Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3723

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201007030/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2008 heeft de minister [schildersbedrijf] een boete opgelegd van € 8.100,00 vanwege een arbeidsongeval dat op 6 februari 2008 heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007030/1/H3.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[schildersbedrijf], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoten], allen wonend te [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 juni 2010 in zaak nr. 09/322 in het geding tussen:

[schildersbedrijf]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, thans de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2008 heeft de minister [schildersbedrijf] een boete opgelegd van € 8.100,00 vanwege een arbeidsongeval dat op 6 februari 2008 heeft plaatsgevonden.

Bij besluit van 15 december 2008 heeft de minister het door [schildersbedrijf] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [schildersbedrijf] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [schildersbedrijf] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 24 augustus 2010.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2011, waar [schildersbedrijf], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde] en mr. M. Zwennes, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. F.D.R. van Motman, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals die luidde ten tijde van het arbeidsongeval, zijn de werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, wordt als beboetbaar feit aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit. Ter zake van de feiten, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald of een boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zoals dat luidde ten tijde van het arbeidsongeval, is bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.

Ingevolge het tweede lid is er in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.

Ingevolge artikel 9.1 is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld, met uitzondering van de artikelen 1.25, 2.6, 2.26 tot en met 2.29, 2.32 tot en met 2.34 en 7.21.

Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, wordt als beboetbaar feit ter zake waarvan een boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 3.16, eerste lid.

Volgens beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de beleidsregels), zoals die luidden ten tijde van het arbeidsongeval en voor zover thans van belang, kunnen bij de berekening van de op te leggen boete één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag:

- Indien de werkgever aantoont dat hij de risico’s van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de boete met een derde gematigd.

- Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de boete met nog een derde gematigd.

- Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen boete opgelegd.

Volgens het achtste lid, aanhef en onder a, wordt bij een arbeidsongeval dat leidt tot een ziekenhuisopname aan een bedrijf met 10 tot en met 39 werknemers een boete van € 8.100,00 opgelegd.

Volgens het achtste lid, aanhef en onder c, kunnen bij de berekening van de op te leggen boete de drie factoren aan de orde zijn als genoemd in lid 4, onder a, en op overeenkomstige wijze leiden tot verlaging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag.

Volgens het negende lid wordt geen boete opgelegd indien de verwijtbaarheid ontbreekt.

2.2. De minister heeft [schildersbedrijf] een boete opgelegd omdat op 6 februari 2008 een [werknemer] van [schildersbedrijf], in haar bedrijf in een gat in de vloer is gevallen en daarbij letsel heeft opgelopen waarvoor hij is opgenomen in een ziekenhuis. [werknemer] plakte een personenauto af in een spuitcabine. Ter plaatse waren ventilatieroosters uit de vloer verwijderd, waardoor een gat in de vloer was ontstaan van circa 1 meter breed en 1 meter diep. Dat gat was tijdens de werkzaamheden niet dicht gelegd of op een andere wijze beveiligd en daarom was valgevaar aanwezig, aldus de minister in het bij de rechtbank bestreden besluit.

2.3. [schildersbedrijf] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat haar geen verwijt kan worden gemaakt en de minister haar daarom ten onrechte een boete heeft opgelegd voor het arbeidsongeval. [werknemer] is leidinggevende in het bedrijf. Daarnaast heeft [werknemer] zelf de roosters weggehaald die het gat in de vloer afdichtten, heeft hij zelf de hekken verwijderd die om het gat stonden en heeft hij zelf besloten de personenauto te spuiten terwijl hij de roosters had verwijderd om een vrachtauto te spuiten. Verder had [schildersbedrijf] hekwerken ter beschikking gesteld om het gat af te dichten. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat zij artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft overtreden.

