [verzoekster sub 2], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen, werkzaam bij de gemeente,als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het college acht artikel 29.2.1 van de planregels in strijd met paragraaf 1.2 van de Verordening Ruimte 2e fase, omdat daarmee legaal aanwezige bebouwing in oppervlakte groter dan er aan bijgebouwen aanwezig mag zijn bij de bestemming "Wonen-2" als maximaal toelaatbaar wordt aangeduid. Hierdoor wordt volgens het college het streven naar ontstening van het buitengebied teniet gedaan.

Het verzoek van [verzoeker sub 1] voor zover het de bevoegdheid van het college betreft

2.3. [verzoeker sub 1] stelt dat het college niet bevoegd was tot de aanwijzing omdat in de zienswijze van het college artikel 29.2.1 van de planregels (in het ontwerp artikel 27.2.1) niet was vermeld.

2.3.1. De zienswijze van het college luidde:

"In het plan zijn (lees: is) een aantal nieuwe woonbestemmingen opgenomen, al dan niet betrekking hebbende op voormalige agrarische bedrijven. Volgens ons streven naar ontstening van het buitengebied is daarbij het uitgangspunt dat de overtollige bebouwing wordt gesloopt, tenzij deze monumentale waarde heeft. Ons is gebleken dat in de opgenomen wijzigingsregelingen voor omzetting van diverse functies naar "Wonen" de sloopeis adequaat in het plan is verwerkt, inclusief een sloopbonusregeling. Dit geldt echter niet voor de woningen die rechtstreeks positief zijn bestemd in het plan en waarbij niet is gebleken dat sloop van overtollige bebouwing heeft plaatsgevonden. In artikel 22.2.3, sub c, wordt alle overtollige bebouwing positief bestemd, Dit achten wij in strijd met ons hiervoor verwoorde provinciaal belang. Wij dringen er op aan voornoemde regeling aan te passen zodanig dat de overtollige bebouwing onder het overgangsrecht wordt geplaatst en een sloopbonusregeling wordt opgenomen".

2.3.2. Artikel 22.2.3, sub c, van de planregels van het ontwerp-bestemmingsplan, behorend bij de bestemming "Wonen-2", luidde:

"de oppervlakte van vrijstaande bijgebouwen per bouwperceel mag niet meer bedragen dan 80 m2 met dien verstande dat indien de bestaande oppervlakte bijgebouwen meer bedraagt dan 80 m2, de grotere oppervlakte als maximum geldt".

Artikel 27.2.1 van het ontwerp-bestemmingsplan (Algemene regels) luidde:

"Indien de afstanden tot, en hoogte, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden".

2.3.3. De voorzitter stelt vast dat zowel artikel 22.2.3, sub c als artikel 27.2.1 uit het ontwerp-bestemmingsplan inhielden dat bestaande legale bebouwing met een grotere oppervlakte dan volgens de planregels bij de woonbestemming was toegestaan, als maximaal toelaatbaar werd aangemerkt en daarmee als zodanig was bestemd (de zogeheten surplusregeling). De zienswijze van het college strekte ertoe overtollige voormalige agrarische bebouwing op percelen die in het ontwerp een woonbestemming hebben gekregen niet als zodanig te bestemmen doch onder het overgangsrecht te brengen. Met de handhaving van artikel 27.2.1 (thans 29.2.1) in het vastgestelde plan wordt daaraan niet voldaan en is de zienswijze van het college dan ook niet volledig overgenomen, hetgeen blijkens de zienswijzennota ook niet de bedoeling van de raad was, zodat het college op grond van artikel 3.8, vierde en zesde lid, van de Wro tot de aanwijzing bevoegd was.

Het verzoek van [verzoekster sub 2]

2.4. [verzoekster sub 2] beoogt met het verzoek opschorting van de bouwplannen op het perceel [locatie 1] te Heerle te voorkomen. Deze plannen voorzien in de sloop en herbouw van een voormalige agrarische bedrijfswoning, met een tot een oppervlakte van 643 m2 gereduceerd aantal bijgebouwen. Volgens het verzoekschrift is de bebouwing verouderd en snel aan vervanging toe.

2.4.1. Ter zitting is vast komen te staan dat [verzoekster sub 2] het perceel met de voormalige agrarische bebouwing drie jaar geleden heeft gekocht. Het bestreden besluit staat de sloop en herbouw van de voormalige bedrijfswoning tot een maximum inhoud van 600 m3 en de sloop van verouderde bijgebouwen en herbouw tot een maximum van 80 m2 niet in de weg. Naar het oordeel van de voorzitter ontbreekt dan ook een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Dat in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure onzeker is of alle bouwplannen van [verzoekster sub 2] kunnen worden gerealiseerd komt voor haar risico, nu zij niettegenstaande de zienswijze van het college tegen de surplusregeling deze bouwplannen heeft laten opstellen.

