Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3672

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201006404/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 augustus 2009 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: Vog) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201006404/1/H3.

Datum uitspraak: 9 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 mei 2010 in zaak nr. 10/134 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2009 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: Vog) afgewezen.

Bij besluit van 3 december 2009 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 30 augustus 2010.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2011, waar [appellant], bijgestaan door mr. D. Zeewuster, advocaat te Arnhem, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Wildemors, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: de Wjsg) is een Vog een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een Vog indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de Vog wordt gevraagd, in de weg zal staan.

2.2. Bij de beoordeling van een aanvraag om afgifte van een Vog werden door de minister ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 (Stcrt. 2008, 119; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. Aan een aanvrager die in het geheel niet in de justitiële documentatie voorkomt, wordt zonder meer een Vog afgegeven. Wanneer de aanvrager wel in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de vraag of een Vog kan worden afgegeven, beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1.1 vindt beoordeling in beginsel plaats op grond van de justitiële gegevens die in de justitiële documentatie in de vier jaren voorafgaand aan de aanvraag voorkomen. Van de terugkijktermijn van vier jaren wordt onder meer afgeweken indien het justitiële gegevens over zedendelicten, zoals opgenomen in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht, betreft. Ten aanzien van deze zedendelicten wordt de gehele justitiële documentatie van de aanvrager, zonder enige tijdsbeperking, bekeken.

Volgens paragraaf 3.1.2 wordt, voor het bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terug te kijken termijn valt, uitgegaan van de datum van uitspraak in eerste aanleg.

Volgens paragraaf 3.2 betreft het objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de Vog is aangevraagd. Dit criterium is gebaseerd op artikel 35 van de Wjsg. Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het desbetreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de betreffende functie, wordt de Vog in beginsel geweigerd. Ten aanzien van een Vog voor een functie waarbij sprake is van een afhankelijkheidsrelatie en justitiële gegevens als genoemd in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht zijn aangetroffen, geldt dat in beginsel wordt geacht aan het objectieve criterium reeds te zijn voldaan.

Volgens paragraaf 3.2.2 toetst de minister of het justitiële gegeven, op zichzelf gezien en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. Volgens die paragraaf betreft het een objectief criterium en is het derhalve niet relevant of er een reëel recidivegevaar is. Toepassing van dit criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie waarvoor de Vog wordt aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.2.4 gaat de minister onder meer uit van het bestaan van een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheid, indien de aanvrager in de twintig jaren, voorafgaand aan het moment van beoordeling, ter zake van een zedendelict eenmaal is veroordeeld tot een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat betrokkene bij het verstrekken van de Vog heeft zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de Vog afgegeven, ook als wordt voldaan aan het objectieve criterium voor weigering.

Volgens paragraaf 3.3.2 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een afwijzing. Relevante omstandigheden van het geval zijn onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

Volgens paragraaf 3.3.3 bestaat bij zedendelicten als genoemd in de artikelen 240b tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een Vog wanneer er sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie. Van het uitgangspunt kan enkel worden afgeweken indien de weigering van de Vog evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

2.3. [appellant] heeft om afgifte van een Vog verzocht ten behoeve van de functie van begeleider psychiatrische zorg bij Stichting Netwerk voor de Geestelijke Gezondheidszorg in Oost-Gelderland en Zutphen (GGNet) te Doetinchem.

2.4. De minister heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 augustus 2009 ten grondslag gelegd dat [appellant] op 24 februari 2006 wegens ontucht met misbruik van gezag en schennis van de eerbaarheid is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een werkstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Deze veroordeling is volgens de minister op 29 juni 2006 onherroepelijk geworden.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister in een brief van 18 december 2008 (lees: 26 januari 2009) van de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft kunnen lezen dat die Inspectie recidive niet uitsluit. Verder betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte, mede op grond van de kans op recidive, heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering om een Vog te verlenen niet evident disproportioneel is. Eerst indien een behoorlijk persoonlijkheidsonderzoek heeft plaatsgevonden, mag de kans op recidive aan dat standpunt ten grondslag worden gelegd, aldus [appellant].

2.5.1. Niet in geschil is dat [appellant] voldoet aan het zogenoemde objectieve criterium voor weigering van een Vog, dat zich in de functie waarvoor de Vog is aangevraagd afhankelijkheidsrelaties kunnen voordoen en dat daarom uitsluitend ter beoordeling staat of de weigering evident disproportioneel is.

2.5.2. De minister heeft het standpunt ingenomen dat de weigering van een Vog in dit geval niet evident disproportioneel is. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat [appellant] ten tijde van het plegen van de strafbare feiten reeds geruime tijd meerderjarig was en dat uit de strafoplegging valt af te leiden dat de gepleegde strafbare feiten ernstig waren. Voorts heeft hij daaraan ten grondslag gelegd dat het tijdsverloop tussen de uitspraak van de strafrechter en de datum van beoordeling, gelet op de in paragraaf 3.2.4 van de Beleidsregels vermelde termijn van twintig jaren, onvoldoende is om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen. Verder heeft de minister in aanmerking genomen dat [appellant] in de beoogde functie is belast met de zorg voor een kwetsbare groep in de samenleving, die dient te worden beschermd tegen gedragingen die lichamelijk of geestelijk letsel kunnen veroorzaken, zodat een vrij zware verantwoordelijkheid op hem rust en van hem een professionele houding en grote mate van integriteit mogen worden verwacht. Voorts volgt volgens de minister uit een brief van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van 26 januari 2009 dat die Inspectie het gevaar van recidive niet uitsluit.

2.5.3. In de brief van de Inspectie voor de Gezondheidszorg is onder meer het volgende vermeld:

"Het werk houdt momenteel in het doen van nachtdiensten. In deze situatie bent u met een of twee verpleegkundigen werkzaam. Onzerzijds is nogmaals gewezen op de wenselijkheid, de noodzaak bij het aangaan van werk in de GGZ, dit te doen in teamverband zodat ook sociale controle en intervisie voorkomen dat herhaling van de gebeurtenissen uit het verleden plaatsvindt. Een functie uitsluitend in de nachtdienst komt ons dan ook ongewenst voor. U gaf te kennen dit te begrijpen maar voegde eraan toe dat in uw huidige werk in elk geval altijd naast u een of twee andere verpleegkundigen op de PAAZ werken en dat deze PAAZ een zodanige opzet/indeling heeft dat u en uw collega's elkaar praktisch voortdurend kunnen zien tijdens het werk. E.e.a. in overweging nemende hebben wij besloten in te stemmen met hervatting van werken binnen de GGZ. Wel is nogmaals benadrukt dat bij herhaling van grensoverschrijdend gedrag de Inspectie ernstige maatregelen zal nemen."

Volgens deze brief heeft de Inspectie, om herhaling van de gebeurtenissen uit het verleden te voorkomen, slechts onder voorwaarden ingestemd met werkhervatting. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de minister in redelijkheid in deze brief heeft kunnen lezen dat de Inspectie recidive niet uitsluit. Anders dan [appellant] betoogt, is er geen grond voor het oordeel dat slechts na een persoonlijkheidsonderzoek de mogelijkheid van recidive in de afweging mag worden betrokken. Bovendien heeft de minister, zoals hiervoor onder 2.5.2. is weergegeven, zijn standpunt dat de weigering van een Vog niet evident disproportioneel is niet slechts gebaseerd op de mogelijkheid van recidive. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2011

312-640.