Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201001598/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college geweigerd [wederpartij] vergunning te verlenen voor het aanleggen van een tweede uitweg van het perceel [locatie] naar de Eikstraat te Nieuw Bergen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201001598/1/H3.

Datum uitspraak: 9 februari 2011.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Bergen, Limburg,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 januari 2010 in zaak nr. 09/1149 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2009 heeft het college geweigerd [wederpartij] vergunning te verlenen voor het aanleggen van een tweede uitweg van het perceel [locatie] naar de Eikstraat te Nieuw Bergen.

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 23 juni 2009 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2010, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.N.J. Kerkhoff, werkzaam bij de gemeente Bergen, en [wederpartij], bijgestaan door mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te 's-Hertogenbosch, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 201001598/1/T1/H3 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen vier weken na de verzending van die tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 23 juni 2009 te herstellen.

Bij besluit van 2 november 2010 heeft het college ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] beslist en hem verboden de gewenste tweede uitweg aan te leggen.

Bij brief van 6 december 2010, aangevuld bij brief van 14 december 2010, heeft [wederpartij] een zienswijze ingediend over het besluit van 2 november 2010.

Bij brief van 8 december 2010 heeft de Afdeling nadere informatie opgevraagd bij het college. Bij brief van 13 december 2010 heeft het college deze informatie overgelegd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gelezen in verbinding met artikel 49, eerste en zesde lid, van de Wet op de Raad van State, is afgezien van een tweede onderzoek ter zitting.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 20 oktober 2010 overwogen dat het college bij het besluit van 23 juni 2009 ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 2.1.5.3 van de APV, zoals deze bepaling luidt sinds 12 maart 2009. Voor de motivering van dat oordeel wordt verwezen naar de tussenuitspraak. Hetgeen het college heeft aangevoerd tegen de uitspraak van de rechtbank dat betrekking heeft op de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.1.5.3 (oud), derde lid, van de APV kan reeds daarom niet tot het gewenste resultaat leiden.

Gelet op het overwogene in de tussenuitspraak heeft het college evenwel terecht aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het bezwaar had moeten toetsen aan artikel 2.1.5.3 van de APV, zoals deze bepaling luidt sinds 12 maart 2009. De Afdeling ziet hierin echter geen aanleiding om tot vernietiging van de aangevallen uitspaak over te gaan, nu de rechtbank, zij het op onjuiste gronden, het besluit van 23 juni 2009 terecht heeft vernietigd.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.3. Bij het besluit van 2 november 2010 heeft het college, zoals opgedragen in de tussenuitspraak, de aanvraag van [wederpartij] om een tweede uitweg gelezen in verbinding met zijn bezwaar tegen het besluit van 13 januari 2009 aangemerkt als een melding als bedoeld in artikel 2.1.5.3 van de APV zoals deze bepaling luidt sinds 12 maart 2009, en het bezwaar van [wederpartij] beoordeeld op grond van die bepaling.

Dit besluit wordt, gelet op de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.4. In het besluit van 2 november 2010 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het op grond van artikel 2.1.5.3, tweede lid, aanhef en onder d, van de APV is gehouden de aanleg van de door [wederpartij] beoogde tweede uitweg te verbieden, omdat deze ten koste zal gaan van het openbaar groen. Ter ondersteuning van zijn stelling dat het groen openbaar is, wijst het college op het bestemmingsplan "Woongebied Bergse Heide" en op het gemeentelijke groenstructuurplan.

2.5. [wederpartij] betoogt dat het college ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de beoogde tweede uitweg ten koste gaat van het openbaar groen. De beoogde uitweg zal worden aangelegd over een gedeelte van de percelen kadastraal bekend als Bergen (L) D 6476 en D 6715. Perceel D 6715 is in eigendom van de gemeente en heeft op grond van het geldende bestemmingsplan de bestemming "verkeersdoeleinden, klasse IV fiets- en/of voetpaden", zodat het volgens [wederpartij] niet mogelijk is het bewuste gedeelte van dat perceel in het gemeentelijk groenstructuurplan aan te wijzen als "sierheesters opgaande". Daarnaast is volgens [wederpartij] ook feitelijk geen sprake van openbaar groen, nu de bewuste groenstrook bestaat uit struiken die deel uitmaken van zijn tuin en ook altijd door hem en zijn voorganger zijn onderhouden.

Ten aanzien van perceel D 6476 heeft het college in het besluit van 2 november 2010 vermeld dat dit perceel niet in het groenstructuurplan is opgenomen, omdat het geen gemeentelijk eigendom is. Volgens [wederpartij] is perceel D 6476 in dat plan echter niet juist weergegeven. Uit de kadastrale kaart van het gebied blijkt dat perceel D 6476 aanzienlijk groter is, zodat het bewuste gedeelte van perceel D 6476 daarom ten onrechte in het groenstructuurplan is aangewezen als "gazon".

2.5.1. De Afdeling heeft kennisgenomen van de plankaart behorende bij het bestemmingsplan "Woongebied Bergse Heide", van het gemeentelijke groenstructuurplan, van de kadastrale kaart en van de foto's die door beide partijen zijn overgelegd.

[wederpartij] voert terecht aan dat perceel D 6715 op grond van het uit 1993 daterende bestemmingsplan de bestemming "verkeersdoeleinden, klasse IV fiets- en/of voetpaden" heeft. Deze bestemming is evenwel niet gerealiseerd. In het uit 1997 daterende gemeentelijke groenstructuurplan is het bewuste gedeelte van perceel D 6715 aangewezen als "sierheesters opgaande". Uit de overgelegde foto's blijkt niet dat deze daadwerkelijk zijn geplant. Ter zitting bij de Afdeling heeft de gemachtigde van het college desgevraagd bevestigd dat de sierheesters niet aanwezig zijn. Nu perceel D 6715 niet de bestemming "groenvoorzieningen" heeft en het groenstructuurplan niet is uitgevoerd, kan naar het oordeel van de Afdeling ten aanzien van perceel D 6715 zonder nadere motivering niet met vrucht worden staande gehouden dat de aanleg van de beoogde tweede uitweg ten koste gaat van het openbaar groen als bedoeld in artikel 2.1.5.3, tweede lid, aanhef en onder d, van de APV.

Perceel D 6476 heeft op grond van het bestemmingsplan de bestemmingen "groenvoorzieningen" en "waterhuishoudkundige doeleinden". Een gedeelte van het deel van perceel waarop de bestemming "groenvoorzieningen" rust, is in het groenstructuurplan aangewezen als "gazon". Uit de overgelegde foto's blijkt dat dit gazon ook feitelijk is aangelegd. Hoewel [wederpartij] gelet op het voorgaande terecht aanvoert dat, anders dan het college in het besluit van 2 november 2010 heeft vermeld, perceel D 6476 deels wel is meegenomen in het groenstructuurplan, kan dit niet tot het door hem beoogde resultaat leiden. De enkele omstandigheid dat het perceel niet in eigendom is van de gemeente, maakt niet dat hieraan in het bestemmingsplan niet de bestemming "groenvoorzieningen" kan worden toegekend. Nu perceel D 6476 de bestemming "groenvoorzieningen" heeft en deze bestemming ook is gerealiseerd, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanleg van de beoogde tweede uitweg ten koste zal gaan van het openbaar groen als bedoeld in artikel 2.1.5.3, tweede lid, aanhef en onder d, van de APV. Aangezien die bepaling het college dwingend voorschrijft de aanleg van een tweede uitweg in dat geval te verbieden, en die bepaling derhalve geen ruimte laat voor een nadere belangenafweging, heeft het college de aanleg van de beoogde tweede uitweg terecht verboden.

Het betoog faalt.

2.6. [wederpartij] betoogt voorts dat het college hem ongelijk behandelt. Ter ondersteuning van deze stelling heeft hij een besluit van 6 september 2010 overgelegd waarbij het college aan de eigenaar van het perceel Lindenlaan 31a te Bergen heeft medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de aanleg van een uitrit. Volgens [wederpartij] betreft dit eveneens een tweede uitweg die ten koste gaat van het openbaar groen.

2.6.1. Het perceel Lindenlaan 31a is opgenomen in het bestemmingsplan "Kom Nieuw-Bergen 1986". Uit de plankaart behorende bij dat bestemmingsplan blijkt dat één van de percelen waarover de in het besluit van 6 september 2010 bedoelde uitweg is gesitueerd de bestemming "openbaar groen" heeft. Naar het oordeel van de Afdeling is deze situatie vergelijkbaar met die van [wederpartij], waar de beoogde tweede uitweg eveneens over een perceel is gesitueerd met de bestemming openbaar groen. Dit laat echter onverlet dat, zoals overwogen onder 2.8.1, artikel 2.1.5.3, tweede lid, aanhef en onder d, van de APV in de weg staat aan de aanleg van de beoogde tweede uitweg. Dat het college ten aanzien van het perceel Lindenlaan 31a wellicht een onjuist besluit heeft genomen, leidt er niet toe dat het gehouden is in strijd met deze bepaling de door [wederpartij] beoogde tweede uitweg toe te staan.

2.7. Het beroep tegen het besluit van 2 november 2010 is ongegrond.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten, bestaande uit rechtsbijstand- en reiskosten, te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergen, Limburg, van 2 november 2010, kenmerk RO/SK/11685, ongegrond;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergen, Limburg, tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 919,05 (zegge: negenhonderdnegentien euro en vijf cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Bergen, Limburg, een griffierecht van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011.

176-611.