2.3.1. Door het weghalen van de roosters die het gat in de vloer in de spuitcabine afdichtten, is valgevaar ontstaan. [schildersbedrijf], de werkgever, is dat valgevaar niet tegengegaan door het nemen van afdoende maatregelen, hetgeen door haar is erkend. Niet van belang hierbij is dat [werknemer] zelfstandig een aantal beslissingen heeft genomen en daarbij de voorschriften die [schildersbedrijf] heeft gesteld niet in acht heeft genomen en de hekwerken die [schildersbedrijf] ter beschikking heeft gesteld om het gat af te dichten niet heeft geplaatst. Ingevolge artikel 9.1, gelezen in verbinding met artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is de werkgever verplicht tot naleving van de eis dat bij het verrichten van werkzaamheden waarbij valgevaar bestaat voorzieningen worden aangebracht of andere maatregelen worden genomen waardoor dat valgevaar wordt tegengegaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [schildersbedrijf] artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft overtreden.

2.4. [schildersbedrijf] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat zij de risico's van de werkzaamheden waarbij het ongeval zich heeft voorgedaan, onvoldoende heeft geïnventariseerd. Zoals de rechtbank heeft overwogen heeft zij de risico's geïnventariseerd van het spuiten van een personenauto en van het spuiten van een vrachtauto. [schildersbedrijf] stelt zich verder op het standpunt dat zij slechts gehouden is de risico's te inventariseren die kunnen optreden bij de uitvoering van werkzaamheden conform de door haar opgestelde regels. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat zij de risico's had dienen te inventariseren voor het geval de ventilatieroosters na het spuiten van een vrachtauto niet werden teruggeplaatst en dat zij daarom niet heeft voldaan aan de eerste matigingsgrond die is genoemd in beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder a, van de beleidsregels, aldus [schildersbedrijf].

2.4.1. De rechtbank heeft overwogen dat [schildersbedrijf] slechts heeft geïnventariseerd welke risico's zich voordoen bij ofwel het spuiten van personenauto's dan wel bij het spuiten van vrachtauto's. Ter zitting van de rechtbank heeft [schildersbedrijf] toegelicht dat bij het spuiten van een personenauto geen valgevaar bestaat omdat de ventilatieroosters dan in de vloer aanwezig horen te zijn. Bij het spuiten van een vrachtauto worden de ventilatieroosters wel uit de vloer verwijderd, waarna het gat wordt afgedekt door de vrachtauto die boven het ontstane gat is geplaatst. [schildersbedrijf] heeft in de procedure bij de rechtbank verklaringen overgelegd van de [twee andere werknemers] en [werknemer] die haar betoog ondersteunen. De werknemers hebben onder meer verklaard dat zodra de ventilatieroosters uit de vloer worden verwijderd het ontstane gat moet worden afgeschermd met hekwerken. Uit de door [schildersbedrijf] gemaakte inventarisatie volgt dat bij het verwijderen van de roosters het risico op valgevaar ontstaat en daarom heeft zij voorgeschreven dat, totdat de vrachtauto op het gat in de vloer staat, hekwerken dienen te worden geplaatst om het gat af te schermen. Aldus heeft zij de risico's op valgevaar die bestaan bij het wisselen van de werkzaamheden in de spuitcabine tussen het spuiten van een vrachtauto en een personenauto, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel geïnventariseerd. Voorts heeft [schildersbedrijf] hekwerken ter beschikking gesteld, waarmee werknemers het gat dienen af te dichten dat ontstaat wanneer de ventilatieroosters zijn verwijderd. Daarmee heeft zij, op grond van voornoemde inventarisatie, maatregelen getroffen en beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat [schildersbedrijf] heeft voldaan aan de eerste matigingsgrond die is genoemd in beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder a, van de beleidsregels en dat de minister daarin aanleiding had moeten zien het boetebedrag, overeenkomstig de beleidsregels, met een derde te matigen.

Het betoog slaagt.

2.5. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep van [schildersbedrijf] gegrond en wordt de aangevallen uitspraak vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [schildersbedrijf] beoordelen, voor zover dat nog niet is beoordeeld.

2.6. [schildersbedrijf] heeft betoogd dat zij voldoende instructies heeft gegeven, nu zij haar werknemers heeft geïnstrueerd dat altijd hekwerken dienen te worden geplaatst rond het gat dat ontstaat wanneer de ventilatieroosters worden verwijderd. Daarom had volgens haar het boetebedrag moeten worden gematigd.

2.6.1. Dit betoog slaagt. Uit de verklaring die [werknemer] op 14 februari 2008 heeft afgelegd tegenover een inspecteur van de Arbeidsinspectie, volgt dat [schildersbedrijf] regelmatig haar werknemers instrueert om met de hekwerken het gat af te schermen dat ontstaat wanneer de ventilatieroosters uit de vloer worden verwijderd. Die verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van de werknemers die [schildersbedrijf] in de procedure bij de rechtbank heeft overgelegd. Nu zij, zoals reeds hiervoor onder 2.4.1 is overwogen, heeft voldaan aan de eerste matigingsgrond die is genoemd in beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder a, van de beleidsregels en gelet op het voorgaande tevens heeft voldaan aan de tweede matigingsgrond, had de minister het boetebedrag met nogmaals een derde moeten matigen.

2.7. [schildersbedrijf] heeft verder betoogd dat zij tevens voldaan heeft aan de derde matigingsgrond die is genoemd in beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder a, van de beleidsregels. [werknemer] is zelf de leidinggevende binnen de onderneming en stuurde iedereen, inclusief de vennoten, aan. Hij gaf altijd de instructie tot het plaatsen van de hekken en heeft daar bij het ongeluk van afgezien. [werknemer] was tevens de toezichthouder en daarom was er adequaat toezicht.

2.7.1. [schildersbedrijf] is ingevolge artikel 8, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet als werkgever verplicht toe te zien op de naleving van de instructies en voorschriften gericht op het voorkomen of beperken van de risico's zoals genoemd in artikel 8, eerste lid, alsmede op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Dat [werknemer] zelf leidinggevende was, ontslaat [schildersbedrijf], zijnde de werkgever, niet van deze verplichting.

[schildersbedrijf] heeft ter zitting van de Afdeling verklaard dat volgens haar instructies twee werknemers een personenauto of vrachtauto dienen te spuiten, waardoor die werknemers toezicht op elkaar kunnen houden. [werknemer] heeft in strijd met die instructies zonder aanwezigheid van een andere werknemer de roosters weggehaald die het gat in de vloer afdichtten, de hekken verwijderd die om het gat stonden en de personenauto gespoten, bij welke werkzaamheden hij in het ontstane gat in de vloer is gevallen. Hieruit volgt dat er geen toezicht is uitgeoefend op [werknemer] en op het door hem volgens de instructies uitvoeren van de werkzaamheden. Het betoog faalt.

2.8. Het beroep tegen het besluit van 15 december 2008 van de minister is gegrond. Dat besluit zal worden vernietigd. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het primaire besluit van 26 september 2008 zal worden herroepen, voor zover daarbij een boete is opgelegd van € 8.100,00 en de boete voor de overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, gelezen in verbinding met de artikelen 3.16, eerste lid, 9.1 en 9.9c, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, zal worden vastgesteld op € 2.700,00. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.9. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 juni 2010 in zaak nr. 09/322;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 2008, kenmerk AI/JZ/2008/30816/BOB;

V. herroept het besluit van 26 september 2008, kenmerk 070801193/04, voor zover daarin het boetebedrag is vastgesteld op € 8.100,00;

VI. bepaalt dat de vennootschap onder firma Schildersbedrijf Fa. [schildersbedrijf] een boete wordt opgelegd van € 2.700,00 (zegge: tweeduizend zevenhonderd euro);

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [schildersbedrijf] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. veroordeelt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [schildersbedrijf] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.552,51 (zegge: vijftienhonderdtweeënvijftig euro en eenenvijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [schildersbedrijf] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 736,00 (zegge: zevenhonderdzesendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

419-622.