Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2011:BP3659

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
09-02-2011
Zaaknummer
201011494/1/M2 en 201011494/2/M2 en 201011279/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2010 heeft het college een verzoek van [belanghebbende] om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot de nertsenhouderij aan de [locatie] te Gemert afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011494/1/M2 en 201011494/2/M2 en 201011279/1/M2.

Datum uitspraak: 4 februari 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2010 heeft het college een verzoek van [belanghebbende] om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot de nertsenhouderij aan de [locatie] te Gemert afgewezen.

Bij besluit van 19 oktober 2010, verzonden bij brief van 21 oktober 2010 en bij brief van 2 november 2010, heeft het college het door [belanghebbende] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het houden van te veel fokteven in de nertsenhouderij aan de [locatie] te Gemert.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 28 december 2010.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2010, heeft [appellante] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 januari 2011, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door E. Kramer en B. van Vijfeijken, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. [appellante] stelt onder meer dat zij ten onrechte niet is gehoord, en dat zij geen schriftelijke uitnodiging heeft ontvangen voor de hoorzitting bij de bezwaarcommissie. Hierdoor heeft zij haar bezwaar onvoldoende kunnen toelichten voordat op het bezwaarschrift werd beslist.

2.3. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt een bestuursorgaan, voordat hij op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

2.3.1. Het college heeft zich bij besluit van 13 april 2010 op het standpunt gesteld dat vanwege concreet zicht op legalisatie van handhavend optreden kon worden afgezien. De bezwaarcommissie heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift van [belanghebbende] op 30 juni 2010 een hoorzitting gehouden. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt niet dat [appellante] is gehoord. Ter zitting heeft het college erkend dat er geen uitnodiging voor deze hoorzitting aan [appellante] is gestuurd. Het bestreden besluit is daarom voorbereid in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De beroepsgrond slaagt.

2.4. Reeds hierom is het beroep gegrond. Het besluit van 19 oktober 2010 dient wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 19 oktober 2010, kenmerk RO/BCT/EK/253857;

III. wijst het verzoek af;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel tot vergoeding van [appellante] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 596,00 (zegge: vijfhonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het verzoek vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat.

w.g. Brink w.g. Kalter

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2011

492-632.