Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3703

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201001537/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201001537/1/R3.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Dinkelland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, per faxbericht bij de Raad van State ingekomen op 11 februari 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 11 maart 2010.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.W. Knoop, advocaat te Zwolle, en de raad, vertegenwoordigd door J.M.A. Engelbertink en G.J. Brunnekreef, beide werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een planologische regeling voor de bedrijfsactiviteiten van [appellant] op het perceel [locatie] te Weerselo.

2.2. [appellant] richt zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden", dat ziet op zijn gronden aan de zuidwestelijke zijde van de Beekdorpweg bij de kruising met de Bornsestraat, en tegen het persoonsgebonden overgangsrecht dat betrekking heeft op de bedrijfsactiviteiten die hij ter plaatse uitoefent. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de gronden vanaf begin jaren '70 gebruikt worden voor zijn bedrijfsactiviteiten en dat deze ten onrechte nooit als zodanig zijn bestemd. In dit verband wijst hij erop dat de bedrijfsactiviteiten in het vorige bestemmingsplan onder het overgangsrecht vielen en dat bij Koninklijk Besluit van 20 augustus 1992, nr. 92.007407, is geoordeeld dat het bestaande gebruik als zodanig moet worden bestemd. Voorts wijst [appellant] erop dat in 2003 een bouwvergunning is verleend voor het oprichten van keerwanden ten behoeve van zijn bedrijfsactiviteiten. Verder voert [appellant] aan dat hij inmiddels grote investeringen in zijn bedrijf ter plaatse heeft gedaan.

2.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het uit ruimtelijk oogpunt niet gewenst is dat het niet-agrarische bedrijf van [appellant] onverkort in de toekomst wordt gehandhaafd. Het plan is er mede op gericht de zand- en grindhandel op termijn te beëindigen. Met toepassing van een persoonsgebonden overgangsrecht wordt volgens de raad in voldoende mate rekening gehouden met de belangen van [appellant]. Bovendien maakt het plangebied onderdeel uit van het Nationaal Landschap Noordoost Twente.

2.4. Uit de stukken blijkt dat [appellant] bedoelde gronden sedert begin jaren '70 van de vorige eeuw voor bedoelde bedrijfsactiviteiten in gebruik heeft. Ten tijde van de vaststelling van het voorliggende plan gold het bestemmingsplan "Buitengebied" dat de raad van de voormalige gemeente Weerselo op 2 oktober 1971 heeft vastgesteld en dat op 19 december 1972 gedeeltelijk is goedgekeurd. Dat plan is in verband met het Koninklijk Besluit van 21 november 1979, no. 18, sedertdien van kracht. In dat plan zijn de gronden bestemd voor agrarische doeleinden. De bedrijfsactiviteiten die [appellant] op de gronden uitoefent, vallen onder de bescherming van het overgangsrecht in dat plan.

2.4.1. Op 22 augustus 1989 heeft de raad van de voormalige gemeente Weerselo een nieuw bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld dat op 17 april 1990 gedeeltelijk is goedgekeurd. Ook in dat plan hebben de gronden een agrarische bestemming gekregen. In het hierop betrekking hebbende Koninklijke Besluit van 20 augustus 1992, nr. 92.007407, heeft de Kroon naar aanleiding van het beroep van [appellant] tot uitdrukking gebracht dat er aanleiding bestaat voor een bestemmingsregeling die aansluit bij het bestaande gebruik. In verband hiermede heeft de Kroon alsnog goedkeuring onthouden aan onder meer het desbetreffende plandeel.

2.4.2. In het voorliggende plan zijn de desbetreffende gronden bestemd voor "Agrarische doeleinden". Ingevolge het overgangsrecht in artikel 12, vierde lid, van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Deze regel is ingevolge het zevende lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan. Ingevolge het achtste lid is lid 7 niet van toepassing voor zover het de gronden betreft met de bestemming "Agrarische doeleinden". Op deze gronden is ingevolge het achtste lid een persoonsgebonden overgangsrecht van toepassing dat alleen bedoeld is voor de eigenaren [appellant] en [belanghebbende]. Conform dit persoonsgebonden overgangsrecht is op bedoelde gronden de groothandel en opslag van zand-, grind- en turfmaterialen toegestaan. Tevens is ingevolge het achtste lid ter plaatse van de desbetreffende aanduiding de stalling en het gebruik van containers tot een bepaalde hoogte toegestaan.

2.4.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht in artikel 12, achtste lid, van de planregels met de belangen van [appellant] in voldoende mate rekening is gehouden. Gelet op genoemd Koninklijk Besluit van 20 augustus 1992 en de op 15 april 2003 door het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland onder gelijktijdige verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de wet op de Ruimtelijke Ordening verleende vergunning voor de bouw van keerwanden, had de raad doorslaggevende betekenis moeten toekennen aan het belang van [appellant] bij een bestemming als zodanig van de door hem ter plaatse uitgeoefende bedrijfsactiviteiten. Hierbij heeft de Afdeling betrokken dat [appellant] onweersproken heeft gesteld dat hij aanzienlijke investeringen in zijn bedrijf heeft gedaan. Daar komt bij dat het desbetreffende plandeel weliswaar onderdeel uitmaakt van het Nationaal Landschap Noordoost Twente, doch volgens de realisatieparagraaf van de Nota Ruimte bieden nationale landschappen ruimte voor de aanwezige regionale en lokale bedrijvigheid, zoals het bedrijf van [appellant] dat ook naar de mening van de raad slechts een bescheiden omvang heeft.

2.5. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het desbetreffende plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening te worden vernietigd.

2.6. De Afdeling ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht en de raad op te dragen binnen een jaar een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor de desbetreffende gronden.

2.7. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dinkelland van 15 december 2009 wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden";

III. draagt de raad van de gemeente Dinkelland op om binnen een jaar na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan voor de gronden waarop het plandeel, genoemd onder II, ziet, te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Dinkelland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Dinkelland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

177-662.