Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP4320

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
14-02-2011
Zaaknummer
201011249/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de aldus overgelegde stukken blijkt weliswaar dat de algemene veiligheidssituatie in Irak, meer in het bijzonder Bagdad, nog immer zorgelijk is en dat de veiligheidssituatie is verslechterd rond de Iraakse parlementsverkiezingen in maart 2010, maar daaruit blijkt evenzeer dat de veiligheidssituatie daarna weer op het niveau van vóór de verkiezingen is gekomen. Sinds de eerste helft van 2009 is in Irak, ook in Bagdad, sprake van een zich ontwikkelende veiligheidsstructuur, bestaande uit Iraakse veiligheidsorganisaties en - in verminderde mate - Amerikaanse troepen. Mede als gevolg van de sinds de eerste helft van 2009 aanwezige veiligheidsstructuur is de frequentie, aard en intensiteit van het geweld in Irak gewijzigd; ernstige geweldsincidenten zijn in het jaar 2010 minder talrijk dan in voorgaande jaren en het geweld is daarnaast minder willekeurig dan voorheen. Anders dan in de jaren vóór 2010 is het geweld veeleer gericht op destabilisatie van overheidsgezag en de veiligheidsstructuur. Het is gericht tegen leden van veiligheidsorganisaties en etnische en religieuze groepen. Vanwege de verminderde willekeur van het geweld en gewijzigde middelen van geweldpleging, is het aantal dodelijke burgerslachtoffers verminderd ten opzichte van de jaren vóór 2010. Vele personen die als gevolg van het geweld vóór 2010 hun toevlucht in andere delen van Irak en daarbuiten hebben genomen, zijn teruggekeerd naar Irak en met name ook naar Bagdad, daartoe gestimuleerd door het toekennen van toelagen door de Iraakse overheid.

Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in Irak, meer in het bijzonder Bagdad, geen sprake is van de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Irak, meer in het bijzonder Bagdad, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade.

De Afdeling vindt voor dit oordeel steun in het gegeven dat het EHRM op 24 november 2010 op de website, www.echr.coe.int, te kennen heeft gegeven dat het - mede gelet op de door de UNHCR en de Nederlandse regering aan het EHRM ter kennis gebrachte stukken over de algemene veiligheidssituatie in Irak - anders dan vanaf 22 oktober 2010 het geval was, verzoeken van Iraakse vreemdelingen om het treffen van "interim measures" weer uitsluitend op individuele gronden beoordeelt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/153

Uitspraak

201011249/1/V2.

Datum uitspraak: 4 februari 2011

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[vreemdeling] (hierna: de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 15 november 2010 in zaak nr. 10/32007 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 november 2010, verzonden op 16 november 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 november 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 22 december 2010 ter zitting behandeld, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K.J. Meijer, advocaat te Sint Annaparochie, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan de minister van Justitie.

2.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1; www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.2.1. De vreemdeling heeft eerder, op 23 oktober 2008, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Die aanvraag is bij besluit van 27 november 2009 afgewezen.

Op 5 augustus 2010 heeft de vreemdeling opnieuw zodanige aanvraag ingediend. Die aanvraag is bij besluit van 13 september 2010 afgewezen. Het besluit van 13 september 2010 is van gelijke strekking als dat van 27 november 2009, zodat op het tegen het besluit van 13 september 2010 ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.3. Hetgeen de vreemdeling als grieven I en III heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

2.4. De vreemdeling heeft aan zijn aanvraag van 5 augustus 2010 ten grondslag gelegd dat zich in Irak, meer in het bijzonder de provincie Bagdad, de uitzonderlijke situatie voordoet, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de richtlijn).

2.5. In grief II klaagt de vreemdeling dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank niet onderkend dat de "Note on the Continued Applicability of the April 2009 UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum-Seekers" van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) van juli 2010 (hierna: de UNHCR-notitie), een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is.

