Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201004783/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2010:BM0073, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college aan Stichting Woonwaard Noord-Kennemerland vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen van een jeugdcentrum in een opvanghuis voor ex-gedetineerden op het perceel Herenweg 158 te Alkmaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/1709
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201004783/1/H1.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 april 2010 in zaken nrs. 09/319, 09/344 en 09/345 in het geding tussen onder meer:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college aan Stichting Woonwaard Noord-Kennemerland vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het veranderen van een jeugdcentrum in een opvanghuis voor ex-gedetineerden op het perceel Herenweg 158 te Alkmaar.

Bij besluit van 9 december 2008 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 juni 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2010, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. O.H. Minjon, advocaat te Opmeer, en het college, vertegenwoordigd door J. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Woonwaard, vertegenwoordigd door R.E. Vos, en Stichting Exodus Alkmaar (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door [directeur], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De stichting biedt tijdelijke huisvesting aan zowel ex-gedetineerden als gedetineerden teneinde hen onder begeleiding te resocialiseren in de maatschappij. Het bouwplan voorziet in de verbouwing van het pand op het perceel om dit gebruik mogelijk te maken.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit op bezwaar van 9 december 2008 op onzorgvuldige wijze is voorbereid. Daartoe voeren zij aan dat er in het ontwerpbesluit en het besluit van 22 april 2008 vanuit werd gegaan dat het opvanghuis slechts bedoeld is voor ex-gedetineerden en dat eerst bij het besluit op bezwaar duidelijk is gemaakt dat daar ook gedetineerden zullen worden opgevangen.

2.2.1. Daargelaten in hoeverre het relevant is dat naast ex-gedetineerden ook gedetineerden in de laatste fase van hun detentie in het pand zullen worden gehuisvest, kan uit de ter zitting door de directeur van de stichting gegeven toelichting worden afgeleid dat de opvang van dergelijke gedetineerden vanaf het begin is beoogd en dat omwonenden hiervan op de hoogte waren. Dit wordt voorts bevestigd door de stukken. Zo wordt hier in het bezwaarschrift van [appellanten] uitdrukkelijk melding van gemaakt. Gelet hierop, bestaat geen grond voor het oordeel dat omwonenden door de gevolgde handelwijze in hun belangen zijn geschaad. Reeds hierom heeft de rechtbank in het betoog van [appellanten] terecht geen aanleiding gezien voor vernietiging van het besluit op bezwaar van 9 december 2008.

Het betoog faalt.

2.3. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Recreatiegebied Hoornsevaart", onder meer omdat op het perceel de bestemming "Bijzondere doeleinden" rust en het beoogde gebruik van het pand ingevolge die bestemming niet is toegestaan. Teneinde voor het bouwplan niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend.

2.4. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover hier van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.5. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling heeft kunnen verlenen. Hiertoe voeren zij aan dat met het bouwplan een ingrijpende wijziging van het bestaande gebruik van het pand mogelijk wordt gemaakt. Volgens hen had het derhalve op de weg van het college gelegen om krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

2.5.1. De stelling dat het bouwplan een ingrijpende wijziging van het bestaande gebruik van het pand mogelijk maakt, staat er niet aan in de weg dat met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling wordt verleend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 november 2008 in zaak nr. 200801327/1) moet uit de tekst van artikel 19, eerste lid, van de WRO en uit de Nota van Wijziging (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 311, nr. 7, blz. 12) worden afgeleid dat indien op grond van artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, geen vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van die wet kan worden verleend. Ook indien het project een ingrijpende inbreuk maakt op het geldende planologische regime, wat daarvan zij, kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juli 2007 in zaak nr. 200606490/1), toepassing worden gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO. De vergelijking met de door [appellanten] in verband met hun betoog aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 17 december 2003 in zaak nr. 200302074/1 (www.raadvanstate.nl) gaat voorts niet op, reeds omdat de zaak die heeft geleid tot deze uitspraak betrekking heeft op een andere rechtsvraag, namelijk of is voorzien in het vereiste planologische kader voor het volgen van de inmiddels niet meer geldende anticipatieprocedure.

Het betoog faalt.

2.6. [appellanten] betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval dienen te worden gesteld. Hiertoe voeren zij aan dat het bouwplan een zware inbreuk maakt op het geldende planologische regime.

2.6.1. Uit de ruimtelijke onderbouwing, neergelegd in de notitie "Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de vestiging van de Stichting Exodus op het perceel Herenweg 158" van BRT Architecten, blijkt dat het uiterlijk van het gebouw nagenoeg niet verandert ten opzichte van het bestaande gebouw en het geldende planologische regime. Ook op het terrein rondom het gebouw vinden weinig veranderingen plaats. Onder die omstandigheden, heeft de rechtbank in het enkele feit dat het bouwplan de opvang van gedetineerden en ex-gedetineerden mogelijk maakt terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de inbreuk die het bouwplan op het bestemmingsplan maakt zo groot is dat strengere eisen moeten worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing dan die waaraan zij voldoet. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat het gevoel van onveiligheid van omwonenden in dit verband geen rol speelt. Dit aspect dient aan de orde te komen bij de beoordeling van de vraag of een deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

2.7. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden omdat het bouwplan hun leefomgeving en woongenot onaanvaardbaar aantast. Hiertoe voeren zij aan dat het bouwplan inbreuk maakt op hun gevoel van veiligheid en niet past binnen het karakter van het gebied.

2.7.1. [appellanten] wonen in de nabijheid van het perceel. Derhalve valt niet uit te sluiten dat hun leefomgeving ten gevolge van het bouwplan wordt beïnvloed. De rechtbank heeft evenwel terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet zodanige inbreuk maakt op hun belangen dat de gevraagde vrijstelling hierom geweigerd moest worden. Hierbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat de ervaringen met vestiging van opvanghuizen van de stichting elders in het land positief zijn en dat met betrekking tot de huidige vestigingen in Alkmaar Noord de door [appellanten] gevreesde veiligheidsproblemen zich nimmer hebben voorgedaan. Ter zitting heeft de directeur van de stichting in dit verband toegelicht dat gedetineerden slechts in de laatste fase van hun detentie voor huisvesting in aanmerking komen en dat gedetineerden aan strengere toelatingseisen moeten voldoen dan personen die reeds uit detentie zijn ontslagen. Volgens de directeur ligt de verantwoordelijkheid voor de beoordeling bij onder meer het Openbaar Ministerie, de rechter en de directeuren in het gevangeniswezen. Voorts heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat pand niet geschikt is voor bewoning door zedendelinquenten, verslaafden en TBS-ers, dat de bewoners een dagbesteding zullen hebben en dat zij zich dienen te onderwerpen aan strikte huisregels. Tot slot heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat de stichting onder meer een calamiteitenprocedure en een vrijhedenbeleid heeft vastgesteld. Daarbij komt dat het bouwplan voorziet in het aanbrengen van een toegangssysteem door middel van pasjes en het aanbrengen van beveiligingscamera's, in verband waarmee het college zich, anders dan [appellanten] betogen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoende fysieke maatregelen omvat om de veiligheid te waarborgen. Uit de stukken is gebleken dat het college aanpassingen zal verrichten aan het openbaar groen en de straatverlichting bij het fietstunneltje naast het perceel. Gelet hierop en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aard en het karakter van het beoogde gebruik van het pand, heeft het college zich eveneens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat voor de vrees van [appellanten] dat het bouwplan zal leiden tot een toename van criminele activiteiten daar ter plaatse.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Roessel

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

457-593.