Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4326

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
201008125/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het besluit van 8 oktober 2009 en het daarin ingelaste voornemen heeft de staatssecretaris overwogen dat de grond voor de aan de vreemdeling krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 verleende verblijfsvergunning is komen te vervallen, als gevolg waarvan hij heeft beoordeeld of de vreemdeling voor verlening van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b dan wel c, van de Vw 2000 in aanmerking komt. In dat verband heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling wat betreft haar reisroute toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd en van haar asielrelaas positieve overtuigingskracht moet uitgaan.

Vooropgesteld moet worden dat, zoals volgt uit de - aangehechte - uitspraak van de Afdeling van 12 november 2004 in zaak nr. 200405491/1, de omstandigheid dat destijds bij de vergunningverlening niet aan de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling is getwijfeld, onverlet laat dat de minister in het kader van voormelde beoordeling bevoegd was om haar tegen te werpen dat zij toerekenbaar niet over reisdocumenten beschikt.

In aanmerking genomen dat het, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2003 in zaak nr. 200301081/1 (JV 2003/293), aan de staatssecretaris is om te bepalen welke documenten voor de beoordeling van een asielaanvraag noodzakelijk zijn, heeft hij de vreemdeling in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat zij, hoewel zij heeft verklaard tijdens haar reis over een paspoort te hebben beschikt, dit paspoort destijds noch nadien heeft overgelegd. De omstandigheid dat de Koninklijke Marechaussee de reisroute van de vreemdeling deels heeft kunnen verifiëren en een kopie van het door haar gebruikte - maar niet op haar naam gestelde - paspoort en afschriften van de vlucht heeft kunnen achterhalen, doet hieraan niet af, nu de staatssecretaris het, gezien voormelde uitspraak van 16 mei 2003, niet ten onrechte van belang heeft geacht dat de vreemdeling geen originele reisdocumenten heeft overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201008125/1/V1.

Datum uitspraak: 7 februari 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 22 juli 2010 in zaak nr. 09/40463 in het geding tussen:

[vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 juli 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 augustus 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu niet in geschil is dat de vreemdeling daadwerkelijk op de door haar gestelde wijze van Nairobi naar Nederland is gereisd, zonder nadere onderbouwing, die in het besluit van 8 oktober 2009 ontbreekt, niet valt in te zien waarom het gebruikte paspoort noodzakelijk zou zijn voor de beoordeling van haar asielaanvraag. Daartoe voert de minister aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling toerekenbaar geen documenten ter vaststelling van haar reisroute heeft overgelegd, omdat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in beginsel op originele documenten betrekking heeft en tussen partijen vaststaat dat zij haar paspoort niet heeft overgelegd. Volgens de minister heeft de rechtbank ook niet onderkend dat de omstandigheid dat hij door eigen onderzoek over een kopie van het paspoort beschikt niet afdoet aan het belang dat de vreemdeling een origineel paspoort overlegt, daar dit document informatie kan bevatten die voor de beoordeling van de asielaanvraag van belang is. Ten slotte voert de minister aan dat de door de vreemdeling gestelde afhankelijkheid van de reisagent niet kan afdoen aan haar eigen verantwoordelijkheid voor de onderbouwing van het asielrelaas, de reisroute daaronder begrepen.

2.1.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de desbetreffende vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij hij aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, worden ingetrokken, dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen, indien de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen.

2.1.2. In het besluit van 8 oktober 2009 en het daarin ingelaste voornemen heeft de staatssecretaris overwogen dat de grond voor de aan de vreemdeling krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 verleende verblijfsvergunning is komen te vervallen, als gevolg waarvan hij heeft beoordeeld of de vreemdeling voor verlening van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b dan wel c, van de Vw 2000 in aanmerking komt. In dat verband heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling wat betreft haar reisroute toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd en van haar asielrelaas positieve overtuigingskracht moet uitgaan.

2.1.3. Vooropgesteld moet worden dat, zoals volgt uit de - aangehechte - uitspraak van de Afdeling van 12 november 2004 in zaak nr. 200405491/1, de omstandigheid dat destijds bij de vergunningverlening niet aan de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling is getwijfeld, onverlet laat dat de minister in het kader van voormelde beoordeling bevoegd was om haar tegen te werpen dat zij toerekenbaar niet over reisdocumenten beschikt.