2.5.1. Uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juni 2009 in zaak nr. 200900815/1/V2, www.raadvanstate.nl) volgt dat in verband met artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden sprake is, als de vreemdeling aantoont dat de algemene veiligheidssituatie in voor zijn aanspraken op die bepaling relevante zin is gewijzigd ten opzichte van het eerdere afwijzende besluit.

2.5.2. Door te overwegen dat de vreemdeling zijn beroep op de verslechterde veiligheidssituatie in Irak in de procedure tegen het besluit van 27 november 2009 had kunnen en derhalve had moeten aanvoeren, heeft de rechtbank niet onderkend dat de UNHCR-notitie van daarna dateert. Nu uit de UNHCR-notitie voorts blijkt dat de algemene veiligheidssituatie in Bagdad in voor artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn relevante zin is gewijzigd ten opzichte van het besluit van 27 november 2009, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Grief II slaagt.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 13 september 2010 toetsen voor zover de minister daarin heeft geweigerd de vreemdeling een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 te verlenen.

2.6.1. Aan het besluit van 13 september 2010 heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit gezaghebbende en objectieve bronnen, waaronder het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak van januari 2010 (hierna: het ambtsbericht van januari 2010) en de "UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum-Seekers" van april 2009 (hierna: de UNHCR-Guidelines van april 2009) blijkt dat, hoewel de veiligheidssituatie in Irak en in het bijzonder in Bagdad als ernstig en zorgelijk moet worden omschreven, het niveau van geweld aldaar niet zo hoog is dat er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar Bagdad worden teruggestuurd, louter vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Een dergelijke situatie doet zich slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden voor. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft een dergelijke situatie nog nooit aangenomen.

Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister toegelicht dat uit de UNHCR-notitie, de door de vreemdeling overgelegde brief van VluchtelingenWerk Nederland van 9 november 2010 (hierna: de brief van VluchtelingenWerk) en het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak van oktober 2010 (hierna: het ambtsbericht van oktober 2010) blijkt dat de veiligheidssituatie in Irak, meer in het bijzonder Bagdad, nog steeds zorgelijk is, omdat sprake is van geweldsincidenten waarbij dodelijke slachtoffers te betreuren zijn. Volgens de minister is de veiligheidssituatie rond de Iraakse parlementsverkiezingen in maart 2010 verslechterd, maar daarna verbeterd tot het niveau van vóór 2010. Hij heeft zich in het besluit van 13 september 2010 dan ook terecht op het standpunt gesteld dat zich in Irak, meer in het bijzonder Bagdad, niet de uitzonderlijke situatie voordoet, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Voor dit standpunt is steun te vinden in het arrest van het EHRM van 20 januari 2009 in zaak nr. 3621/06, F.H. tegen Zweden, (JV 2009/74), waarin het EHRM heeft geoordeeld dat in Irak geen sprake is van een "most extreme case of general violence", aldus de minister.

2.6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2; www.raadvanstate.nl), kan uit punt 43 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 februari 2009, C-465/07, Elgafaji, (www.curia.europa.eu), gelezen in samenhang met de punten 35 tot en met 40 van dat arrest, worden afgeleid dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade.

De Afdeling heeft over Irak, meer in het bijzonder Bagdad, eerder overwogen (bijvoorbeeld de uitspraken van 5 januari 2010 in zaak nr. 200906893/1/V2 en van 24 september 2010 in zaak nr. 201001187/1/V2; www.raadvanstate.nl) dat uit de UNHCR-Guidelines van april 2009 niet kan worden afgeleid dat de minister zich in de in die zaken aan de orde zijnde besluiten, onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak van mei 2009, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de mate van willekeurig geweld in Irak, meer in het bijzonder Bagdad, in het kader van een gewapend conflict dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat de desbetreffende vreemdelingen, louter door hun aanwezigheid aldaar, een reëel risico liepen op ernstige schade, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

2.6.3. In het ambtsbericht van januari 2010, dat betrekking heeft op de periode van mei 2009 tot en met januari 2010, is over de veiligheidssituatie In Irak en Bagdad het volgende vermeld:

<small>"De veiligheidssituatie was in grote delen van Irak ook gedurende deze verslagperiode over het algemeen zeer ernstig. Er was sprake van etnisch en/of religieus gemotiveerd geweld, politiek geweld en zware misdaad. Het geweld kwam voor in de vorm van bomaanslagen, schiet- en steekpartijen, ontvoeringen, intimidatie en andere mensenrechtenschendingen. Volgens officiële Iraakse cijfers eiste het geweld in 2009 meer dan 3.000 burgerslachtoffers. Hoewel het aantal burgerdoden in 2009 lager lag dan in 2008, kan in deze verslagperiode, alle factoren in overweging nemend, over het algemeen niet of nauwelijks worden gesproken van een verbetering van de veiligheidssituatie ten opzichte van de vorige verslagperiode. Over het algemeen kan worden gesteld dat het geweld multi-dimensionaal (etnisch, religieus, politiek, crimineel) en soms willekeurig is. Het grootste deel van het geweld is gericht tegen personen die geassocieerd worden met de Iraakse overheid, inclusief het Iraakse veiligheidsapparaat, politici en hun familie, ambtenaren en rechters. Het sektarische geweld treft nog altijd met name sjiieten in door soennieten gedomineerde gebieden en soennieten in door sjiieten gedomineerde gebieden, zij het in aanzienlijk mindere mate dan tijdens voorgaande verslagperiodes.

De veiligheidssituatie in en rond Bagdad was gedurende de verslagperiode nog altijd zeer ernstig. Burgers hadden er te maken met bomaanslagen, schietpartijen, moordaanslagen, ontvoeringen, bedreigingen en intimidatie. Er vonden geregeld ernstige geweldsincidenten plaats, waaronder zware bomaanslagen op overheidsgebouwen in het centrum van Bagdad waarbij honderden slachtoffers vielen. Er vond evenwel nog altijd veel gericht geweld plaats, met name tegen leden van Iraakse veiligheidsorganisaties, van politieke partijen en/of van verschillende religieuze groepen of bewegingen.

De verantwoordelijkheid voor de veiligheid is sinds 1 juli 2009 in handen van de Iraakse veiligheidsorganisaties. In alle negen districten van de hoofdstad zijn Iraqi Security Forces (ISF) aanwezig. Er zijn sjiitische of deels sjiitische politie-eenheden werkzaam in voornamelijk soennitische wijken in Bagdad; dit heeft over het algemeen voor zover bekend niet tot problemen geleid in deze wijken. In deze wijken zijn ook soennitische burgerwachten of Awakening Councils actief. Door infiltratie van gewapende groeperingen, wijdverbreide corruptie en het gebrekkig functioneren van de rechtsstaat kunnen burgers in Bagdad in de praktijk niet altijd effectief een beroep doen op de Iraakse veiligheidsorganisaties voor bescherming. Bovendien zijn de ISF ook zelf vaak doelwit van geweld."</small>

2.6.4. Over migratiestromen wordt het volgende vermeld:

<small>"Sinds de door de Verenigde Staten geleide militaire interventie in Irak in 2003 zijn naar schatting ongeveer 2 miljoen Irakezen hun land ontvlucht, terwijl meer dan 1,8 miljoen mensen binnenslands ontheemd zijn geraakt. Volgens schattingen van UNHCR keerden in 2009 meer dan 35.000 vluchtelingen en ruim 165.000 binnenlands ontheemden terug, tegen circa 25.000 vluchtelingen en 195.000 ontheemden in 2008.

