Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4329

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
201008066/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2010:BN2101, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest in de zaak T.I. en W.S. Ebrahim tegen Nederland van 18 maart 2003, JV 2003/203) dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval de positieve verplichting met zich brengt een vreemdeling in staat te stellen tot familie- en gezinsleven in een bepaalde lidstaat, een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van de lidstaat. Bij deze afweging komt de desbetreffende lidstaat (lees: de minister) een zekere beoordelingsruimte toe. Aldus heeft de minister ook bij het bepalen van de ingangsdatum van een krachtens voormelde verdragsbepaling te verlenen verblijfsvergunning een zekere beoordelingsruimte.

Nu, zoals de minister ter zitting bij de rechtbank naar voren heeft gebracht, bij het bereiken van de meerderjarigheid van de dochter een nieuw beoordelingsmoment ontstaat, bestaat, mede gelet op de hiervoor vermelde bepalingen van het Vb 2000, geen grond voor het oordeel dat hij de geldigheidsduur van de verleende vergunning niet in redelijkheid heeft kunnen beperken tot 19 november 2010.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.57
Vreemdelingenbesluit 2000 3.67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/126
Ars Aequi RV20110025 met annotatie van H. Brink

Uitspraak

201008066/1/V1.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 21 juli 2010 in zaak nr. 09/37731 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 22 januari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de vreemdeling met ingang van 4 december 2007 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, geldig tot 19 november 2010. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 juli 2010, verzonden op 22 juli 2010, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover daarbij de ingangsdatum is bepaald op 4 december 2007, en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan diens rechtsvoorgangers.

2.2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie en gezinsleven.

2.3. Het door de vreemdeling tegen het besluit van 7 juni 2005 gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, heeft de minister aanvankelijk bij besluit van 9 mei 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 juni 2007 in zaak nr. 06/26970 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 20 maart 2008, voor zover thans van belang, heeft de minister voormeld bezwaar van de vreemdeling opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 januari 2009 in zaak nr. 08/11168 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Bij uitspraak van 7 september 2009 in zaak nr. 200901115/1/V1 (www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling die uitspraak van de rechtbank bevestigd onder ongegrondverklaring van het daartegen door de minister ingestelde hoger beroep.

2.4. In het besluit van 22 januari 2010, waarmee uitvoering is gegeven aan voormelde uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2009, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat in dit specifieke geval aanleiding bestaat de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder de beperking "uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 EVRM met minderjarige dochter K. Özdemir" (hierna: de dochter). Daarbij heeft de minister de ingangsdatum bepaald op 4 december 2007, omdat de vreemdeling eerst bij de op die datum gehouden hoorzitting van de ambtelijke commissie heeft aangetoond dat tussen hem en de dochter sprake is van een zodanige invulling van het familie- en gezinsleven bedoeld in artikel 8 van het EVRM, dat, alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw nemende, op de Nederlandse staat een positieve verplichting rust om krachtens die bepaling aan de vreemdeling verblijf hier te lande toe te staan.

2.5. De rechtbank heeft in de thans bestreden uitspraak overwogen dat, samengevat weergegeven, nu de vreemdeling verblijf bij de dochter beoogt en mede gezien de aangehaalde passages uit de in rechte vaststaande uitspraken en alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, de vreemdeling met de door de minister op 11 augustus 2005 ontvangen gronden van het tegen het besluit van 7 juni 2005 gemaakte bezwaar, waarin de vreemdeling heeft verwezen naar een adviesrapport van Reclassering Nederland van 8 augustus 2005, waaruit blijkt dat de dochter alle vakanties bij hem verblijft, heeft aangetoond aan de voorwaarden voor verlening van de in geding zijnde verblijfsvergunning te voldoen, zodat de ingangsdatum van die vergunning op 11 augustus 2005 dient worden bepaald. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet valt in te zien waarom het samenwonen van de vreemdeling en zijn dochter, dat de minister als bepalende factor heeft beschouwd, in dit verband als onderscheidend criterium dient te gelden.

2.6. In de grieven klaagt de minister dat de rechtbank aldus een onjuiste betekenis heeft gehecht aan de door haar aangehaalde passages uit de hiervoor in 2.3. vermelde uitspraken. Uit die passages valt volgens de minister niet af te leiden dat hij op grond daarvan (al) gehouden was de vreemdeling (met ingang van een bepaalde datum) een verblijfsvergunning te verlenen. Daarnaast heeft de rechtbank volgens de minister niet onderkend dat hij, gelet op de hem in dit geval toekomende beoordelingsruimte, de ingangsdatum heeft mogen bepalen op 4 december 2007, de datum van de door de ambtelijke commissie gehouden hoorzitting waar de vreemdeling op een aantal punten nadere inlichtingen heeft verschaft. Voorts betoogt de minister dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, hoewel samenwoning geen harde voorwaarde is waaraan moet zijn voldaan om in voorkomend geval aan een ouder van een kind verblijf hier te lande krachtens artikel 8 van het EVRM te kunnen toestaan, hij, gezien de feiten en omstandigheden van dit geval, aan de samenwoning van de vreemdeling en de dochter, die ten tijde van de hoorzitting op 4 december 2007 reeds enige tijd had geduurd en blijkens een op verzoek van de minister door de Raad voor de Kinderbescherming uitgebracht advies van 5 januari 2010 duurzaam is gebleken, overwegende betekenis heeft mogen hechten.

