Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3724

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201006239/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 30 oktober 2009 heeft de minister, voor zover thans van belang, [appellant] medegedeeld dat hij geen aanleiding ziet de door [appellant] gevraagde maatregelen tegen de door hem gestelde plichtsverzuimen van de burgemeester van Heemstede te treffen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Gemeentewet
Gemeentewet 61b
Gemeentewet 62
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2011/84
AB 2011/118 met annotatie van L.J.A. Damen
Gst. 2011/54 met annotatie van P.C.M. Heinen en C.O.L. Luttmer
BA 2011/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006239/1/H3.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 juni 2010 in zaak nr. 10-255 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij brief van 30 oktober 2009 heeft de minister, voor zover thans van belang, [appellant] medegedeeld dat hij geen aanleiding ziet de door [appellant] gevraagde maatregelen tegen de door hem gestelde plichtsverzuimen van de burgemeester van Heemstede te treffen.

Bij brief van 16 december 2009 heeft de minister, voor zover thans van belang, gereageerd op het herhaalde verzoek van [appellant] om maatregelen jegens de burgemeester te nemen en opnieuw uiteengezet waarom hij niet aan dat verzoek zal voldoen.

Bij uitspraak van 25 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 5 juli 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 5 augustus 2010 heeft de burgemeester, daartoe in de gelegenheid gesteld, een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2011, waar [appellant], in persoon, de minister, vertegenwoordigd door C.M.C. Sjerps LL.M en J.G. Dullemond, beiden werkzaam bij het ministerie, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.E. Hopman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 61b, eerste lid, van de Gemeentewet kan de burgemeester te allen tijde bij koninklijk besluit op voordracht van de minister worden ontslagen.

Ingevolge artikel 62, eerste lid, kan de burgemeester bij koninklijk besluit worden geschorst.

Ingevolge het tweede lid kan de minister, in afwachting van een besluit omtrent schorsing, bepalen dat de burgemeester zijn functie niet uitoefent.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge het derde lid wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

2.2. Bij brieven van 15 september 2009, 6 november 2009 en 3 december 2009 heeft [appellant] bij de minister onder meer geklaagd over door hem gestelde plichtsverzuimen van de burgemeester en de minister verzocht passende maatregelen jegens de burgemeester te nemen.

De minister heeft in de brieven van 30 oktober 2009 en 16 december 2009, voor zover thans van belang, medegedeeld dat hij geen maatregelen tegen de burgemeester zal nemen. Hiertoe heeft hij in de brief van 16 december 2009 te kennen gegeven dat hij zich maar tot op zekere hoogte met de gang van zaken in een gemeente kan bezighouden, omdat de gemeente een zelfstandige bestuurslaag is met eigen taken en bevoegdheden.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de minister heeft kunnen aannemen dat [appellant] in zijn eerste twee brieven een niet nader omschreven ingrijpen in de gang van zaken binnen de gemeente verzocht en dat de minister hem heeft medegedeeld dat het niet tot zijn taak behoort om zich te mengen in kwesties die tot de autonome taak van de gemeente behoren. Zij heeft geoordeeld dat deze mededeling geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is, omdat deze niet op enig rechtsgevolg is gericht. Tegen deze mededeling is geen beroep mogelijk, aldus de rechtbank.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat hij in zijn brieven aan de minister heeft gespecificeerd welke wetsschendingen het gemeentebestuur van Heemstede volgens hem heeft begaan en dat hij de minister heeft gevraagd die schendingen door handhavend optreden tegen de burgemeester te beëindigen. Dit verzoek was hierdoor concreet en ontvankelijk, aldus [appellant]. Hij betoogt dat de weigering van de minister om tot dat optreden over te gaan een besluit is, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