In 2009 zouden meer dan 165.000 personen zijn teruggekeerd naar hun oorspronkelijke woonplaats, waarvan meer dan de helft terugkeerde naar Bagdad. De Iraakse regering stimuleert de terugkeer van binnenlands ontheemden, onder meer door een toelage van 1 miljoen IQD toe te kennen aan elke ontheemde familie die terugkeert en door middel van Return Assistance Centers, die assisteren bij het terugvorderen van eigendommen."</small>

2.6.5. In het ambtsbericht van oktober 2010, dat betrekking heeft op de periode van februari tot en met september 2010, is over de veiligheidssituatie in Irak en Bagdad, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

<small>"De veiligheidssituatie was in deze verslagperiode in bepaalde delen van Irak en op bepaalde momenten nog altijd zeer ernstig. Het geweldsniveau in Irak fluctueerde echter door de verslagperiode heen en varieerde sterk per gebied. Zo verslechterde de veiligheidssituatie in de weken na de verkiezingen van 7 maart 2010, maar was het geweldsniveau eind april weer ongeveer op het niveau van vóór 7 maart. Daarnaast was volgens het Amerikaanse Ministerie van Defensie het gemiddelde aantal uitgevoerde aanslagen in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2010 in de provincie Bagdad ongeveer zes, in de provincie Basra minder dan één en in de drie provincies van Noord-Irak ongeveer nul. Volgens officiële cijfers van de Iraakse autoriteiten kwamen in de acht maanden van deze verslagperiode in Irak ruim 2.000 burgers door geweld om het leven. De niet-gouvernementele organisatie Iraq Body Count (IBC) schat het aantal burgerdoden in dezelfde periode op meer dan 2.800. Ter vergelijking, in de laatste acht maanden van de voorgaande verslagperiode (juni 2009 t/m januari 2010) lag het aantal burgerslachtoffers volgens de Iraakse autoriteiten eveneens op ruim 2.000 en volgens IBC op ruim 3.000; het aantal burgerdoden in de acht maanden van de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht Irak juni 2007, ten dele geactualiseerd op

14 februari 2008 (juni 2007 t/m januari 2008) werd door IBC geschat op meer dan 12.000. Hoewel meerdere bronnen over de afgelopen jaren, inclusief deze verslagperiode, een (licht) positieve ontwikkeling van de veiligheidssituatie waarnemen, wisselen op de korte termijn verslechteringen en verbeteringen elkaar af. Er kan dan ook niet in zijn algemeenheid voor de gehele verslagperiode worden gesproken van een verbetering of verslechtering van de veiligheidssituatie in Irak ten opzichte van voorgaande verslagperiodes. Er was ook in deze verslagperiode, met name in Centraal-Irak, sprake van etnisch en/of religieus gemotiveerd geweld, politiek geweld en zware criminaliteit. Het grootste deel van het geweld is gericht tegen personen die geassocieerd worden met de Iraakse overheid. Sinds alle andere landen in 2009 hun militaire missies in Irak hebben beëindigd, bestaat de buitenlandse militaire aanwezigheid in Irak nog slechts uit Amerikaanse troepen, die vanaf 1 januari 2010 opereren onder de naam United States Forces – Iraq (USF-I). De USF-I hebben echter ook in deze verslagperiode op verzoek van de Iraakse autoriteiten deelgenomen aan operaties van het Iraakse leger.

De veiligheidssituatie in en rond Bagdad was gedurende de verslagperiode onstabiel. Burgers hadden er te maken met bomaanslagen, schietpartijen, moordaanslagen, ontvoeringen, bedreigingen en intimidatie. Er vonden geregeld ernstige geweldsincidenten plaats, waaronder zware bomaanslagen op sjiitische doelen, openbare gebouwen en Awakening Councils. Daarnaast was er sprake van gericht geweld tegen individuele politici, geestelijken en leidinggevenden van Iraakse veiligheidsorganisaties of Awakening Councils.

De handhaving van openbare orde en veiligheid in Bagdad is in principe in handen van de Iraakse veiligheidsorganisaties. In alle tien districten van de hoofdstad zijn Iraqi Security Forces aanwezig. Er zijn sjiitische of deels sjiitische politie eenheden werkzaam in voornamelijk soennitische wijken in Bagdad; dit heeft voor zover bekend niet tot problemen geleid in deze wijken. In deze wijken zijn ook soennitische burgerwachten of Awakening Councils actief. Door infiltratie van gewapende groeperingen, wijdverbreide corruptie en het gebrekkig functioneren van de rechtsstaat kunnen burgers in Bagdad in de praktijk niet altijd effectief een beroep doen op de Iraakse veiligheidsorganisaties voor bescherming. Bovendien zijn de ISF ook zelf vaak slachtoffer van geweld."</small>

