Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3676

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201006028/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de agrarische inrichting van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te Reusel (hierna: de inrichting) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006028/1/M2.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Reusel, gemeente Reusel-De Mierden,

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de agrarische inrichting van [vergunninghouder] op het perceel [locatie] te Reusel (hierna: de inrichting) afgewezen.

Bij besluit van 12 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2010, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 juli 2010.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaak 201006040/1/M2 ter zitting behandeld op 14 januari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door ing. A.C.M. van Riet en N.M. Ansems, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, als partij gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.6, eerste lid van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Bij besluit van 27 augustus 2002 is voor de inrichting een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend (hierna: de vergunning). Bij uitspraak van 23 april 2003, in zaak nr. 200205583/1 is dit besluit wat betreft het houden van dieren in stal G vernietigd en voor het overige onherroepelijk geworden.

Bij brief van 13 november 2009 heeft [appellant] het college om handhaving verzocht wegens overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer door het in afwijking van de vergunning in werking zijn van de inrichting.

Bij besluiten van 15 februari 2010 heeft het college twee op 12 januari 2010 ingediende meldingen als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, geaccepteerd.

2.3. Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen omdat - kort gezegd - de overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer op korte termijn zou worden opgeheven door het indienen en accepteren van de hierboven genoemde meldingen.

2.4. [appellant] voert aan dat het college heeft nagelaten een onderzoek te verrichten naar de activiteiten binnen de inrichting teneinde vast te stellen in hoeverre de vergunning werd overtreden. Verder stelt hij dat geen concreet zicht op legalisatie bestond aangezien de op 12 januari 2010 ingediende meldingen niet voldoen aan de vereisten van artikel 8.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer, en derhalve niet hadden mogen worden geaccepteerd. Daarnaast betoogt [appellant] dat de inrichting ook op andere onderdelen dan waar de meldingen betrekking op hebben, in strijd met de vergunning in werking is. Het college heeft dit ten onrechte niet onderzocht, aldus [appellant].

2.4.1. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit waren de besluiten van 15 februari 2010, waarbij de op 12 januari 2010 gemelde veranderingen van de inrichting zijn geaccepteerd, in werking. Ten aanzien van die veranderingen werd artikel 8.1 van de Wet milieubeheer derhalve niet overtreden. In zoverre heeft het college bij het bestreden besluit de afwijzing van het verzoek om handhaving terecht gehandhaafd.

2.4.2. Het college is bij het bestreden besluit er echter ten onrechte van uitgegaan dat het verzoek om handhaving alleen betrekking heeft op de veranderingen van de inrichting die door het besluit van 5 februari 2010 zijn gelegaliseerd. Het verzoek om handhaving is gebaseerd op de verandering van de inrichting waarvoor in 2008 twee meldingen zijn ingediend, die nadien buiten behandeling zijn gelaten. Niet duidelijk is of deze meldingen overeenkomen met de op 12 januari 2010 ingediende meldingen. Naar het oordeel van de Afdeling had het college, alvorens een besluit op bezwaar te nemen, moeten onderzoeken of de inrichting in overeenstemming met de vergunning en de bij besluit van 15 februari 2010 geaccepteerde meldingen in werking was. Nu het college dit heeft nagelaten is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet zorgvuldig voorbereid.

De beroepsgrond slaagt.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar moet tevens opnieuw beslist worden op het verzoek om vergoeding van proceskosten in de bezwaarprocedure.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 12 mei 2010;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.222,00 (zegge: twaalfhonderdtweeëntwintig euro), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

190-687.