Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3708

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201005192/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Steenbergen-Zuid, 2e herziening: Wipstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2011/74 met annotatie van P.M.J. de Haan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005192/1/R3.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Steenbergen,

en

de raad van de gemeente Steenbergen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Steenbergen-Zuid, 2e herziening: Wipstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2010, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. P.J. Dudok, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Met het plan wordt beoogd de gebruiks- en bouwmogelijkheden van het perceel aan de Wipstraat 4 te Steenbergen te verruimen. Hiertoe wordt een deel van reeds bestaande bestemmingen "Verkeersdoeleinden" en "Groenvoorzieningen" gehandhaafd en worden de bestemming "Gemengde doeleinden", de dubbelbestemming "Archeologische waarden" en de dubbelstemming "Groenvoorziening, tevens ontsluiting" aan de bestemming "Groenvoorzieningen", toegevoegd. Verder worden de bouwmogelijkheden verruimd.

2.2. [appellant] komt in beroep tegen het gehele plan en voert daartoe aan dat hij vreest dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast vanwege onaanvaardbare geluidshinder. Ten onrechte is volgens [appellant] de indicatieve afstand zoals genoemd in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" (Vereniging Nederlandse Gemeeenten, 2009, hierna: VNG-brochure) van 30 m die voor een kinderopvang geldt niet in acht genomen. Daartoe stelt hij dat de raad ten onrechte heeft betoogd dat sprake is van een legale bestaande situatie. Volgens [appellant] is een kinderopvang een commerciële activiteit en kan het gebruik als zodanig om die reden niet onder de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" vallen. Voorts stelt [appellant] dat het plan, ondanks dat de parkeerbehoefte door de uitbreidingsmogelijkheden met 49 parkeerplaatsen zal toenemen, ten onrechte niet in voldoende parkeerplaatsen voorziet. Ten onrechte is er geen voorschrift opgenomen aan welke parkeernorm voldaan moet worden, aldus [appellant].

2.3. De raad stelt zich op het standpunt dat een kinderopvang volgens de doeleindenomschrijving onder de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" geschaard kan worden. Uit de plantoelichting komt naar voren dat de richtafstand van 30 m voor een kinderopvang in de huidige situatie niet wordt aangehouden, omdat er sprake is van een reeds bestaande legale situatie. Er verandert in dat opzicht niets. In het vorige bestemmingsplan konden tot 2,5 m van de perceelsgrens gebouwen worden opgericht met een goot- en nokhoogte van 3 onderscheidenlijk 5 meter en tot een totaaloppervlak van 100 m². In de nieuwe situatie wordt de minimumafstand tot de perceelsgrens 5 m. De belangenafweging inhoudende dat het algemeen belang van een kinderopvang zwaarder weegt dan het individuele belang van [appellant] is reeds bij het vorige bestemmingsplan gemaakt, zodat terecht naar die situatie is verwezen. Gezien de bestaande situatie van een kinderopvang in een gemengd gebied met allerlei maatschappelijke functies acht de raad een afwijking van de VNG-brochure gerechtvaardigd.

Ten aanzien van de parkeerplaatsen betoogt de raad dat de parkeerbehoefte is berekend volgens de aanbevelingen van het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte CROW en dat hieruit is voortgekomen dat 49 parkeerplaatsen benodigd zijn. Deze parkeerplaatsen dienen gerealiseerd te worden op het eigen terrein. Aangezien het perceel voor maximaal 50% bebouwd mag worden staat niets daaraan aan de weg. Verder is ook in de bouwverordening, waaraan een omgevingsvergunning voor bouwen getoetst moet worden, bepaald dat op eigen terrein geparkeerd dient te worden. Het opnemen van een parkeernorm is volgens de raad niet vereist. Aangetoond dient te worden dat het plan geen onaanvaardbare verkeers- dan wel parkeeroverlast met zich brengt. Hieraan is volgens de raad voldaan.

2.4. Niet in geschil is dat bij een volledige benutting van de bebouwingsmogelijkheden die het plan biedt 49 extra parkeerplaatsen benodigd zijn opdat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare parkeerhinder. Gelet op het feit dat het perceel voor 50% mag worden bebouwd, resteert op het perceel voldoende ruimte om te voorzien in de aanleg van de benodigde parkeerplaatsen. Voorts is niet in geschil dat ten behoeve van de bij het plan voorziene uitbreidingen een omgevingsvergunning voor bouwen nodig is. Nu, zoals de raad heeft aangegeven, op grond van de bouwverordening van de gemeente Steenbergen bij de vergunningverlening voor bouwplannen moet worden getoetst of gebouwen in hun eigen parkeerbehoefte kunnen voorzien, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarmee de voorziening in de parkeerbehoefte afdoende was verzekerd en dat gelet hierop een aparte regeling in het plan niet nodig was.

2.5. Niet in geschil is dat de ter plaats aanwezige kinderopvang onder het vorige bestemmingsplan "Steenbergen-Zuid", vastgesteld op 30 mei 2002, is gerealiseerd. In dat bestemmingsplan rustte op die gronden de bestemming "Maatschappelijk doeleinden".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de voorschriften van dat bestemmingsplan zijn die gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, maar geen buurt- of clubhuizen en daarmee vergelijkbare voorzieningen.

Volgens de begripsbepalingen van dat bestemmingsplan worden onder maatschappelijke voorzieningen verstaan (overheids)voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, cultuur, religie, sport, onderwijs en daarmee gelijk te stellen sectoren.

Een kinderopvang kan onder een dergelijke voorziening worden begrepen, zodat sprake was van een legale situatie. Dat sprake is van een commerciële instelling speelt geen doorslaggevende rol, nu de aard van de ter plaatse uitgeoefende functie bepalend is, mede gelet op de haakjes die om het woord "overheid" zijn geplaatst in de begripsbepaling.

Een en ander laat onverlet dat de raad bij de vraag of ter plaatse sprake zal zijn van een aanvaardbare ruimtelijke situatie, alle aspecten in ogenschouw diende te nemen.

Voor zover de raad in dit verband heeft willen betogen dat de aan te houden richtafstand van de VNG-brochure verlaagd kan worden van 30 naar 10 m merkt de Afdeling op dat ook die afstand niet wordt gehaald. Verder zijn de bebouwingsmogelijkheden van het perceel op grond van het voorliggende plan van een geheel andere orde dan het voorgaande bestemmingsplan. In het voorgaande bestemmingsplan was voorzien in een relatief beperkt bouwvlak op 10 m uit de perceelsgrens, waarbij gelet op de planbepalingen een bijgebouw van 100 m² met een goot- en nokhoogte van 3 onderscheidenlijk 5 m op 2,5 m uit de perceelsgrens mocht worden opgericht. In voorliggend plan is voorzien in een bouwvlak dat het overgrote deel van het perceel beslaat dat voor 50% bebouwd mag worden. Bezien in samenhang met de planregels maakt dat een bebouwing mogelijk op 5 m uit de zijdelingse perceelsgrens maar langs de volle breedte van ongeveer 55 m van de naar [appellant] toegekeerde zijkant van het perceel, met een goot- en bouwhoogte van 6 onderscheidenlijk 10 m. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad de afwijking van de VNG-brochure onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Steenbergen van 25 februari 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Steenbergen-Zuid, 2e herziening: Wipstraat";

III. veroordeelt de raad van de gemeente Steenbergen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Steenbergen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

45-661.