2.6.6. Over migratiestromen wordt, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

<small>"Volgens schattingen van UNHCR keerden in de eerste acht maanden van 2010 meer dan 18.000 vluchtelingen en ongeveer 71.000 binnenlands ontheemden terug, tegen circa 35.000 vluchtelingen en 165.000 ontheemden in heel 2009. De terugkeer van binnenlands ontheemden is volgens UNHCR gedurende deze verslagperiode niet toegenomen ten opzichte van de vorige verslagperiode. In de eerste acht maanden van 2010 zouden ongeveer 71.000 personen zijn teruggekeerd naar hun oorspronkelijke woonplaats, waarvan meer dan de helft terugkeerde naar

Bagdad." </small>

2.6.7. In de UNHCR-notitie, die betrekking heeft op de periode van april 2009 tot juli 2010, is over de veiligheidssituatie in Irak en Bagdad het volgende vermeld:

<small>"Reports indicate that the targeting of Government of Iraq officials, members of the Iraqi security forces, Awakening Council members and prominent citizens continue unabated. Compared to 2008, there has been a significant increase in the use of magnetic and adhesive bombs attached to vehicles as a weapon to assassinate particular individuals. The Iraq Body Count (IBC), a project which maintains data on civilian deaths, reported that in 2009 the annual civilian death toll was 4,644. Reports for 2010 indicate that some 2,000 Iraqis were killed and some 5,000 others were injured during the first five months of 2010. An upsurge in violence was noted since the 7 March 2010 elections and casualty statistics for the months of April and May 2010 reflect an increase in the numbers of Iraqis killed and wounded in violence. Reports show that in 2009 and early 2010, insurgents carried out several mass-casualty attacks, including on high-profile, highly guarded targets such as Iraqi government institutions, prominent hotels and foreign embassies. The assaults resulted in hundreds of civilians killed or injured in the attacks. The reported incidents mostly took place in the central governorates of Baghdad, Diyala, Kirkuk, Ninewa and Salah Al-Din as well as in Al-Anbar, which has seen an increase in violence since the summer of 2009.

Since early 2010, the ISF, with the help of the USF-I, have arrested or killed a large number of senior insurgent leaders, in particular members of Al-Qa’eda in Iraq. Ongoing attacks illustrate that the groups are still intent on, and capable of, attacks. Under the Status-of-Forces Agreement (SOFA) of 30 June 2009, the Iraqi authorities have taken over full responsibility for the security of the country. The former Multinational Forces-Iraq/United States Forces-Iraq former MNF-I/USF-I) have withdrawn from Iraqi cities, towns and villages and operate from their military bases at the request of the Iraqi Government. The Iraqi Security Forces (ISF) have almost reached their intended end strength of about 680,000 members. Since spring 2009 the Iraqi Government has been fully responsible for managing and integrating the largely Sunni Awakening Councils or Sons of Iraq (SoI) groups into the ISF and Iraqi government employment. This process is still ongoing and by April 2010, of the 94,000 SoI, some 9,000 had transitioned into the ISF and over 30,000 into other government employment." </small>

2.6.8. Over migratiestromen wordt het volgende vermeld:

<small>"The first five months of the year saw the return of 7,064 Iraqis to Iraq, primarily from neighbouring countries, as well as 37,330 Internally Displaced Persons returning to their places of origin. Most of the returnees were from Baghdad and Diyala Governorates."</small>

2.6.9. In de brief van VluchtelingenWerk wordt, onder gedeeltelijke verwijzing naar het ambtsbericht van oktober 2010 en de UNHCR-notitie, het volgende vermeld:

<small>"Verschillende bronnen melden een verslechtering van de veiligheidssituatie in Irak in het voorjaar van 2010. Het aantal burgerdoden door geweld in Irak is vanaf januari 2010 tot en met augustus vrijwel constant toegenomen. De website Iraq Body Count (IBC) noemt de volgende dodencijfers januari: 259, februari: 296, maart: 311, april: 376, mei 370, juni: 353, juli: 424, augustus: 503. In september is het aantal burgerdoden weer lager: 242, maar in oktober is er volgens een voorlopige telling weer een stijging naar 302 doden. Ook het aantal veiligheidsincidenten nam in de zomer van 2010 weer sterk toe. Volgens een rapportage van 30 oktober aan het Amerikaanse Congres was er in het derde kwartaal van 2010 sprake van een vervijfvoudiging ten opzichte van het kwartaal daarvoor. Er waren gemiddeld meer dan 50 veiligheidsincidenten per dag. Op 6 november vielen er 37 gewonden door bomexplosies en raketaanvallen in Kirkuk en Bagdad. Iraakse veiligheidstroepen hebben ontegenzeggelijk vooruitgang geboekt in hun optreden, maar er blijven urgente problemen bestaan."</small>

2.6.10. Uit de aldus overgelegde stukken blijkt weliswaar dat de algemene veiligheidssituatie in Irak, meer in het bijzonder Bagdad, nog immer zorgelijk is en dat de veiligheidssituatie is verslechterd rond de Iraakse parlementsverkiezingen in maart 2010, maar daaruit blijkt evenzeer dat de veiligheidssituatie daarna weer op het niveau van vóór de verkiezingen is gekomen. Sinds de eerste helft van 2009 is in Irak, ook in Bagdad, sprake van een zich ontwikkelende veiligheidsstructuur, bestaande uit Iraakse veiligheidsorganisaties en - in verminderde mate - Amerikaanse troepen. Mede als gevolg van de sinds de eerste helft van 2009 aanwezige veiligheidsstructuur is de frequentie, aard en intensiteit van het geweld in Irak gewijzigd; ernstige geweldsincidenten zijn in het jaar 2010 minder talrijk dan in voorgaande jaren en het geweld is daarnaast minder willekeurig dan voorheen. Anders dan in de jaren vóór 2010 is het geweld veeleer gericht op destabilisatie van overheidsgezag en de veiligheidsstructuur. Het is gericht tegen leden van veiligheidsorganisaties en etnische en religieuze groepen. Vanwege de verminderde willekeur van het geweld en gewijzigde middelen van geweldpleging, is het aantal dodelijke burgerslachtoffers verminderd ten opzichte van de jaren vóór 2010. Vele personen die als gevolg van het geweld vóór 2010 hun toevlucht in andere delen van Irak en daarbuiten hebben genomen, zijn teruggekeerd naar Irak en met name ook naar Bagdad, daartoe gestimuleerd door het toekennen van toelagen door de Iraakse overheid.

2.6.11. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in Irak, meer in het bijzonder Bagdad, geen sprake is van de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar Irak, meer in het bijzonder Bagdad, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn bedoelde ernstige schade.

De Afdeling vindt voor dit oordeel steun in het gegeven dat het EHRM op 24 november 2010 op de website, www.echr.coe.int, te kennen heeft gegeven dat het - mede gelet op de door de UNHCR en de Nederlandse regering aan het EHRM ter kennis gebrachte stukken over de algemene veiligheidssituatie in Irak - anders dan vanaf 22 oktober 2010 het geval was, verzoeken van Iraakse vreemdelingen om het treffen van "interim measures" weer uitsluitend op individuele gronden beoordeelt.

2.6.12. Gelet op het vorenoverwogene, heeft de minister bij het besluit van 13 september 2010 de vreemdeling terecht geen verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 verleend. De beroepsgrond van de vreemdeling faalt.

2.7. Nu de vreemdeling overigens geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, uit het door hem aangevoerde niet kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan en hij voorts niet heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland, (JV 1998/45), is er voor een verdere rechterlijke toetsing van het besluit van 13 september 2010 geen plaats.

2.8. Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 15 november 2010 in zaak nr. 10/32007;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Bosma

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2011

572.

Verzonden: 4 februari 2011

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser