Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3685

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201005805/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] bouwvergunning te verlenen voor het legaliseren van een stacaravan op het perceel [locatie] te Wijdewormer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/3711
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201005805/1/H1.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 mei 2010 in zaak nr. 09/6023 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wormerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2009 heeft het college geweigerd aan [appellant] bouwvergunning te verlenen voor het legaliseren van een stacaravan op het perceel [locatie] te Wijdewormer.

Bij besluit van 11 juni 2009 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de stacaravan binnen 6 weken na dagtekening van de lastgeving van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden, waarbij ook het gebruik voor bewoning onmiddellijk gestaakt dient te worden.

Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het college het door [appellant] tegen de besluiten van 8 juni 2009 en 11 juni 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2010, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2011, waar [appellant], vergezeld van zijn [broer], en het college, vertegenwoordigd door mr. C. Ekel en E. Kluijskens, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] heeft de stacaravan in 2006 op het perceel geplaatst ter vervanging van een oude toercaravan, die sinds 1986 op het perceel aanwezig was. Gedurende enige tijd hebben zowel de toercaravan als de stacaravan op het perceel gestaan. Bij brief van 27 november 2006 heeft het college een vooraankondiging van zijn voornemen tot handhavend optreden ter zake van de toercaravan en de stacaravan gedaan, omdat deze naar het oordeel van het college illegaal waren gebouwd. Vervolgens heeft [appellant] de toercaravan van het perceel verwijderd. Bovendien heeft hij op 13 december 2006 een bouwvergunning voor de stacaravan aangevraagd.

Bouwvergunning

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat ingevolge artikel 46, vierde lid, van de Woningwet van rechtswege bouwvergunning is verleend.

2.2.1. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet beslist het college omtrent een aanvraag om reguliere bouwvergunning binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, is het eerste lid niet van toepassing, indien de aanvraag betrekking heeft op een bouwwerk voor het bouwen waarvan slechts bouwvergunning kan worden verleend, nadat vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Ingevolge het vierde lid, is de bouwvergunning van rechtswege verleend indien het college niet voldoet aan het eerste lid.

2.2.2. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat ten tijde van de aanvraag om bouwvergunning het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1974, partiële herziening 1984" gold en dat ten tijde van de besluitvorming het bestemmingsplan "Landelijk gebied Wormerveer" in werking was getreden. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank in dit verband ten onrechte is voorbij gegaan aan het feit dat de Afdeling in de uitspraak van 5 november 2008 in zaak nr. 200707760/1 met betrekking tot laatstgenoemd bestemmingsplan goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden", faalt dit betoog, reeds omdat de onthouding van goedkeuring geen betrekking heeft op het gedeelte van het perceel waarop de stacaravan is geplaatst. Omdat op het bewuste perceelsgedeelte ingevolge beide genoemde bestemmingsplannen geen gebouwen mogen worden gebouwd, maar slechts andere bouwwerken ten behoeve van de agrarische bestemming, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de stacaravan in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming in zowel het voorheen geldende bestemmingsplan als het thans vigerende bestemmingsplan.

2.2.3. De bouwvergunning kan derhalve, anders dan [appellant] betoogt, slechts worden verleend nadat vrijstelling is verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Woningwet, heeft de rechtbank dan ook terecht geoordeeld dat de bouwvergunning niet van rechtswege is verleend.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college met betrekking tot de aanvraag om bouwvergunning te verlenen ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het in artikel 18, eerste lid, van de voorschriften van het toentertijd geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 1974, partiële herziening 1984" neergelegde overgangsrecht. Hiertoe voert hij aan dat de oude toercaravan teniet is gegaan als gevolg van een calamiteit.

2.3.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder 1.2., van de planvoorschriften van dat plan, voor zover hier van belang, mag een van het plan afwijkende bebouwing, die ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan aanwezig was, geheel worden vernieuwd, mits de bestaande afwijking van het plan niet wordt vergroot, indien de bebouwing ten gevolge van een calamiteit is vernield.

2.3.2. Vast staat dat een oude toercaravan van het perceel is verwijderd en vervangen door een stacaravan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de stacaravan een oppervlakte heeft die ruim 50 % meer bedraagt dan die van de toercaravan en niet op dezelfde plaats staat, zodat de bestaande afwijking van het plan is vergroot. Bovendien is ter zitting gebleken dat de oude toercaravan tegen het einde van 1986 is geplaatst, terwijl het ontwerpbestemmingsplan reeds in 1984 ter inzage is gelegd. Gelet hierop, heeft de rechtbank, daargelaten de vraag of de oude toercaravan als gevolg van een calamiteit teniet is gegaan, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college met betrekking tot de aanvraag om bouwvergunning te verlenen ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het overgangsrecht.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zijn besluit van 5 februari 2008 tot weigering vrijstelling te verlenen van het ten tijde van de aanvraag om bouwvergunning geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 1974, partiële herziening 1984" nooit op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. Volgens [appellant] is hij door de handelwijze van het college in zijn processuele belangen geschaad, nu hem de mogelijkheid is onthouden tegen dit besluit rechtsmiddelen aan te wenden.

2.4.1. In de enkele omstandigheid dat het besluit van 5 februari 2008 door het college nooit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, wat hier ook van zij, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor vernietiging van het besluit op bezwaar van 27 oktober 2009. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de rechtbank de overwegingen die door het college aan het besluit van 5 februari 2008 ten grondslag zijn gelegd heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of het college zijn weigering om voor de stacaravan vrijstelling te verlenen bij het besluit van 27 oktober 2009 in redelijkheid heeft kunnen handhaven, waarbij hetgeen door [appellant] hierover is aangevoerd in aanmerking is genomen. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat [appellant] in zijn processuele belangen is geschaad.

Het betoog faalt.

Handhaving

2.5. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet is het verboden een bouwwerk, standplaats of een deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning in stand te laten, tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

2.6. De stacaravan is in strijd met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet opgericht en wordt in strijd met artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van die wet in stand gelaten. Het college was derhalve bevoegd ter zake handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat ter zake van de stacaravan concreet zicht op legalisatie bestaat. Hiertoe voert hij aan dat de Afdeling in eerder genoemde uitspraak van 5 november 2008 goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en dat het bestemmingsplan "Landelijk gebied Wormerland" derhalve herzien dient te worden.

2.7.1. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat ter zake van de stacaravan geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, doet hieraan niet af. Zoals hiervoor in 2.2.2. is overwogen, heeft de onthouding van goedkeuring geen betrekking op het gedeelte van het perceel waarop de stacaravan is geplaatst. Het bestemmingsplan "Landelijk gebied Wormerland" is met de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2008 in zoverre dan ook onherroepelijk geworden.

Het betoog faalt.

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Hiertoe voert hij aan dat hij door het handhavend optreden financiële schade lijdt.

2.8.1. De gevolgen van het bouwen van de stacaravan zonder de daartoe vereiste bouwvergunning dient voor rekening en risico van [appellant] te blijven. De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

Het betoog faalt.

2.9. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich in dit geval anderszins bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Hiertoe voert hij aan dat het college in rechtens vergelijkbare gevallen niet handhavend optreedt. Voorts voert hij aan dat het college gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat niet handhavend zal worden opgetreden.

2.9.1. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door het college in rechtens vergelijkbare gevallen niet handhavend wordt opgetreden. De schuur op het perceel Noorderweg 114 is, anders dan de stacaravan, als zodanig bestemd in het bestemmingsplan "Landelijk gebied Wormerland". Bovendien is in dit bestemmingsplan aan het perceel Zuiderweg 61a , anders dan aan het perceelsgedeelte waarop de stacaravan is geplaatst, een bouwvlak toegekend.

De enkele stelling van [appellant] dat hij sinds 1970 in Wijdewormer woonachtig is en jegens hem nooit eerder handhavend is opgetreden, brengt, wat hier ook van zij, niet mee dat tegen de stacaravan niet handhavend zou kunnen worden opgetreden. In de brief van 27 november 2006, waarin het voornemen tot handhavend optreden is neergelegd, staat voorts slechts in algemene termen vermeld dat er een mogelijkheid bestaat de stacaravan door verlening van bouwvergunning te legaliseren. [appellant] heeft derhalve evenmin aannemelijk gemaakt dat in dit geval door of namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan waaraan hij het rechtens te honoreren vertrouwen mocht ontlenen dat tegen de stacaravan niet handhavend zou worden opgetreden.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat zich in dit geval anderszins bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien.

Het betoog faalt.

2.10. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aan het besluit van 11 juni 2009 verbonden begunstigingstermijn te kort was om aan de lastgeving te voldoen. Hiertoe voert hij dat de gestelde termijn in geen verhouding staat tot de tijd die het college nodig heeft gehad om een besluit te nemen op zijn aanvraag om bouwvergunning.

2.10.1. Het betoog faalt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk was om binnen de gestelde termijn van 6 weken aan de lastgeving te voldoen. Dat het college meer tijd nodig heeft gehad om op de aanvraag om bouwvergunning te beslissen, is in dit verband niet van belang.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

179-357-593.