2.4.1. In voormelde brieven heeft [appellant] geklaagd over het niet ingrijpen door de burgemeester tegen verschillende door hem gestelde wetsschendingen door het gemeentebestuur van Heemstede. Ter redressering van dit door hem gestelde plichtsverzuim van de burgemeester heeft hij de minister verzocht om passende maatregelen tegen de burgemeester te nemen. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de minister dit verzoek heeft mogen opvatten als een verzoek om een niet nader gespecificeerd ingrijpen in de gang van zaken binnen de gemeente. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de mededeling van de minister in de brieven van 30 oktober 2009 en 16 december 2009, dat hij zich niet kan mengen in kwesties die tot de autonome taak van de gemeente behoren, niet op enig rechtsgevolg is gericht. Anders dan [appellant] betoogt, houdt die mededeling geen weigering van de minister in om tot handhavend optreden over te gaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze mededeling geen besluit is, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Het betoog slaagt niet.

2.5. De rechtbank heeft verder overwogen dat, voor zover [appellant] van meet af aan heeft beoogd de minister te vragen gebruik te maken van zijn in de artikelen 61b en 62 van de Gemeentewet neergelegde bevoegdheden, het al dan niet voordragen voor ontslag of schorsing van een burgemeester een discretionaire bevoegdheid van de minister is, waar een burger geen rechten aan kan ontlenen. Om die reden is [appellant] volgens de rechtbank geen belanghebbende bij het door hem gedane verzoek. Dit verzoek is daarom geen aanvraag, als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, zodat de afwijzing van het verzoek geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is, aldus de rechtbank.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat, ook indien de bevoegdheid van de minister om op grond van de artikelen 61b en 62 van de Gemeentewet tegen de burgemeester op te treden discretionair van aard is, hij belanghebbende is bij zijn verzoek aan de minister om van die bevoegdheid gebruik te maken. Hiertoe voert hij aan dat zijn belangen rechtstreeks worden geraakt door meerbedoelde wetsschendingen en het verzuim van de burgemeester daartegen op te treden. Deze belangen zijn evenzeer rechtstreeks betrokken bij het verzoek aan de minister om maatregelen tegen de burgemeester te treffen, aldus [appellant].

2.6.1. Naar [appellant] ter zitting bij de Afdeling heeft verklaard, beoogt hij met zijn verzoek aan de minister een verbetering van het functioneren van de locale democratie te bereiken. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellant] bij het door hem gedane verzoek om aanwending van voormelde bevoegdheden geen belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, is in dit verband niet van belang dat de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 61b en 62 van de Gemeentewet, discretionair van aard zijn, maar dat [appellant] geen eigen, persoonlijk belang heeft dat hem in voldoende mate onderscheidt van andere inwoners van de gemeente Heemstede en dat rechtstreeks wordt geraakt door het al dan niet uitoefenen van deze bevoegdheden door de minister. Dat [appellant] zich door de gestelde wetsschendingen door het gemeentebestuur rechtstreeks in zijn belangen geraakt acht, levert geen bijzonder, individueel belang bij de aanwending door de minister van diens bevoegdheden op waarmee hij zich voldoende onderscheidt van andere inwoners van Heemstede. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht, hoewel op niet geheel juiste gronden, geoordeeld dat het verzoek van [appellant] geen aanvraag behelst in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, en dat de afwijzing van het verzoek door de minister daarom geen besluit is, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het betoog faalt.

2.7. Ambtshalve overweegt de Afdeling dat de minister in zijn brief van 16 december 2009 zijn standpunt nader uiteen heeft gezet, doch er geen enkele blijk van geeft het herhaalde verzoek van [appellant] te hebben opgevat en behandeld als een bezwaarschrift. Nu zijn brief van 30 oktober 2009 geen besluit was, behoefde de minister het herhaalde verzoek ook niet als zodanig op te vatten en te behandelen. De brief van 16 december 2009 behelst derhalve geen besluit op bezwaar. Nu geen besluit voorlag, stond

ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb geen beroep bij de bestuursrechter open. De rechtbank was daarom onbevoegd van het door [appellant] ingestelde beroep kennis te nemen. Zij heeft dit niet onderkend.

2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren van het beroep kennis te nemen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.10. Een redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 52, vijfde lid - het door [appellant] in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 juni 2010 in zaak nr. 10-255;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

419-598.