Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3660

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201011900/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het college aan Evelop Netherlands B.V. een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een windturbinepark bestaande uit vijf windturbines gelegen op en nabij het bedrijventerrein Ecofactorij te Apeldoorn.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 7.2
Wet milieubeheer 7.18
Wet milieubeheer 8.1
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.2
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Besluit omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht 2.1
Besluit milieu-effectrapportage 1994
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/811
Module Wabo en omgevingsvergunning 2011/923
Milieurecht Totaal 2011/5606
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011900/2/M1.

Datum uitspraak: 4 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoekster sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het college aan Evelop Netherlands B.V. een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een windturbinepark bestaande uit vijf windturbines gelegen op en nabij het bedrijventerrein Ecofactorij te Apeldoorn.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekster sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2010, [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2010, en [verzoeker sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2010, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2010, heeft [verzoekster sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2010, heeft [verzoeker sub 3] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 19 januari 2011, waar [verzoekster sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [verzoeker sub 2], in persoon, [verzoeker sub 3], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door, F.P. Keuning en J.W.M. Bekkers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord Evelop Netherlands B.V., vertegenwoordigd door drs. R. Koster.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

2.3. Het college heeft eerder bij besluit van 3 juni 2009 krachtens de Wet milieubeheer een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting. Bij haar uitspraak van 4 augustus 2010 in zaak nr. 200904695/1/M1 heeft de Afdeling dit besluit vernietigd. Bij het bestreden besluit heeft het college opnieuw op de aanvraag beslist.

2.4. Het college heeft ter zitting betoogd dat de beroepen in de bodemprocedure niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat verzoekers geen processueel belang meer hebben bij de beoordeling van hun beroepen. Dit is volgens het college het geval, omdat als gevolg van een wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en het Besluit omgevingsrecht sinds 1 januari 2011 geen vergunning meer is vereist voor het oprichten en in werking hebben van de inrichting waarvoor bij het bestreden besluit een vergunning krachtens de Wet milieubeheer is verleend. Als gevolg hiervan is de bij het bestreden besluit verleende vergunning van rechtswege vervallen, aldus het college.

2.5. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

1º. het oprichten,

2º. het veranderen of veranderen van de werking of

3º. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een gpbv-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B en onderdeel C.

Uit onderdeel C, categorie 20, van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht volgt dat inrichtingen voor het omzetten van windenergie in mechanische, elektrische of thermische energie niet op grond van dit onderdeel van bijlage I zijn aangewezen als vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht.

Ingevolge onderdeel B, onder 1, aanhef en onder c, van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht worden, onverminderd het bepaalde in onderdeel C van deze bijlage, als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit aangewezen: inrichtingen voor activiteiten die zijn aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor zover de ter zake van die activiteiten krachtens het derde en vierde lid van dat artikel aangewezen categorieën de besluiten zijn waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing zijn, met uitzondering van de categorieën 18.4 en 22.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage waarop artikel 7.18 van de Wet milieubeheer niet van toepassing is.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge artikel 7.18 van de Wet milieubeheer maakt degene die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, een milieueffectrapport, indien:

a. het bevoegd gezag heeft beslist dat bij de voorbereiding van het betrokken besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt;

b. hij een verklaring gegeven heeft als bedoeld in artikel 7.16, derde lid.

In onderdeel D, categorie 22.2, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn als activiteiten vermeld de oprichting, wijziging of uitbreiding van een of meer met elkaar samenhangende installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een gezamenlijk vermogen van 15 MW (elektrisch) of meer, of 10 molens of meer.

2.5.1. Bij het bestreden besluit is een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een windpark bestaande uit vijf windturbines met een gezamenlijk vermogen van 14 MW. Uit de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen vloeit voort dat voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie sinds 1 januari 2011 geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo meer is vereist, tenzij met betrekking tot deze activiteit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

2.5.2. In de uitspraak van 4 augustus 2010 in zaak nr. 200904695/1/M1 heeft de Afdeling, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 2009 (Commissie tegen Nederland, C-255/08; www.curia.europa.eu), onder meer overwogen dat de Afdeling het niet bij voorbaat uitgesloten acht dat in dit geval, mede gelet op de in bijlage III behorende bij de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 1985 L175), zoals gewijzigd bij onder meer Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2003 (PB 2003 L156) en Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 (PB 2009 L140), (hierna: de Richtlijn) genoemde omstandigheden, een milieueffectrapportage vereist is, ondanks het feit dat bij het aangevraagde vermogen van de inrichting de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet worden overschreden.

2.5.3. De voorzitter is vooralsnog van oordeel dat onderdeel B, onder 1, van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, in samenhang met artikel 7.18 van de Wet milieubeheer, met betrekking tot activiteiten die op grond van onderdeel D, categorie 22.2, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn aangewezen als mer-beoordelingsplichtige activiteiten zo moet worden uitgelegd, dat voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor dergelijke activiteiten ook een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is vereist wanneer het bevoegd gezag ten onrechte heeft besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. Uit de uitspraak van 4 augustus 2010 volgt naar het oordeel van de voorzitter voorts dat de oprichting van de hier aan de orde zijnde inrichting voor de toepassing van artikel 2.1, tweede lid, en onderdeel B, onder 1, van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht moet worden gelijkgesteld met een activiteit die krachtens artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, in samenhang met onderdeel D, categorie 22.2, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, is aangewezen als activiteit ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

2.6. [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 3] voeren aan dat het college ten onrechte heeft besloten dat geen milieueffectrapport behoeft te worden gemaakt. [verzoeker sub 2] betoogt in dit verband onder meer dat de inrichting is gelegen nabij Natura 2000-gebieden en een gebied dat tot de Ecologische Hoofdstructuur behoort. [verzoeker sub 3] wijst in dit verband op de aanwezigheid van het vliegveld Teuge op een afstand van 4.600 meter van de inrichting.

2.6.1. Gezien de ligging van de inrichting ten opzichte van Natura 2000-gebieden en de Ecologische Hoofdstructuur, de veiligheidsaspecten in verband met het vliegverkeer van en naar het vliegveld Teuge en in verband met de aanwezigheid van hoogspanningmasten nabij de te plaatsen windturbines, de geluidbelasting en de afstand van de windturbines tot de dichtstbijgelegen woningen, is de voorzitter er voorshands niet van overtuigd dat het college, gelet op de criteria in bijlage III bij de Richtlijn, terecht heeft geoordeeld dat de aangevraagde activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, zodat van het opstellen van een milieueffectrapport kon worden afgezien. In het kader van de behandeling van de beroepen in de hoofdzaak dient dit aspect nader te worden onderzocht.

2.6.2. Op grond van het voorgaande kan op voorhand niet uitgesloten worden geacht dat voor het oprichten en in werking hebben van de hier aan de orde zijnde inrichting ook na 1 januari 2011 nog altijd een vergunning is vereist, zodat - anders dan het college heeft betoogd - niet kan worden geoordeeld dat de bij het bestreden besluit verleende vergunning met ingang van die datum van rechtswege is vervallen en verzoekers daarom geen belang meer hebben bij de beoordeling van de beroepen in de bodemprocedure.

Hetgeen in het voorgaande over de milieueffectrapportage is overwogen, brengt tevens mee dat moet worden betwijfeld of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal kunnen blijven. Na afweging van de betrokken belangen ziet de voorzitter daarom aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen. De overige gronden behoeven geen bespreking.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Voor zover [verzoekster sub 1] en [verzoeker sub 3] hebben verzocht om vergoeding van de kosten van het aangetekend verzenden van stukken, overweegt de voorzitter dat het in zoverre geen kosten betreft die op grond van artikel 8:75, in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

[verzoekster sub 1] en [verzoeker sub 3] hebben tevens verzocht om vergoeding van de door hen gemaakte verletkosten. Nu zij het door hen opgegeven uurtarief niet met bewijsstukken hebben onderbouwd, gaat de voorzitter bij de bepaling van de vergoeding voor de verletkosten uit van de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde laagste forfaitaire vergoeding van € 4,54 per uur.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 29 oktober 2010, kenmerk WM-21313-b;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij [verzoekster sub 1] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 57,87 (zegge: zevenenvijftig euro en zevenentachtig cent);

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 39,71 (zegge: negenendertig euro en eenenzeventig cent);

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij [verzoeker sub 3] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 57,87 (zegge: zevenenvijftig euro en zevenentachtig cent);

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) voor [verzoekster sub 1], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [verzoeker sub 2] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [verzoeker sub 3] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2011

483.