2.6.1. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest in de zaak T.I. en W.S. Ebrahim tegen Nederland van 18 maart 2003, JV 2003/203) dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval de positieve verplichting met zich brengt een vreemdeling in staat te stellen tot familie- en gezinsleven in een bepaalde lidstaat, een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van de lidstaat. Bij deze afweging komt de desbetreffende lidstaat (lees: de minister) een zekere beoordelingsruimte toe. Aldus heeft de minister ook bij het bepalen van de ingangsdatum van een krachtens voormelde verdragsbepaling te verlenen verblijfsvergunning een zekere beoordelingsruimte.

2.6.2. Anders dan waarvan de rechtbank in de aangevallen uitspraak is uitgegaan, is in de door haar geciteerde passage uit de in 2.3. vermelde uitspraak van de rechtbank van 11 juni 2007, niet reeds een bindend oordeel gegeven omtrent de ingangsdatum van de mogelijk alsnog aan de vreemdeling te verlenen verblijfsvergunning. In die passage is slechts overwogen dat, voor zover partijen daarover nog van mening verschillen, tussen de vreemdeling en de dochter sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Een bindend oordeel als vorenbedoeld is evenmin gegeven in de door de rechtbank geciteerde passage uit de in 2.3. vermelde uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2009. In die overweging is slechts de intensivering van het familie- en gezinsleven tussen de vreemdeling en de dochter beschreven, waarbij onder meer is verwezen naar het in 2.5. vermelde adviesrapport van Reclassering Nederland en de omstandigheid dat de vreemdeling en de dochter sinds oktober 2007 samenwonen. Weliswaar heeft de rechtbank in haar uitspraak van 15 januari 2009 mede de intensivering van het familie- en gezinsleven ten grondslag gelegd aan haar oordeel dat de minister niet tot een zorgvuldige belangenafweging was gekomen, maar zij heeft daarbij in het midden gelaten op welk moment de invulling van het familie- en gezinsleven dusdanig was geïntensiveerd, dat op de Nederlandse staat een positieve verplichting rust in de zin van artikel 8 van het EVRM.

2.6.3. Bij de bepaling van de ingangsdatum van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning heeft de minister onder meer van belang geacht dat de vreemdeling tijdens het gehoor door de ambtelijke commissie op 4 december 2007 nadere inlichtingen heeft verschaft over de intensiteit van de band met zijn dochter, over de herkomst van zijn middelen van bestaan en over het onderhoud van de dochter en dat de samenwoning op dat moment reeds enige tijd had geduurd. De minister heeft zich daarbij voorts gebaseerd op het in 2.6. vermelde advies van de Raad voor de Kinderbescherming, waaruit onder meer valt op te maken hoe de relatie tussen de vreemdeling en de dochter zich sinds de samenwoning heeft ontwikkeld en hoe de verhouding is van de dochter met haar moeder en de familie van moederszijde. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister aan de - gebleken duurzaamheid - van de samenwoning van de vreemdeling en de dochter in dit geval ten onrechte overwegende betekenis heeft gehecht, nu volgens de verklaringen van de vreemdeling tijdens voormeld gehoor deze samenwoning door hem aanvankelijk niet werd gewenst.

Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling eerst tijdens de op 4 december 2007 gehouden hoorzitting van de ambtelijke commissie heeft aangetoond dat tussen hem en de dochter sprake is van een zodanige invulling van het familie- en gezinsleven dat op hem een positieve verplichting rust om krachtens die bepaling aan de vreemdeling verblijf hier te lande toe te staan en dat hij aldus ten onrechte de ingangsdatum van de hier aan de orde zijnde verblijfsvergunning op 4 december 2007 heeft bepaald.

De grieven slagen.

2.7. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 januari 2010 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.8. De vreemdeling betoogt in beroep dat de minister de verblijfsvergunning ten onrechte heeft verleend voor de duur dat de dochter minderjarig is. Volgens de vreemdeling dient hem voor een langere duur verblijf krachtens artikel 8 van het EVRM te worden toegestaan, omdat het gezinsleven met de dochter niet eindigt wanneer zij meerderjarig wordt.

2.8.1. Ingevolge artikel 3.57 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan deze telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.

Ingevolge artikel 3.67, tweede lid, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3.57 de verblijfsvergunning worden verleend met een langere geldigheidsduur indien de geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning op het moment waarop deze wordt verstrekt ingevolge artikel 3.57 alweer zou zijn geëindigd.

2.8.2. Nu, zoals de minister ter zitting bij de rechtbank naar voren heeft gebracht, bij het bereiken van de meerderjarigheid van de dochter een nieuw beoordelingsmoment ontstaat, bestaat, mede gelet op de hiervoor vermelde bepalingen van het Vb 2000, geen grond voor het oordeel dat hij de geldigheidsduur van de verleende vergunning niet in redelijkheid heeft kunnen beperken tot 19 november 2010.

De beroepsgrond faalt.

2.9. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 21 juli 2010 in zaak nr. 09/37731 voor zover aangevallen;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Prins

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

363-666.

Verzonden: 9 februari 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser