Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201006857/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2008 heeft het Uwv het verzoek van [appellant sub 1] om inzage in het door het Uwv bijgehouden dossier ten behoeve van de aan [appellant sub 1] verleende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO-uitkering), teneinde kennis te nemen van persoonsgegevens, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006857/1/H3.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te Ens, gemeente Noordoostpolder,

2. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 januari 2010 in zaak nr. 09/843 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

Uwv.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2008 heeft het Uwv het verzoek van [appellant sub 1] om inzage in het door het Uwv bijgehouden dossier ten behoeve van de aan [appellant sub 1] verleende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO-uitkering), teneinde kennis te nemen van persoonsgegevens, afgewezen.

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het Uwv het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2010, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2011, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, en het Uwv, vertegenwoordigd door mr. drs. R.H.L. Janssen en mr. M. Anema, beiden werkzaam bij het Uwv, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge het derde lid stelt de verantwoordelijke voordat hij een mededeling doet als bedoeld in het eerste lid, waartegen een derde naar verwachting bedenkingen zal hebben, die derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de mededeling gegevens bevat die hem betreffen, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost.

Ingevolge artikel 43, aanhef en onder e, voor zover hier van belang, kan de verantwoordelijke artikel 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 45, voor zover hier van belang, geldt een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 35 voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. [appellant sub 1] heeft verzocht om inzage in zijn WAO-dossier teneinde te achterhalen welke informatie over hem is verstrekt, waaronder de naam van een tipgever, die volgens hem onjuiste informatie aan het Uwv heeft verstrekt.

Het Uwv heeft in het besluit van 20 mei 2009 onder andere overwogen dat de naam van de tipgever niet ter inzage kan worden gegeven op grond van artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp. Volgens het Uwv staat het belang van bescherming van het recht op respect voor het privéleven van de tipgever in de weg aan honorering van het verzoek van [appellant sub 1] om inzage in zijn WAO-dossier voor zover daarin de naam van de tipgever is vermeld. Het Uwv heeft hierbij in aanmerking genomen dat de tipgever te kennen heeft gegeven uit angst voor represailles bezwaar te hebben tegen bekendmaking van zijn naam. Het Uwv heeft hierbij voorts in aanmerking genomen dat [appellant sub 1] zich bedreigend heeft uitgelaten tegenover een medewerker van het Uwv in de procedure inzake herziening en terugvordering van de aan [appellant sub 1] verleende WAO-uitkering.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat voor zover het bepaalde in artikel 43, aanhef en onder b, van de Wbp aan het besluit van 20 mei 2009 ten grondslag is gelegd, de motivering in het besluit dienaangaande te algemeen van aard is en niet toegespitst op het verzoek van [appellant sub 1].

De rechtbank heeft voorts geen grond gevonden voor het oordeel dat het Uwv ingevolge artikel 43, aanhef en onder e, artikel 35 van de Wbp in redelijkheid niet buiten toepassing heeft kunnen laten, nu dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

2.4. Voor zover het Uwv in zijn verweerschrift heeft beoogd hoger beroep in te stellen tegen de aangevallen uitspraak, geldt dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 15 november 2001 in zaak nr. 200104765/1 (AB2002, 54), de Algemene wet bestuursrecht noch de Wet op de Raad van State een grondslag biedt voor het instellen van hoger beroep na afloop van de voor het instellen van hoger beroep gestelde termijn. Het door het Uwv bij verweerschrift van 22 april 2010 ingestelde hoger beroep is dan ook niet-ontvankelijk.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv het belang van de tipgever bij anonimiteit in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan zijn belang bij bekendmaking van de naam van de tipgever. De informatie die de tipgever aan het Uwv heeft verstrekt over de werkzaamheden die hij naast zijn WAO-uitkering zou verrichten, is onjuist. De tipgever diende er, voor zover hij onwaarheden heeft verteld, volgens [appellant sub 1] op bedacht te zijn dat zijn naam bekend zou moeten worden gemaakt. Hij ondervindt in zijn dagelijks leven veel hinder van het feit dat hij niet weet wie in zijn omgeving onwaarheden over hem heeft verteld, zodat zijn belang zwaarder dient te wegen dan het belang van de tipgever. Dat hij zich ten aanzien van een medewerker van het Uwv bedreigend heeft uigelaten, rechtvaardigt niet de conclusie dat hij voornemens is de tipgever te intimideren, aldus [appellant sub 1].

2.5.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het Uwv in dit geval artikel 35 van de Wbp niet in redelijkheid buiten toepassing heeft kunnen laten op grond van artikel 43, aanhef en onder e, omdat dit noodzakelijk was in het belang van de rechten en vrijheden van de tipgever. In dit verband heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het Uwv een zwaar gewicht heeft mogen toekennen aan het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht op privéleven en het in artikel 10 van de Grondwet neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de tipgever. Het betoog dat de tipgever er op bedacht had moeten zijn dat zijn naam bekend zou worden gemaakt omdat hij onjuiste informatie heeft verstrekt, leidt de Afdeling evenmin als de rechtbank tot het oordeel dat het Uwv het door [appellant sub 1] gestelde belang, dat hij in het dagelijks leven veel hinder ondervindt van het feit dat hij niet weet wie in zijn omgeving onjuiste informatie over hem heeft verstrekt, zwaarder had moeten laten wegen dan het belang van de tipgever. Dat de tipgever onjuiste informatie heeft verstrekt, is de Afdeling niet gebleken. De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het Uwv van belang heeft mogen achten dat [appellant sub 1], naar hij niet heeft bestreden, zich in het verleden bedreigend heeft uitgelaten tegenover een medewerker van het Uwv. Dit rechtvaardigt, anders dan [appellant sub 1] betoogt, de conclusie van de rechtbank dat de angst van de tipgever voor represailles niet elke grond mist.

Het betoog van [appellant sub 1] faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Grimbergen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

581.