In aanmerking genomen dat het, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2003 in zaak nr. 200301081/1 (JV 2003/293), aan de staatssecretaris is om te bepalen welke documenten voor de beoordeling van een asielaanvraag noodzakelijk zijn, heeft hij de vreemdeling in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat zij, hoewel zij heeft verklaard tijdens haar reis over een paspoort te hebben beschikt, dit paspoort destijds noch nadien heeft overgelegd. De omstandigheid dat de Koninklijke Marechaussee de reisroute van de vreemdeling deels heeft kunnen verifiëren en een kopie van het door haar gebruikte - maar niet op haar naam gestelde - paspoort en afschriften van de vlucht heeft kunnen achterhalen, doet hieraan niet af, nu de staatssecretaris het, gezien voormelde uitspraak van 16 mei 2003, niet ten onrechte van belang heeft geacht dat de vreemdeling geen originele reisdocumenten heeft overgelegd.

De staatssecretaris heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vreemdeling geen verschoonbare reden heeft voor het in het geheel niet kunnen overleggen van tijdens de reis gebruikte documenten en evenmin gedetailleerde, consistente en verifieerbare verklaringen over haar reisroute heeft afgelegd. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2009 in zaak nr. 200801343/1/V2; www.raadvanstate.nl) biedt de stelling van de vreemdeling dat zij van een zogenoemde reisagent afhankelijk was op zichzelf geen grond voor het oordeel dat het ontbreken van reisdocumenten haar niet in redelijkheid kan worden tegengeworpen.

In het verlengde hiervan en in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2009 in zaak nr. 200904257/1/V1 (www.raadvanstate.nl) heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris niet ten onrechte heeft geëist dat van het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht uitgaat.

2.1.4. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 8 oktober 2009 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.2.1. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris zich in het besluit van 8 oktober 2009 ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat haar asielrelaas ongeloofwaardig is. Zij heeft daartoe betoogd dat het standpunt van de staatssecretaris dat haar kan worden tegengeworpen dat zij tussen het eerste nader gehoor van 27 oktober 2005 en het tweede nader gehoor van 13 december 2005 tegenstrijdig heeft verklaard, niet strookt met het verzoek aan haar om tijdens het nader gehoor beknopt te verklaren, zonder dat zij erop is gewezen wat als de kern van een asielrelaas wordt beschouwd. Voorts heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij tegenstrijdig over haar betrokkenheid bij de Forces Nationales pour la Libération (hierna: de FNL) heeft verklaard, omdat haar verklaring dat zij niet politiek actief is geweest consistent is met haar verklaring dat zij in opdracht van haar vader werkzaamheden voor de FNL heeft verricht. Ten slotte heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij vage en summiere verklaringen over de overval op haar vader heeft afgelegd, omdat de gebeurtenissen traumatiserende effecten op haar hebben gehad.

2.2.2. Zelfs als de vreemdeling voorafgaand aan het eerste nader gehoor zou zijn verzocht om beknopt te verklaren, waarvoor het desbetreffende verslag geen aanknopingspunt biedt, is haar, zoals wel uit dat verslag blijkt, ook te kennen gegeven dat zij geen gegevens betreffende haar asielaanvraag moet achterhouden en dat het belangrijk is dat zij volledige medewerking verleent omdat de asielaanvraag kan worden afgewezen als zij vragen niet volledig beantwoordt. Daar komt bij dat uit dat verslag blijkt dat de vreemdeling, na te hebben verklaard dat zij het land van herkomst, te weten Burundi, heeft verlaten omdat haar vader ervan werd beschuldigd wapens aan rebellen te verkopen en vanwege die beschuldiging is vermoord, de vraag of zij daarmee alles wat van belang is voor de redenen voor vertrek uit Burundi heeft verteld of dat zij daaraan nog iets heeft toe te voegen, ontkennend heeft beantwoord. Ook de vraag of zij ooit lid of sympathisant van een politieke partij of beweging is geweest, de vraag of zij ooit op politiek of maatschappelijk gebied actief is geweest en de vraag of haar vader politiek actief is geweest, heeft zij ontkennend beantwoord. Onder die omstandigheden heeft de staatssecretaris het in redelijkheid bevreemdingwekkend kunnen achten dat de vreemdeling pas tijdens het tweede nader gehoor over de betrokkenheid van haar vader bij en haar werkzaamheden voor de FNL heeft verklaard.

De staatssecretaris heeft zich reeds daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist, welk standpunt hij deugdelijk heeft gemotiveerd.

De vreemdeling heeft tevergeefs betoogd dat de vage en summiere verklaringen die de staatssecretaris haar heeft tegengeworpen haar, gezien de traumatiserende effecten van de arrestatie en moord op haar vader, niet kunnen worden toegerekend, nu zij tijdens beide nadere gehoren desgevraagd heeft verklaard in staat te zijn het desbetreffende gesprek te voeren en zij voormelde effecten ook niet heeft gestaafd.

De beroepsgronden falen.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 22 juli 2010 in zaak nr. 09/40463;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Schuurman

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2011

282-666.

Verzonden: 7 februari 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser