Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3717

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201006116/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2010:BM4555, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 17 maart 2009 onderscheidenlijk 31 maart 2009 heeft het college aan [appellant] (hierna: vergunninghouder) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een woning op het perceel tussen [locatie 1] en [locatie 2] te Rossum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201006116/1/H1.

Datum uitspraak:9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zaltbommel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 mei 2010 in zaak nr. 09/3191 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Rossum, gemeente Maasdriel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 17 maart 2009 onderscheidenlijk 31 maart 2009 heeft het college aan [appellant] (hierna: vergunninghouder) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van een woning op het perceel tussen [locatie 1] en [locatie 2] te Rossum.

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college het door [wederpartij] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de besluiten gehandhaafd.

Bij uitspraak van 18 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 juni 2009 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft vergunninghouder bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 20 juli 2010.

Het college en [wederpartij] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college het door [wederpartij] tegen de besluiten van 17 maart 2009 en 31 maart 2009 ingediende bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en deze besluiten, onder aanpassing van de motivering ervan, gehandhaafd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [wederpartij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2011, waar vergunninghouder, bijgestaan door mr. M.M. Breukers, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. Vogel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M. Bos, advocaat te Rosmalen, gehoord.

Buiten bezwaar van [wederpartij] heeft [appellant] ter zitting nog een stuk ingediend.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een woning op het perceel gelegen tussen twee vrijstaande woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. Het perceel, dat behoort tot een beschermd dorpsgezicht, bestaat uit een boomgaard met aan de noord-, west- en oostzijde een boom- en struiklaag.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kern Rossum, herziening 1997" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden". Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, nu op de plankaart ter plaatse van het perceel niet is voorzien in een bouwperceel. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de van het besluit van 23 juni 2009 deel uitmakende ruimtelijke onderbouwing niet kan worden aangemerkt als een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Aan haar oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat onvoldoende is gemotiveerd dat het bouwplan, ondanks strijdigheid ervan met de in het ontwerpbestemmingsplan "Rossum en Hurwenen" opgenomen toekomstige bestemming voor het perceel, past binnen het toekomstig ruimtelijk beleid. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het college het ontwerpbestemmingsplan niet heeft meegewogen in de ruimtelijke onderbouwing en het van de ruimtelijke onderbouwing deel uitmakende rapport "Cultuurhistorische analyse [locatie 1 en 2]" van het bureau Lantschap van 19 maart 2007 onvoldoende steun biedt voor het standpunt dat het bouwplan binnen het toekomstig beleid van het college past.

2.5. Vergunninghouder betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Vergunninghouder heeft daartoe aangevoerd dat in de ruimtelijke onderbouwing voldoende is gemotiveerd waarom het bouwplan, ondanks het ontbreken van een bouwvlak op de plankaart, geen afbreuk doet aan het ter plaatse wenselijk geachte ruimtelijk beleid voor het desbetreffende gebied.

2.5.1. Het bouwplan is in strijd met het ontwerpbestemmingsplan. Door te overwegen dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het bouwplan past binnen het toekomstig ruimtelijk beleid van het college, heeft de rechtbank echter niet onderkend dat het ontwerpbestemmingsplan een conserverend karakter heeft en er slechts toe strekt het geldend ruimtelijk beleid voort te zetten. Uit de toelichting van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan volgt dat het bouwplan niet in dit bestemmingsplan is opgenomen, omdat de vrijstellingsprocedure nog niet is afgerond. Voorts blijkt uit het voorbereidingsbesluit van 9 oktober 2008 dat de raad van de gemeente Maasdriel het bouwplan aanvaardbaar acht. Het college kon onder deze specifieke omstandigheden in de ruimtelijke onderbouwing volstaan met een motivering waarom het bouwplan past binnen het huidig ruimtelijk beleid, dat zal worden gecontinueerd onder het toekomstige bestemmingsplan. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.6. Nu de rechtbank geen oordeel heeft gegeven over de vraag of in de ruimtelijke onderbouwing voldoende is gemotiveerd dat het bouwplan past binnen het huidig ruimtelijk beleid, zal de Afdeling dit, mede in het licht van hetgeen [wederpartij] in dit verband in beroep heeft aangevoerd, alsnog beoordelen. [wederpartij] heeft in beroep betoogd dat de ruimtelijke onderbouwing niet toereikend is omdat het toevoegen van nieuwe bebouwing in beginsel haaks staat op het beleid van het college, nu daardoor het ruimtelijk karakter van openheid en groen geweld wordt aangedaan. [wederpartij] heeft daartoe aangevoerd dat voormeld rapport van het bureau Lantschap niet kan dienen als onderbouwing van het standpunt dat het bouwplan verenigbaar is met de cultuurhistorische en landschappelijke waarden ter plaatse van het bouwplan.

