Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3716

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201005948/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2009 heeft de minister aan Hardstraal Lemmer een boete opgelegd ter hoogte van € 5.400,00 wegens overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, gelezen in verbinding met artikel 7.5, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005948/1/H3.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hardstraal Lemmer B.V., gevestigd te Lemmer, gemeente Lemsterland,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 mei 2010 in zaak nr. 09/2270 in het geding tussen:

Hardstraal Lemmer

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2009 heeft de minister aan Hardstraal Lemmer een boete opgelegd ter hoogte van € 5.400,00 wegens overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, gelezen in verbinding met artikel 7.5, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Bij besluit verzonden op 27 juli 2009 heeft de minister het door Hardstraal Lemmer daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2010 (lees: 10 mei 2010), verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door Hardstraal Lemmer daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Hardstraal Lemmer bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2011, waar Hardstraal Lemmer, vertegenwoordigd door [directeur], en [bedrijfsleider], en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.E. van Heijningen, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge het tiende lid, voor zover hier van belang, is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding. Ter zake van de overtredingen, bedoeld in de vorige zin, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald of een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

Ingevolge artikel 7.5, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit) worden onderhouds-, reparatie- en reinigingswerkzaamheden aan een arbeidsmiddel slechts uitgevoerd indien het arbeidsmiddel is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt. Indien dit niet mogelijk is worden doeltreffende maatregelen genomen om die werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.

Ingevolge het derde lid is het tweede lid van overeenkomstige toepassing op productie- en afstelwerkzaamheden met of aan een arbeidsmiddel.

Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder g, voor zover thans van belang, wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften opgenomen in artikel 7.5, eerste tot en met het derde lid.

Bij de uitvoering van de bij of krachtens de Arbowet vastgestelde regels hanteert de minister de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving.

Volgens beleidsregel 33, achtste lid, aanhef en onder a, zoals deze beleidsregel luidde ten tijde en voor zover thans van belang, geldt € 5.400,00 als normbedrag bij de berekening van een boete voor een beboetbaar feit van de tweede categorie bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbowet, ingeval het bedrijf 5 tot en met 9 werknemers heeft.

Volgens onderdeel c, gelezen in verbinding met het vierde lid, onder a, kunnen één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn die achtereenvolgens leiden tot verlaging van het normbedrag:

- Indien de werkgever aantoont dat hij de risico's van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de boete met een derde gematigd.

- Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de boete met nog een derde gematigd.

- Indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen boete opgelegd.

Volgens het negende lid wordt indien de verwijtbaarheid ontbreekt, geen boete opgelegd.

2.2. De minister heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit een incident ten grondslag gelegd dat heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2008 waarbij een werknemer letsel heeft opgelopen en in een ziekenhuis is opgenomen. Door een aantal werknemers werden werkzaamheden verricht bestaande uit het machinaal stralen van stalen profielen. Hierbij werd een straalinstallatie gebruikt. Op enig moment heeft een werknemer deze straalinstallatie betreden om een achtergebleven profiel recht te leggen. De installatie is vervolgens ingeschakeld, toen deze werknemer zich nog in de installatie bevond. De werknemer is hierdoor getroffen door gritstraal. Volgens de minister was onder deze omstandigheden gevaar aanwezig en levert dit een overtreding op van artikel 7.5, derde lid, van het Arbobesluit. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de minister een boete aan Hardstraal Lemmer opgelegd van € 5.400,00 wegens overtreding van deze bepaling. De minister heeft geen grond gezien om de boete te matigen, omdat Hardstraal Lemmer niet alles heeft gedaan om de overtreding te voorkomen en de verwijtbaarheid derhalve niet of niet volledig ontbreekt.

2.3. Hardstraal Lemmer betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij het bepaalde in artikel 7.5, derde lid, van het Arbobesluit heeft overtreden. Zij heeft alle maatregelen en voorzieningen getroffen die wettelijk zijn vereist ter voorkoming van een ongeval en ter voorkoming van het verrichten van productiewerkzaamheden aan of met een arbeidsmiddel, terwijl deze niet was uitgeschakeld. Dat de betreffende werknemer deze maatregelen en voorzieningen heeft genegeerd, dient niet voor risico van Hardstraal Lemmer te worden gebracht.

Hardstraal Lemmer betoogt voorts dat voor zover moet worden geconcludeerd dat een overtreding van het bepaalde in artikel 7.5, derde lid, van het Arbobesluit heeft plaatsgevonden, de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister geen aanleiding heeft behoeven te zien de boete te matigen. De rechtbank heeft onvoldoende waarde gehecht aan de specifiek getroffen veiligheidsmaatregelen, aan de gegeven werkvoorschriften en de voorgeschreven veiligheidsprocedures, aldus Hardstraal Lemmer.

2.3.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen bevat artikel 7.5, derde lid, gelezen in verbinding met het tweede lid, van het Arbobesluit niet opzet of schuld als bestanddeel. Derhalve staat de overtreding vast indien aan de materiële voorwaarden van dat artikel is voldaan. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen enkel verwijt valt te maken, zal hij dit aannemelijk moeten maken.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op grond van de verklaringen van het [slachtoffer] en [directeur], in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk is dat de straalinstallatie niet was uitgeschakeld op het moment dat hieraan werkzaamheden werden verricht. De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat het mogelijk is om het arbeidsmiddel, althans het gedeelte van de machine waarmee de profielen werden gestraald, gedurende het rechtleggen van de profielen uit te schakelen. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hiermee artikel 7.5, derde lid, van het Arbobesluit is overtreden. Het betoog van Hardstraal Lemmer dat zij alle maatregelen en voorzieningen heeft getroffen die wettelijk zijn vereist om een ongeval te voorkomen en om te voorkomen dat productiewerkzaamheden worden verricht aan een arbeidsmiddel, terwijl dit niet is uitgeschakeld en dat zij daarom het bepaalde in artikel 7.5, derde lid, van het Arbobesluit niet heeft overtreden, faalt. Hardstraal Lemmer heeft in dit verband, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk is om het arbeidsmiddel uit te schakelen en drukloos of spanningsloos te maken, alvorens het profiel recht te leggen.

De minister was derhalve bevoegd een boete op te leggen wegens overtreding van het bepaalde in artikel 7.5, derde lid, van het Arbobesluit.

2.3.2. Bij de beantwoording van de vraag of aanleiding bestaat de opgelegde boete te matigen, dient volgens het vierde lid, aanhef en onder a, van beleidsregel 33 allereerst te worden beoordeeld of Hardstraal Lemmer heeft aangetoond dat zij de risico’s van de werkzaamheden waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan, voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de minister geen aanleiding heeft behoeven te zien om de boete te matigen. Hardstraal Lemmer heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de risico’s van de door het slachtoffer ten tijde van het ongeval verrichte werkzaamheden met de straalinstallatie heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat noch uit de door Hardstraal Lemmer overgelegde risico-evaluatie en werkinstructies noch uit de door haar overgelegde veiligheidsvoorschriften van de fabrikant van een zodanige inventarisatie blijkt. Hierbij is van belang dat het, naar ook ter zitting bij de Afdeling is gebleken, niet ongebruikelijk is dat productiewerkzaamheden bestaande uit het rechtleggen van een profiel worden verricht, waarbij een werknemer de straalinstallatie dient te betreden. Van Hardstraal Lemmer mocht dan ook worden verwacht dat zij de met het betreden van het arbeidsmiddel gepaard gaande risico's zou inventariseren, waaronder het betreden van het arbeidsmiddel zonder gebruikmaking van het daarvoor bestemde toegangsluik. Het betoog ter zitting bij de Afdeling dat het slachtoffer roekeloos heeft gehandeld door het arbeidsmiddel niet via het daarvoor bestemde toegangsluik te betreden, slaagt niet. Hierbij is van belang dat het slachtoffer heeft verklaard dat het niet ongebruikelijk is dat profielen verschuiven in de straalinstallatie en dat het gebruikelijk is om de installatie via het rubbergordijn te betreden, teneinde de profielen recht te leggen.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Grimbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Grimbergen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

581.