2.4.2. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Het verzoek van [verzoeker sub 1] voor het overige

2.5. [verzoeker sub 1] heeft zijn agrarisch bedrijf aan de [locatie 2] met gebruikmaking van de zogeheten Ruimte voor Ruimteregeling beëindigd en is ter uitvoering hiervan met de gemeente Roosendaal overeengekomen dat als compensatie van de te slopen bedrijfsgebouwen op het perceel een woning en 200 m2 aan bijgebouwen mogen worden teruggebouwd. Deze oppervlakte mag volgens de overeenkomst op verbeurte van een boete niet eerder plaatsvinden na sloop van alle bedrijfsgebouwen. Met het oog hierop is de sloop van de bedrijfsgebouwen gestart en is het perceel, onder voorbehoud van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, verkocht.

Met het bestreden besluit wordt de planologische basis voor de herbouw van de bijgebouwen die [verzoeker sub 1] met de bedrijfsbeëindiging, de start van de sloop en de door hem aangegane financiële verplichtingen voor ogen had weggenomen. Onder deze omstandigheden heeft [verzoeker sub 1] naar het oordeel van de voorzitter een spoedeisend belang bij zijn verzoek.

2.6. [verzoeker sub 1] stelt dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met de provinciale Verordening Ruimte en de beleidsregels Ruimte voor Ruimte, op grond waarvan 200 m2 aan bijgebouwen mogen worden teruggebouwd indien een agrarisch bedrijf meedoet aan de Ruimte voor Ruimteregeling.

2.6.1. Ingevolge artikel 8 van de door het college vastgestelde Beleidsregel ruimte voor ruimte 2006 (voor zover hier van belang) geldt bij het verzoek om toestemming voor planologische medewerking aan de ontwikkeling van ruimte voor ruimtekavels de eis dat op de slooplocatie een passende bestemming wordt gelegd ter voorkoming van ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen.

Blijkens de toelichting bij dit artikel wordt in geval van volledige bedrijfsbeëindiging het agrarisch bouwblok verwijderd en wordt de voormalige agrarische bedrijfswoning doorgaans tot burgerwoning bestemd. In beginsel kan er maximaal 200 m2 aan bijgebouwen blijven staan. Indien ook alle bijgebouwen gesloopt zijn, bestaat de mogelijkheid tot herbouw van bijgebouwen, bijvoorbeeld een vrijstaande garage. De maatvoering voor deze bijgebouwen is afhankelijk van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het streekplan biedt geen uitsluitsel over de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen. Gezien de doelstelling van ontstening wordt de hoeveelheid m2 aan bijgebouwen echter gemaximeerd op 200, aldus de toelichting.

2.7. Gelet op de toelichting bij de Beleidsregel ruimte voor ruimte 2006 en op de verklaring zoals namens het college ter zitting op dit punt is afgelegd, bestaan er bij het provinciebestuur geen bezwaren tegen herbouw van bijgebouwen tot een oppervlakte van 200 m2 op ruimte voor ruimtekavels. De stelling namens het college dat de maatvoering in het provinciaal beleid afhankelijk wordt gesteld van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt en de raad er in dit geval voor heeft gekozen de oppervlakte aan bijgebouwen bij woonbestemmingen te maximeren tot 80 m2 gaat er aan voorbij dat de raad met de vaststelling van artikel 29.2.1 van de planvoorschriften ten aanzien van onder andere de ruimte voor ruimtekavel van [verzoeker sub 1] meer dan 80 m2 aan bijgebouwen heeft willen toestaan. Er bestaat dan ook bij de voorzitter gerede twijfel of het bestreden besluit voor wat betreft het perceel van [verzoeker sub 1] zich verdraagt met het beleid van het college en in zoverre zorgvuldig is voorbereid.

2.8. Gelet hierop is niet buiten twijfel of het bestreden besluit in zoverre in de bodemprocedure in stand zal blijven.

2.9. Gelet op de betrokken belangen ziet de voorzitter aanleiding de voorlopige voorziening te treffen dat artikel 29.2.1 van de planregels moet worden geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan "Buitengebied Wouw" zoals dat op 8 juli 2010 is vastgesteld en moet worden geacht in werking te zijn getreden ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Wonen-2" wat betreft het perceel [locatie 2] tot een maximum van 200 m2 aan bijgebouwen.

2.10. Het college dient ten aanzien van [verzoeker sub 1] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [verzoekster sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. treft de voorlopige voorziening dat artikel 29.2.1 van de planregels moet worden geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan "Buitengebied Wouw" zoals dat op 8 juli 2010 is vastgesteld ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Wonen-2" wat betreft het perceel [locatie 2] tot een maximum van 200 m2 aan bijgebouwen.;

II. wijst het verzoek van [verzoekster sub 2] af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [verzoeker sub 1] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2011

429.