2.6.1. De aan de vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door een rapport van 19 juni 2008, dat is opgesteld door Milon B.V.. Hierin is onder meer ingegaan op de feitelijke situatie ter plaatse, de relatie met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, alsmede de aanleiding om daarvan af te wijken en zijn onder meer de effecten van het bouwplan op de cultuurhistorische waarden beoordeeld. In het bij de ruimtelijke onderbouwing behorende voormelde rapport van het bureau Lantschap is geconcludeerd dat het bouwplan met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische waarden goed mogelijk is, mits de nieuwe woning qua vormgeving en materiaalgebruik zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving. Het bouwplan is naar aanleiding van dit rapport aangepast. Weliswaar heeft [wederpartij] een andere visie gegeven op het bouwplan dan de visie die is neergelegd in het rapport van Lantschap, maar dat brengt op zichzelf niet mee dat dit rapport niet deugdelijk is. Nu in hetgeen [wederpartij] heeft aangevoerd geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusie in voormeld rapport en de Monumentencommissie bij brief van 3 mei 2007 te kennen heeft gegeven de uitstekende kwaliteit van de gemaakte analyse te waarderen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het rapport van Lantschap niet aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag mocht worden gelegd. Het negatieve advies van de Monumentencommissie leidt evenmin tot dat oordeel. Nu de Monumentencommissie in haar advisering niet is ingegaan op de inpasbaarheid van dit concrete bouwplan, maar in het ontbreken van een integrale cultuurhistorische analyse van het college reeds grond zag om negatief te adviseren, kon het college in dit geval doorslaggevend gewicht toekennen aan het rapport van Lantschap. Met de in de ruimtelijke onderbouwing neergelegde beoordeling van de cultuurhistorische waarden heeft het college voldoende gemotiveerd dat het toevoegen van nieuwe bebouwing weliswaar in beginsel in strijd is met het conserverend beleid dat is gericht op behoud van de ruimtelijke karakteristiek van openheid en groen, maar dat dit concrete bouwplan de cultuurhistorische waarde, ondanks de verdichting van de Burchtstraat, niet aantast en derhalve geen afbreuk doet aan het gewenste ruimtelijk beleid. Aldus voldoet de ruimtelijke onderbouwing op dit punt aan de eisen die daaraan dienen te worden gesteld.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 23 juni 2009 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding. Dit wil zeggen dat van de zijde van [wederpartij] van rechtswege een beroep tegen dit besluit is ontstaan, nu daarbij aan zijn bezwaren niet is tegemoetgekomen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de Afdeling tot het oordeel dat aan het besluit van 17 augustus 2010, dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen, de grondslag is komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 17 augustus 2010 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

2.9. Nu het hoger beroep gegrond is, bestaat aanleiding te bepalen dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht terugbetaalt.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 mei 2010 in zaak nr. 09/3191;

III. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 23 juni 2009, kenmerk 29823, ongegrond;

IV. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 17 augustus 2010, kenmerk 29823 gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 17 augustus 2010, kenmerk 29823;

VI. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 224,00 (zegge: tweehonderdvierentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

457-604.